Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, 9 november 2009 · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brussel 9 november 2009

Zoeken

Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, 9 november 2009Belasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/rechtbank-brussel-2009-11-09-69fb

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brussel
Datum
9 november 2009

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

100 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel d.d. 09.11.2009

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL, 33ste Kamer

AR 2004/12751/A

- Federale belastingen - BTW

- op tegenspraak

- eindvonnis

In zake van :

De NV W. L. & F. R. (voorheen : de NV W. V.), met maatschappelijke zetel te …, …, geregistreerd bij de Kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer …, hierna : De NV W. L.

eisende partij,

vertegenwoordigd door Mr. D. F. loco Mr. S., advocaat te …, … (ref : /),

tegen :

De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, op benaarstiging en vervolging van de e.a. Inspecteur van het BTW-controlekantoor te 1800 Vilvoorde, met kantoor te 1800 Vilvoorde, groenstraat 51;

verwerende partij,

vertegenwoordigd door Mr. V. D. V. loco Mr. F. C., advocaat te …, … (ref : MF-9789),

Na beraad op 5 oktober 2009 spreekt de rechtbank het navolgend vonnis uit :

Gelet op :

- het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 30 september 2004 waarbij de zaak werd verwezen naar deze rechtbank;

- de beschikking tot regeling van conclusietermijnen overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek van 5 november 2007,

- de conclusies van verweerder, neergelegd ter griffie op 3 maart 2005 en 29 augustus 2008,

- de conclusies van eiseres, neergelegd ter griffie op 20/12/2007;

- de stukkenbundel van eiseres neergelegd ter griffie op 20 december 2007;

- de stukkenbundel van verweerder neergelegd ter griffie op 3 maart 2005;

Gehoord de raadslieden van partijen ter openbare zitting van 5 oktober 2009, waarna de bundels met de stavingstukken van partijen neergelegd werden en de zaak in beraad genomen werd.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

1. SAMENVOEGING

1. Volgens eiseres is er voor deze rechtbank nog een zaak aanhangig gekend onder het nummer 2004/12670 die hetzelfde voorwerp heeft als de onderhavige zaak, doch die werd ingesteld tegen de e.a. Inspecteur van het controlekantoor van Zaventem. Zij vraagt dat beide zaken zouden worden samengevoegd.

De rechtbank stelt vast dat de zaak gekend onder het nummer 2004/12670 niet werd vastgesteld voor deze kamer van de rechtbank en dat partijen evenmin vrijwillig zijn verschenen wat betreft deze zaak.

Bijgevolg werd de rechtbank niet op regelmatige wijze gevat met de zaak 2004/12670 en werd deze evenmin in beraad genomen, zodat niet kan worden overgegaan tot samenvoeging.

2. FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN

2. Eiseres is als BTW-belastingplichtige geregistreerd sinds 1 januari 1971.

Er werd door de diensten van verweerder bij eiseres een controle uitgevoerd voor wat betreft de periode 1995, 1996 en 1997.

Er werd naar aanleiding van deze controle aan eiseres een correctie-opgave verstuurd op 27 september 1999 (stuk 2 bundel eiseres). Volgens deze opgave zouden op bepaalde handelingen het 0 % tarief of de vrijstelling van artikel 41 zijn toegepast, hoewel hierop het BTW-tarief van 6 % diende te worden toegepast overeenkomstig artikel 37, § 1 BTW-Wetboek. Het gaat onder meer om sommen die door eiseres werden voorgeschoten voor bepaalde uitgaven in het kader van de repatriëring van stoffelijke overschotten vanuit het buitenland die door eiseres nadien werden doorgefactureerd aan haar klanten.

Eiseres rekende daarbij geen BTW aan aan haar klanten, omdat deze voorschotten in haar visie overeenkomstig artikel 28, 5° BTW-Wetboek niet tot de maatstaf van de heffing zouden behoren.

3. Bij schrijven van 28 maart 2000 deelde de raadsman van eiseres haar niet-akkoord mede met voormelde correctie-opgave (stuk 3 bundel eiseres) wat betreft deze 'voorschotten'. De correcties in verband met de Franse verzekeringsmaatschappij M. daarentegen werden door eiseres wel aanvaard (zie stuk 3 van eiseres).

Bij brief van 24 januari 2001 deelde verweerder mee dat zij niet kon akkoord gaan met het standpunt van eiseres. Als bijlage werd een aangepaste correctie-opgave medegedeeld.

4. De vaststellingen werden opgenomen in een proces-verbaal van 2 augustus 2001 (stuk 1 verweerder).

Overeenkomstig het proces-verbaal zou eiseres aan de Belgische Staat verschuldigd zijn :

- als BTW : € 75.349,34

- als boete : € 7.511,17

- als intrest : € 25.915,19

Deze sommen werden door eiseres betaald, doch eiseres stelde op 8 juli 2004 een vordering tot teruggaaf in tegen de e.a. inspecteur van het controlekantoor te Vilvoorde, alsook bij dagvaarding van 16 augustus 2004 tegen de e.a. inspecteur van het controlekantoor te Zaventem. Enkel de eerstgenoemde zaak is thans aanhangig voor de rechtbank.

3. VOORWERP VAN DE VORDERING

5. De vordering van eiseres strekt ertoe "verweerder te veroordelen tot terugbetaling aan eiseres van een bedrag ten belope van 4.388.001 BEF of 108.775,69 euro (...), te vermeerderen met de wettelijke nalatigheidsintresten vanaf de dag van de betaling (18 augustus 2001)".

Tevens verzoekt eiseres het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande verzet of hoger beroep, zonder borgstelling en met uitsluiting van elke mogelijkheid van kantonnement.

Tenslotte verzoekt eiseres verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding.

Verweerder besluit tot de ongegrondheid van de vordering.

4. BEOORDELING

4.1. Ontvankelijkheid

6. Partijen werpen geen specifieke gronden van niet-ontvankelijkheid van de vordering op. De rechtbank ziet evenmin redenen om ambtshalve te besluiten tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering. Deze is ontvankelijk.

4.2. Gegrondheid

7. Tussen partijen wordt betwist of artikel 28, 5° BTW-wetboek in voorliggend geval kan worden toegepast.

Artikel 28, 5° BTW-Wetboek bepaalt :

"Tot de maatstaf van de heffing behoort niet :

(...)

5° de sommen voorgeschoten door de leverancier of de dienstverrichter voor uitgaven die hij ten name van en voor rekening van zijn medecontractant heeft gedaan."

Volgens eiseres zijn de sommen die begrafenisondernemers betalen voor rechten en vergoedingen voor het vervoer van stoffelijke overschotten en die zij nadien aan hun klanten afzonderlijk en voor het juiste bedrag doorrekenen, als voorschotten te beschouwen in de zin van artikel 28, 5°, zelfs wanneer voor die handelingen facturen, nota's of kwijtschriften werden uitgereikt op naam van de begrafenisondernemers.

Volgens verweerder - die in dat verband in zijn eerste conclusie woordelijk de overwegingen van het proces-verbaal heeft overgenomen - kan artikel 28, 5° geen toepassing vinden omdat de door de derde geleverde prestaties niet op naam en voor rekening van de medecontractant van de begrafenisondernemer werden gefactureerd. De begrafenisondernemer zou in casu factureren in eigen naam en voor eigen rekening.

8. Eiseres dient gevolgd waar zij stelt dat verweerder door te eisen dat de door de derde geleverde prestaties dienen gefactureerd "op naam en voor rekening van de medecontractant" en derhalve de opdrachtgever van de begrafenisondernemer, een voorwaarde toevoegt aan artikel 28, 5° BTW-Wetboek, waar de wet een dergelijke voorwaarde niet stelt.

Deze bepaling voorziet immers niet dat de facturatie moet gebeuren op naam en voor rekening van de medecontractant van de belastingplichtige (eiseres), maar wel dat de uitgaven moeten zijn gedaan "in naam en voor rekening van" de medecontractant van de belastingplichtige.

De vraag of een uitgave werd gedaan in naam en voor rekening van de opdrachtgever in de zin van artikel 28, 5° BTW-Wetboek (en artikel 11, A, lid 3, sub c Zesde BTW-Richtlijn) moet beantwoord worden in functie van wie belang heeft bij het verrichten van de uitgave en niet in functie van de formele vermelding van de naam van ontvanger van de dienst op de uitgereikte factuur (Vgl. Hof van Justitie EG, De Danske Bilimporterer, 1 juni 2006, ro. 25-27; zie tevens de conclusie van de Advocaat-generaal K. van 16 maart 2006, ov. 42). Wanneer de BTW-plichtige een uitgave in naam en voor rekening van de opdrachtgever betaalt, wordt deze uitgave niet in de prestatie van de belastingplichtige opgenomen. Bijgevolg vergoedt de opdrachtgever met de betaling van de voorgeschoten uitgave ook geen prestatie van de belastingplichtige. Materieel bezien is het in een dergelijk geval veeleer de opdrachtgever zelf die de uitgave betaalt en de belastingplichtige dient slechts als tussenschakel bij de afhandeling van de betaling (conclusie van de Advocaat-generaal K. van 16 maart 2006, De Danske Bilimportorer, ov. 19).

9. Wanneer een begrafenisondernemer, zoals eiseres, beroep doet op buitenlandse ondernemers, voor de repatriëring van lijken uit het buitenland naar België, dan doet hij dit uiteraard en vanzelfsprekend niet in zijn eigen belang maar in het uitsluitend belang van de nabestaanden van de overledenen, zijnde de opdrachtgever. Het is overigens de begrafenisondernemer die in rechte gehouden is tot betaling van de door de buitenlandse ondernemer gemaakte kosten en niet de opdrachtgever van de begrafenisondernemer, die met de derde in het buitenland geen contractuele band heeft. Deze uitgaven zijn evenwel verschuldigd door de opdrachtgever van de begrafenisondernemer, zoals blijkt uit het feit dat deze het bedrag van de door hem betaalde kosten vervolgens doorberekent aan die opdrachtgever.

Bijgevolg maken de uitgaven aan buitenlandse ondernemers voor repatriëringen naar België die door eiseres worden doorgerekend aan haar klanten geen vergoeding uit voor door eiseres geleverde diensten of prestaties, maar worden deze uitgaven eigenlijk betaald door de opdrachtgevers van eiseres en fungeert eiseres louter als tussenschakel bij de betaling van deze kosten. Dienvolgens dienen deze uitgaven beschouwd te worden als uitgaven die in naam en voor rekening van de opdrachtgever van eiseres (zijnde de medecontractant), zelfs wanneer de derde niet op naam van de opdrachtgever heeft gefactureerd.

10. Terecht stelt eiseres dat deze zienswijze wordt bevestigd in de administratieve beslissing 18.588 (stuk 7 van verweerder). Daarin wordt uitdrukkelijk gesteld dat de door een begrafenisondernemer aan zijn opdrachtgevers afzonderlijk en voor het juiste bedrag in rekening gebrachte sommen voor het gebruik van de rouwkapel in een ziekenhuis, voor de godsdienstige plechtigheden bij de begrafenis of voor de missen die nadien gecelebreerd worden, voor postzegels, voor rechten en vergoedingen betaald aan het gemeentebestuur voor het vervoer van het stoffelijk overschot, voor het bekomen van overlijdensakten, voor een concessie op de begraafplaats enz. dienen te worden aangemerkt als voorschotten in de zin van artikel 28, 5° BTW-Wetboek zelfs wanneer voor die handelingen facturen, nota's of kwitanties worden uitgereikt uitsluitend op naam van de begrafenisondernemer.

11. Volgens verweerder kan het in deze administratieve beslissing uiteengezette standpunt niet worden toegepast in voorliggend geval. De opsomming in deze beslissing zou limitatief zijn en de in kolom 4 van het proces-verbaal opgenomen beschrijvingen van de prestaties zouden geen prestaties zijn zoals bedoeld in de beslissing E.T. 18.588.

In de mate dat deze beslissing de sommen die in aanmerking komen voor de toepassing van artikel 28, 5° BTW-Wetboek beperkt in die zin dat er geen andere sommen in aanmerking zouden kunnen worden genomen, is zij in strijd met de wet en met de Zesde BTW-Richtlijn en dient zij buiten toepassing gelaten (artikel 159 G.W.). Wanneer aan de voorwaarden van de wet is voldaan kan de administratie zich niet beroepen op haar eigen beslissing om de toepassing van de wet te beperken.

Bijgevolg kan de niet-toepassing van artikel 28, 5° BTW-Wetboek niet uitsluitend worden gesteund op het feit dat de sommen die door eiseres werden doorgerekend niet zouden vallen onder de zogenaamd "limitatief opgesomde" sommen in beslissing E.T. 18.588.

12. Volgens verweerder onderscheiden de in de genoemde beslissing opgesomde sommen zich van deze opgenomen in het proces-verbaal doordat eerstgenoemde kosten "direct verbonden [zijn] aan de overledene en zijn nalatenschap". Voor deze kosten zou er geen band zijn tussen de schuldeiser en de begrafenisondernemer die ze betaalt in naam en voor rekening van zijn opdrachtgever. Wanneer deze sommen echter worden aangerekend door een onderaannemer die contractueel verbonden is met de begrafenisondernemer zouden deze kosten niet als voorschotten kunnen worden aangemerkt in de zin van artikel 28, 5° BTW-Wetboek. Bovendien, zo stelt verweerder nog, gebeurt de doorrekening van de buitenlandse kosten niet aan de nabestaanden van de overledene, maar worden de kosten van de "factuur buitenlandse ondernemer" gefactureerd aan de verzekeringsinstelling waarmee de overledene een reisverzekering afsloot.

De stelling dat de sommen opgesomd in de beslissing E.T. 18.588 zouden worden gekenmerkt door de afwezigheid van een contractuele band tussen de begrafenisondernemer en de derde-onderaannemer kan niet worden gevolgd. Voor deze sommen is het eveneens de begrafenisondernemer die zich ten aanzien van het ziekenhuis, de gemeente, de religieuze instanties, ... verbindt of de postzegels aankoopt. Dit blijkt overigens reeds uit het feit dat de factuur in de regel op naam van de begrafenisondernemer zal worden gesteld, hetgeen volgens de administratie de toepassing van artikel 28, 5° BTW-Wetboek niet in de weg staat wat deze sommen betreft. Daarbij moet de begrafenisondernemer in de regel niet doen blijken van enige volmacht of lastgeving en is het voor elkeen onmiddellijk duidelijk dat de begrafenisondernemer optreedt in het belang van de nabestaanden van de overledene.

Bijgevolg is er geen fundamenteel onderscheid tussen de sommen die zijn opgesomd in de beslissing E.T. 18.588, die door de administratie als voorschotten in de zin van artikel 28, 5° BTW-Wetboek worden aangemerkt, en de sommen die door eiseres werden betaald en opgenomen zijn in de bijlage bij het proces-verbaal. Alle daar opgesomde sommen werden door eiseres betaald in naam en voor rekening van de opdrachtgevers van eiseres, in die zin dat deze sommen geen tegenprestatie uitmaken van een door eiseres verleende dienst, maar werden betaald in het uitsluitend belang dat de nabestaanden van de overledene hebben bij de repatriëring en begrafenis van de overledene.

Dat deze kosten worden doorgerekend aan verzekeringsmaatschappijen is irrelevant. Vooreerst zal dit niet steeds het geval zijn, nu een reisverzekering die de kosten van repatriëring dekt geen verplichte verzekering is. Bovendien doet deze omstandigheid niet af aan het feit dat de kosten werden gemaakt in het uitsluitend belang van de opdrachtgevers van eiseres.

13. In zijn eerste conclusie (p. 5) voerde verweerder nog aan dat krachtens artikel 20, § 1 BTW-Wetboek eiseres geacht wordt de verleende diensten zelf te hebben ontvangen en zelf te hebben verstrekt.

Volgens eiseres betreft het hier een wijziging van de juridische grondslag van het proces-verbaal van 2 augustus 2001, waarin enkel artikel 28, 5° BTW-Wetboek zou zijn aangehaald.

Volgens verweerder voegt hij geen nieuw argument toe, maar benoemt hij het argument dat reeds was verwoord in het proces-verbaal. Er zou derhalve geen wijziging zijn van de juridische grondslag.

De wet van 29 juli 1991 staat er niet aan in de weg dat na het opstellen van een proces-verbaal met betrekking tot een bepaalde belastingschuld, het bestuur nieuwe juridische argumenten en feitelijke gegevens "worden aangevoerd, doch die die argumenten en gegevens enkel kunnen worden aangevoerd ter ondersteuning van hetgeen in het proces reeds is vastgesteld en vermeld met betrekking tot diezelfde belastingschuld (in dezelfde zin : Cass. 1 december 2005, www.cass.be ).

Met eiseres moet worden vastgesteld worden dat in het proces-verbaal van 2 augustus 2001 niet wordt verwezen naar artikel 20, § 1 BTW-Wetboek. Er wordt enkel gesteld dat artikel 28, 5° BTW-Wetboek niet kan worden toegepast gelet op het feit dat de derde niet heeft gefactureerd aan de opdrachtgever van eiseres. De verwijzing in conclusies naar artikel 20, § 1 BTW-Wetboek kan bezwaarlijk als een argument worden aanzien ter ondersteuning van hetgeen is vermeld in het proces-verbaal. De toepassing van artikel 28, 5° BTW-Wetboek betreft immers de maatstaf van de heffing, terwijl artikel 20, § 1 BTW-Wetboek de belastbaarheid van diensten betreft.

In het proces-verbaal werd enkel standpunt ingenomen over de maatstaf van de heffing en niet omtrent de vraag of de dienst al dan niet geacht moet worden door eiseres zelf te zijn ontvangen en door haar te zijn verleend.

Bijgevolg kon de administratie zich niet voor het eerst voor de rechtbank beroepen op een nieuw motief dat verschilt van de motivering vervat in het proces-verbaal van 2 augustus 2001 en deze motivering niet ondersteunt ter verantwoording van deze gevorderde BTW-schuld.

14. In voorliggend geval werden de kosten die werden gefactureerd aan eiseres door voornamelijk buitenlandse ondernemers afzonderlijk en tegen de juiste prijs in rekening gebracht. In dat verband wordt door eiseres een voorbeeld van factuur voorgelegd, waaraan de door de buitenlandse ondernemer opgestelde factuur is gehecht. Aangenomen mag worden dat deze werkwijze representatief is voor alle kosten opgesomd in de bijlage bij het proces-verbaal, nu verweerder in dit opzicht geen opmerkingen formuleert.

Voor het overige wordt door partijen geen onderscheid gemaakt naar gelang de aard van de door eiseres doorgefactureerde kosten en worden door geen van de partijen de betrokken facturen voorgelegd.

15. Nu het vaststaat dat eiseres geen inbreuk heeft begaan op de bepalingen van het BTW-Wetboek, bestaat er ook geen aanleiding tot het opleggen van een boete.

16. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat de vordering van eiseres gegrond moet worden verklaard.

Er zijn evenwel geen redenen om het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, nu eiseres nalaat haar verzoek te motiveren.

5. WAARDE VAN DE VORDERING EN DE GEVORDERDE RECHTSPLEGINGSVERGOEDING

17. Aangezien de vordering van eiseres gegrond is, worden de kosten van het geding, in overeenstemming met artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste gelegd van verweerder.

De waarde van de vordering situeert zich tussen € 100.000,01 en € 250.000,00.

Op grond van de waarde van het geschil kan deze vergoeding begroot worden op € 5.000. Nu geen der partijen een vordering instelt tot verhoging of verlaging van dit basisbedrag, kan dit bedrag toegekend worden.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Veroordeelt verweerder tot terugbetaling aan eiseres van een bedrag ten belope van 108.775,69 euro, te vermeerderen met de wettelijke nalatigheidsintresten vanaf de dag van de betaling zijnde 18 augustus 2001.

Veroordeelt verweerder tot betaling van de gedingkosten in hoofde van eiseres begroot op € 5.000 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 9 november 2009.

Waar aanwezig waren en zitting namen :

De heer M. B., toegevoegd rechter

Mevrouw I. D., griffier.

I. D. M. B.

Aangehaalde teksten

4
WBTW art. 2814 voorkomens
WBTW art. 204 voorkomens
WBTW art. 371 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8