Procesverloop
2 stappen · 2 jaar- Bestreden beslissingHof van beroep te Gent06.10.2020
- Weergegeven beslissingHof van Cassatie van België21.10.2022
Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van Cassatie d.d. 21.10.2022 (F.21.0053.N)
WF 708-15-17/044252
[Gunstig voor de Belgische staat]
Belasting over de toegevoegde waarde – Werken in onroerende staat – Verlaagd btw-tarief – Nieuw gebouw - Boete – Evenredigheid van de boete– Vermindering van de boete
Wettelijke bepalingen
Artikelen 70, §1, 72 en 84, 3e lid WBTW;
Art. 1 KB nr. 20 van 20 juli 1970 – rubriek XXXVIII van tabel A van de bijlage bij het KB nr. 20 van 20 juli 1970
Artikel 1 van KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde
Samenvatting
1) Feiten en voorgaande procedure
De eigenaars van een woning verkregen een bouwvergunning voor het verbouwen en uitbreiden van een eengezinswoning. Op de uitgevoerde werken werd het verlaagde btw-tarief van 6% toegepast. Na de uitvoering van een controle was de administratie van oordeel dat er door de uitgevoerde werken geen sprake meer was van een verbouwing, maar dat het gaat om een nieuwbouw waarbij het btw-tarief van 21% van toepassing is. Hierover kon geen akkoord worden bereikt met tegenpartij.
In eerste aanleg besliste de rechter dat de vordering van de tegenpartij ongegrond is. Tegen dit vonnis ging tegenpartij in hoger beroep. Ook het hof van beroep was van oordeel dat het in dit geval niet om verbouwingswerken gaat, maar dat de uitgevoerde werken ervoor zorgen dat de woning kwalificeert als een nieuwbouw.
2) Het arrest van het Hof van Cassatie
* Toepasselijk btw-tarief
Reeds eerder besliste het Hof dat er sprake is van nieuwbouw, waarover het btw-tarief van 21% van toepassing is, wanneer de uitgevoerde werken niet steunen op de wezenlijke elementen van de structuur van het gebouw en het gebouw heropgebouwd wordt na de afbraak, zelfs indien bepaalde delen, zoals de funderingen, de kelders of alleen de voorgevel worden behouden. In het huidige arrest verduidelijkt het hof nu verder dat er ook sprake is van nieuwbouw wanneer wezenlijke elementen van de structuur van het gebouw en in het bijzonder de fundering van het gebouw, substantieel dienen te worden vernieuwd of verstevigd om de uitgevoerde werken te ondersteunen.
* Boete
In eerdere rechtspraak stelde het Hof dat bij de toetsing van een boete aan het evenredigheidsbeginsel de rechter geen sancties mag verminderen of kwijtschelden op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit en tegen de wettelijke regels in. Dit voorbehoud wordt nu door het Hof verder gepreciseerd door te bevestigen dat een subjectieve factor zoals de goede trouw van de belastingplichtige niet mee in overweging mag worden genomen bij de toetsing van de boete aan het evenredigheidsbeginsel.
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Hof van Cassatie van België, Arrest nr. F.21.0053.N
Arrest van 21.10.2022
1. V. P., wonende te ..., ingeschreven in het rijksregister onder …,
2. K. M., wonende te ..., ingeschreven in het rijksregister onder …,
eisers,
vertegenwoordigd door mr. C. D. B., advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor …, waar de eisers woonplaats kiezen,
tegen
BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de adviseur-generaal KMO Centrum Brugge, met kantoor te 8000 Brugge, G. Vincke-Dujardinstraat 4,
verweerder,
vertegenwoordigd door mr. G. d. F. en mr. S. D. V., advocaten bij het Hof van Cassatie, beiden met kantoor te …, waar de verweerder woonplaats kiest,
mede inzake
D. 1. A. A. bv, met zetel te ..., ingeschreven bij de Kl30 onder het nummer 082...77,
in gemeen- en bindendverklaring opgeroepen partij.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 6 oktober 2020.
Advocaat-generaal J. V. d. F. heeft op 9 september 2022 een schriftelijke conclusie neergelegd.
Raadsheer B. W. heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal J. V. d. F. heeft geconcludeerd.
II. CASSATIEMIDDELEN
De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.
Ill. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel
Vierde onderdeel
1. Krachtens artikel 37 Btw-wetboek bepaalt de Koning de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en geeft hij de indeling van de goederen en diensten bij die tarieven.
Krachtens artikel 1, 1°, KB nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en diensten bij die tarieven wordt de belasting over de toegevoegde waarde geheven tegen een tarief van zes procent voor de goederen en diensten aangewezen in tabel A van de bijlage bij dit besluit.
Krachtens tabel A, rubriek XXXI, § 1, van de bijlage bij dit besluit wordt het werk in onroerende staat met betrekking tot privéwoningen en de andere handelingen bedoeld in § 3 onderworpen aan het verlaagd tarief, voor zover onder meer de handelingen de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van een woning tot voorwerp hebben.
Krachtens tabel A, rubriek XXXI, § 3, 1°, van de bijlage bij dit besluit worden het verbouwen, het afwerken, het inrichten, het herstellen en het onderhouden, met uitzondering van het reinigen, geheel of ten dele, van een uit zijn aard onroerend goed beoogd.
Krachtens tabel A, rubriek XXXVIII, § 1, van de bijlage bij dit besluit wordt het werk in onroerende staat en de andere handelingen bedoeld in§ 3, met uitsluiting van de materialen die een beduidend deel vertegenwoordigen van de verstrekte dienst, onderworpen aan het verlaagd tarief, voor zover onder meer de handelingen de omvorrning, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onder- houd, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van een woning tot voorwerp hebben.
Krachtens tabel A, rubriek XXXVIII, § 3, 1°,van de bijlage bij dit besluit worden het verbouwen, het afwerken, het inrichten, het herstellen en het onderhouden, met uitzondering van het reinigen, geheel of ten dele, van een uit zijn.aard onroerend goed beoogd.
2. Uit het vorenstaande volgt dat het verlaagd tarief van toepassing is op voorwaarde dat het gaat om een omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of onderhoud van een bestaand gebouw en niet om een nieuwbouw.
Er is sprake van nieuwbouw, waarop een btw-tarief van 21 pet. van toepassing is, indien de uitgevoerde werken niet steunen op de wezenlijke elementen van de structuur van het gebouw en het gebouw heropgebouwd wordt na afbraak, zelfs indien bepaalde delen, zoals de funderingen, de kelders of alleen de voorgevel worden behouden. Dit is eveneens het geval, wanneer wezenlijke elementen van de structuur van het gebouw, en in het bijzonder de fundering van het gebouw, substantieel dienen te worden vemieuwd of verstevigd om de uitgevoerde werken te ondersteunen.
Er is sprake van verbouwing, wat ook de benaming is die eraan wordt gegeven, wanneer de werken op relevante wijze steunen op de reeds bestaande dragende muren, in het bijzonder de buitenmuren, en, meer algemeen, op de wezenlijke elementen van de structuur van het te renoveren gebouw.
3. De rechter beoordeelt onaantastbaar of de uitgevoerde werken de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, geheel of ten dele, van een woning tot voorwerp hebben dan wel of er sprake is van nieuw- bouwwerken, onverminderd de mogelijkheid voor het Hof om na te gaan of de rechter uit de door hem vastgestelde feiten wettig heeft kunnen afleiden dat de werken een nieuwbouw tot stand hebben gebracht.
4. De appelrechter stelt vast en oordeelt dat:
- de vloerplaat volledig werd vernieuwd, net zoals de houten roostering van de eerste verdieping volledig werd vervangen door een betonnen constructie;
- de fundering werd behouden, maar geenszins volstond en substantieel diende te worden verstevigd door middel van een funderingsplaat;
- zelfs al was gepland om de bouwwerken wezenlijk te laten steunen op de bestaande fundering en draagmuren, het niet uitgesloten is dat de werken kwalificeren als een nieuwbouw omdat in werkelijkheid de dragende structuren te zwak waren en substantieel dienden vernieuwd te worden;
- de eisers erkennen dat tijdens de werken werd vastgesteld dat de muren dermate vetust waren dat ze moesten worden afgebroken, dat het dak volledig rot was en moest worden vervangen en dat doordat de bouwput voor de bouw van een nieuwe kelder te groot was, de achtergevel in oude staat niet kon worden behouden;
- op basis van de plannen en de wijze van uitvoering blijkt dat de nieuwe toestand niet wezenlijk gesteund is op nog oude werkelijk behouden fundering en draagmuren.
Aldus verantwoordt de appelrechter zijn beslissing naar recht.
ln zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
5. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van de artikelen 1349 en 1353 Oud Burgerlijk Wetboek is het geheel afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van artikel 37 Btw-wetboek, artikel 1, eerste en tweede lid, koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en diensten bij die tarieven, van de rubrieken XXXI,§ 1, 1°,en§ 3, 1°, en XXXVIII,§ 1, 1°,en§ 3, 1°, van tabel A van de bijlage van dit besluit, en is het mitsdien niet ontvankelijk.
Vijfde onderdeel
6. Het is niet tegenstrijdig enerzijds te oordelen dat de voorgevel tot 2,42 meter werd behouden, een zijgevel werd behouden, de zijgevel aan de kant van het bureau voor een deel werd behouden en de achtergevel tot ongeveer 1,41 meter werd behouden en anderzijds te oordelen dat de eisers erkennen dat tijdens de werken werd vastgesteld dat de muren dermate vetust waren dat ze moesten worden afgebroken en dat zij erkennen dat de achtergevel niet in oude staat kon worden behouden.
Het is evenmin tegenstrijdig enerzijds te oordelen dat de fundering werd behouden maar geenszins volstond want substantieel diende te worden verstevigd door middel van een funderingsplaat en dat de buitengevels slechts gedeeltelijk werden behouden en anderzijds te oordelen dat de nieuwe toestand niet wezenlijk gesteund is op nog oude werkelijk behouden fundering en draagmuren.
Het onderdeel mist feitelijke grondslag.
Zesde onderdeel
7. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de stabiliteitsingenieur in zijn brief van 10 mei 2017 heeft verklaard na het plaatsbezoek te hebben vastgesteld dat het merendeel van de buitenmuren nog voldoende draagkrachtig is en bijgevolg ook zal bijdragen tot de algehele stabiliteit van de woning, dat hierbij de bestaande fundering in die mate wordt aangepakt en verstevigd om de nieuwe belasting afkomstig van de nieuwe vloerplaat afdek gelijkvloers samen met de nieuwe voorzetwand te kunnen dragen, dat de funderingsplaat vertand wordt ingewerkt in de bestaande funderingen, dat de vloerplaat afdek gelijkvloers tot tegen de bestaande buitenmuren wordt gestort zodat de nieuwe dakconstructie zowel op de bestaande buitenmuren ais op de nieuwe voorzetmuur zal steunen en dat de vloerplaat afdek gelijkvloers zal fungeren als dekker voor de dakconstructie.
8. De appelrechter oordeelt dat uit die brief blijkt dat de bestaande draagmuren en funderingen niet wezenlijk in staat waren de nieuwe werken te dragen, aangezien de vloerplaat volledig werd vernieuwd, net zoals de houten roostering van de eerste verdieping volledig werd vervangen door een betonnen constructie en aan- gezien de fundering wel werd behouden maar geenszins volstond en substantieel diende te worden verstevigd door middel van een funderingsplaat.
Aldus geeft de appelrechter aan die brief een uitleg die met de bewoordingen er- van niet onverenigbaar is.
Het onderdeel mist feitelijke grondslag.
Zevende onderdeel
9. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eisers in hun laatste appelconclusie ter ondersteuning van hun tweede middel, volgens hetwelk de eerste rechter artikel 1, a), koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en diensten bij die tarieven juncto artikel XXXVIII, § 1, en § 3°, van tabel A van de bijlage van dit besluit heeft geschonden, hebben aangevoerd dat:
- de voorgevel en de rechterzijgevel volledig werden behouden;
- de achtergevel en de linkerzijgevel gedeeltelijk werden behouden;
- door de grotere afbraak dan gepland van een deel van de achtergevel en linker- zijgevel weliswaar beperkt werd afgeweken van de goedgekeurde bouwplannen, doch omwille van de vergaande vetusteit deze muren bouwtechnisch, zowel volgens de aannemer als de architect, onmogelijk konden behouden blijven en de uitvoeringsplannen dienden te worden aangepast;
- dit op zich een vorm van overmacht uitmaakt.
Vervolgens hebben zij in een tweede middel, volgens hetwelk de eerste rechter het algemeen rechtsbeginsel van overmacht heeft geschonden, aangevoerd dat:
- voor het onmogelijke geval zou worden aangenomen dat de wezenlijke elementen van de bestaande structuur van de woning niet zouden zijn behouden of een te kleine bestaande oppervlakte zou hebben, de gedeeltelijke afbraak van de buitenmuren, volgens de architect en de aannemer, noodzakelijk was door onvoorziene omstandigheden die, in tegenstelling tot wat de eerste rechter overweegt, zij redelijkerwijs niet konden voorzien noch konden verhelpen en waardoor het voor ben onmogelijk werd om deze litigieuze oorspronkelijk behouden onderdelen nog te behouden;
- omwille van de onvoorziene vergaande slechte staat van zowel de litigieuze buitenmuren, de dwarse binnenmuren, de houten roostering ais het dakgebinte, alsook door het feit dat onder de achtergevel een kelder diende te worden geplaatst en de hiervoor noodzakelijke bouwput veel groter bleek uit te vallen dan aanvankelijk gepland, het bouwtechnisch niet langer mogelijk was om delen van deze litigieuze muur te behouden in de staat waarin ze zich bevonden, noch deze bouwtechnisch ondervangen kon worden, en dat zodoende de gedeeltelijke afbraak en herstel zich opdrong ter verbetering van de woning en dat zowel de aannemer als de architect bevestigden dat de litigieuze muren niet konden behouden blijven, gelet op het zeer vetuste en onveilige karakter.
1O. De appelrechter stelt vooreerst vast dat de voorgevel tot 2,42 meter en een zijgevel werden behouden, de zijgevel aan de kant van het bureau voor een deel werd behouden en de achtergevel werd behouden tot 1,41 meter.
Vervolgens overweegt de appelrechter, in antwoord op voormeld verweer van de eisers, dat:
- de beoordeling of de werken aan het tarief van 6 of 21 pet. onderworpen zijn, niet wordt bepaald door de plannen op zich maar door de feitelijke appreciatie van de werkelijk uitgevoerde werken;
- zelfs al was gepland om de bouwwerken wezenlijk te laten steunen op de bestaande fundering en draagmuren, het niet uitgesloten is dat de werken kwalificeren als een nieuwbouw omdat in werkelijkheid de dragende structuren te zwak waren en substantieel dienden vernieuwd te worden;
- de eisers erkennen dat tijdens de werken werd vastgesteld dat de muren dermate vetust waren dat ze moesten worden afgebroken, dat het dak volledig rot was en moest worden vervangen en doordat de bouwput voor de bouw van een nieuwe kelder te groot was, de achtergevel niet in oude staat kon worden behouden;
- die vaststellingen die door de eisers beschouwd worden als een situatie van overmacht, niet relevant zijn voor de objectief feitelijke beoordeling van de uitgevoerde werken en het toepasselijke btw-tarief.
11. De overweging van de appelrechter dat de eisers erkennen dat de muren dermate vetust waren dat ze moesten worden afgebroken, betreft derhalve uitsluitend de achtergevel en de linkerzijgevel.
In zoverre het onderdeel schending aanvoert van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Oud Burgerlijk Wetboek evenals van de artikelen 1354 en 1356 Oud Burgerlijk Wetboek, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het mitsdien feitelijke grondslag.
12. De appelrechter antwoordt op de aanvoeringen van de eisers met betrekking tot het behoud van de fundering en de buitenmuren door zijn beoordeling betreffende de vraag of de bestaande draagmuren en fundering wezenlijk in staat waren de nieuwe werken te dragen, daartegenover te stellen.
Hij was daarbij niet gehouden te antwoorden op elk van de argumenten van de eisers die geen afzonderlijk middel vormen.
In zoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 149 Grondwet, kan het niet worden aangenomen.
Eerste tot derde onderdeel
13. Het oordeel dat op basis van de plannen en de wijze van uitvoering blijkt <lat met betrekking tot het bestaande gebouw de nieuwe toestand niet wezenlijke gesteund is op nog oude werkelijk behouden fundering en draagmuren, draagt de beslissing van de appelrechter dat de administratie terecht toepassing maakte van het btw-tarief voor nieuwbouwwerken van 21 pct.
De onderdelen die de redenen met betrekking tot de uitbreiding bekritiseren, volgens dewelke het nieuwe gedeelte functioneel belangrijker is en de oppervlakte van het behouden gedeelte te klein is ten aanzien van de totale oppervlakte, komen op tegen overtollige redenen en zijn mitsdien, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk.
Tweede middel
14. Krachtens artikel 70, § 1, Btw-wetboek wordt, voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet-tijdig betaalde belasting.
Krachtens artikel 84, derde lid, van dat wetboek wordt het bedrag van de proportionele fiscale boeten vastgesteld in dit Wetboek of in de ter uitvoering ervan genomen besluiten, binnen de door de wet gestelde grenzen, bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.
Krachtens artikel 1, laatste lid, KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde is de schaal voor de vermindering van de proportionele fiscale geldboeten niet van toepassing ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.
15. De appelrechter die gevraagd wordt een administratieve sanctie te controleren die een strafrechtelijk karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, moet de wettigheid van die sanctie nagaan en kan meer bepaald onderzoeken of die sanctie verenigbaar is met de dwingende vereisten van de internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen.
Dat controlerecht biedt de rechter inzonderheid de mogelijkheid om, met inaanmerkingneming van alle omstandigheden van de zaak, te onderzoeken of de straf niet buiten verhouding staat tot het misdrijf, zodat hij kan onderzoeken of de administratie redelijkerwijs een administratieve sanctie van die omvang mocht opleggen.
De rechter mag hierbij niet op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, sancties kwijtschelden of verminderen.
16. Het middel dat uitgaat van de veronderstelling dat een subjectieve factor zoals de goede trouw van de eiseres mee in overweging diende te worden genomen bij de toets van de boete aan het evenredigheidsbeginsel, gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting en faalt bijgevolg naar recht.
Beschikkend gedeelte
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eisers tot de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eisers op 1.095,26 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, in openbare rechtszitting van 21 oktober 2022
Door de FOD bijgevoegde beslissing
Arrest van het hof van Beroep
Hof van Beroep Gent, vijfde kamer
Arrest van 06.10.2020
Rol: 2019/AR/112
ln de zaak van:
1. P. V., en
2. M. K.,
samenwonende te …,
appellanten,
hebbende ais raadsman mr. S. T., advocaat te …
tegen
1. BELGISCHE STAAT/FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, ON 0308.357.159,
Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Adviseur-Generaal Centrum KMO te Brugge, met burelen te 8000 BRUGGE, G. Vincke- Dujardinstraat 4,
geïntimeerde,
hebbende ais raadsman mr. D. C., advocaat te …
2. D. 1. A. B.V.B.A., ON 082...77,
met maatschappelijke zetel te …,
geïntimeerde,
hebbende ais raadsman mr. C. P., advocaat te …
wijst het hof het volgend arrest:
1 De procedure voor het hof
Bij verzoekschrift van 21 januari 2019 hebben de appellanten hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, tiende kamer, op 29 oktober 2018 werd uitgesproken in de zaak met rolnummer 17/2379/A.
De zaak was opgeroepen voor de openbare terechtzitting van 8 september 2020. De partijen hebben vooraf bevestigd dat ze akkoord gingen om de zaak schriftelijk te behandelen. De partijen hebben hun stukken neergelegd. Het hof heeft de zaak schriftelijk behandeld. Het blijkt niet dat het bestreden vonnis werd betekend.
Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
2 De relevante feiten en de voorafgaande procedure
De appellanten zijn eigenaar van een onroerend goed gelegen te …. Op 22 maart 2016 werd door de stad D. een bouwvergunning afgeleverd voor het verbouwen en uitbreiden van deze eengezinswoning. Op de uitgevoerde werken werd het verlaagd btw-tarief van 6 % toegepast.
Op 10 februari 2017 voerde de btw-administratie een controle ter plaatse uit aan de woning. Op 13 februari 2017 vroeg de administratie de facturen, bestekken en prijsofferten en plannen op van de vorige en bestaande toestand. Op 23 februari 2017 ontving de administratie van de eerste appellant een e-mail met de melding dat hij nog niet alle informatie had die nodig was maar dat hij deze zo spoedig mogelijk zou overmaken. De plannen werden ais bijlage overgemaakt. Op 17 maart 2017 volgde een e-mail van de bouwheer met ais bijlagen: een brief van 15 maart 2017, facturen en een prijsofferte van de T. bvba en de nv V. .
Na onderzoek van de overgemaakte documenten heeft de controleagent aan de appellanten gevraagd om de werf van de woning te mogen bezoeken. Er werd een afspraak gemaakt op 23 maart 2017. De eerste appellant en de aannemer (bvba T.) waren aanwezig. Met toestemming van de bouwheer heeft de controleagent ter plaatse foto's genomen van de bouwwerken.
Op 3 april 2017 legde de bouwheer op het btw-controlekantoor de originele plannen voor getekend op 14 oktober 2015 door architectuuratelier D. 1. a. bvba (tweede geïntimeerde).
Van deze plannen werden op 5 april 2017 kopieën overgemaakt aan de controleambtenaar.
Op 24 april 2017 verstuurde de administratie naar de appellanten per aangetekende brief een correctieopgave. De administratie is van oordeel dat het geen verbouwing maar wel om een nieuwbouw gaat waarbij het BTW:-tarief van 21 % van toepassing is in de plaats van het verlaagde btw-tarief van 6%. ln de correctieopgave werden (voorlopig)
2 voorschotfacturen inzake ruwbouw gecorrigeerd (d.d. 22 december 2016 en 20 februari 2017 van bvba T.). lngevolge deze correctieopgave zijn appellanten volgens de administratie de volgende bedragen verschuldigd aan de Belgische Staat:
- btw: € 10.322,66;
- boete op basis van art. 70, §1 W.btw: € 20.645,32;
- verminderde proportionele geldboete (KB 41, tabel G, IV):€ 1.030,00
Op 26 mei 2017 delen huidige appellanten met een aangetekend schrijven mee dat zij niet akkoord gaan met de navordering van btw zoals vermeld in de correctieopgave. ln de brief van 26 juni 2017 verklaart de administratie waarom het standpunt dat werd ingenomen in de correctieopgave behouden blijft.
Met een verzoekschrift van 23 augustus 2017 stelden de appellanten hun vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge.
Op 7 december 2017 heeft de controlerende ambtenaar een proces-verbaal opgesteld met vermelding van een verslag van de feiten en de ingevolge de correctieopgave van 24 april 2017 vastgestelde overtredingen.
In het vonnis van 29 oktober 2018 heeft de tiende kamer van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge als volgt uitspraak gedaan:
Verklaart de hoofdeis toelaatbaar doch ongegrond. Verklaart de tegeneis toelaatbaar en gegrond.
Veroordeelt eisers (verweerders op tegeneis) tot betaling aan verweerder (eiser op tegeneis) van het bedrag van 10.322,66 EUR als BTW en van het bedrag van 1.030,00 EUR ais verminderde proportionele geldboete zoals opgenomen in de correctieopgave.
Verklaart het vonnis bindend en tegenstelbaar aan verweerster in gemeen- en tegenstelbaarverklaring.
Veroordeelt eisers tot de gedingkosten, aan hun zijde niet te begroten aangezien ze hen ten laste blijven, aan de zijde van verweerder (eiser op tegeneis) begroot op 0,00 EUR.
Het is tegen dat vonnis dat de appellanten hoger beroep hebben ingesteld. De tweede geïntimeerde tekende incidenteel beroep aan.
3 De vorderingen van de partijen
3.1 De vordering van de appellanten
De appellanten vragen in hoger beroep aan het hof om:
het hoger beroep van concluanten ontvankelijk en gegrond te verklaren en mitsdien het bestreden vonnis te niet te doen/te hervormen, en zodoende .de oorspronkelijke vordering van concluanten ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens,
- in hoofdorde de bestreden beslissingen te niet te doen en voor recht te zeggen dat op de werken uitgevoerd door concluanten aan hun woning gelegen te … in het algemeen en op de facturen van de BVBA T.nr. … dd. 22.12.2016 en nr. … dd. 20.02.2017 in het bijzonder, zoals opgesomd in de correctieopgave dd. 13.04.2017, het verlaagde BTW-tarief van toepassing is van 6%; en mitsdien,
- eerste geïntimeerde te veroordelen om aan concluanten terug te betalen de reeds ingehouden bedragen van € 4.585,42 en € 5.233,81 meer de compensatoire intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 19.04.2018 tot op 31.05.2018 op een bedrag van € 4.585,42, meer de gerechtelijke intresten aan de wettelijk intrestvoet vanaf 01.06.2018 tot op datum van algehele betaling; en meer de compensatoire intresten aan de wettelijk intrestvoet vanaf 18.07.2019 tot en met 10.09.2019 op een bedrag van € 4.585,42, meer de gerechtelijke intresten aan de wettelijk intrestvoet vanaf 11.09.2018 tot op datum van algehele betaling;
- de tegenvordering van eerste geïntimeerde ongegrond te verklaren,
- minstens alvorens recht te doen de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof en/of het Hof van Justitie:
"Schendt artikel 56 van de programmawet (I) dd. 27.12.2006, zoals gewijzigd bij artikel 132 van de programmawet dd. 27.04.2007, tot wijziging van rubriek XXXVII, tweede lid 2° van tabel A van de bijlage van het KB nr. 20 dd. 20.07.1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in samenlezing met artikel 23, 3° en 4 ° van de Grondwet, in die zin dat het verlaagde BTW-tarief van 6% voor afbraak en heropbouw van een woning enkel van toepassing is voor zover de woning gelegen is in één van de "grote steden" opgesomd in de koninklijke besluiten van 12 augustus 2000 26 september 2001 en 28 april 2005 ter uitvoering van artikel 3 van de wet van 17 juli 2000 tot bepaling van de voorwaarden waaronder de plaatselijke overheden een financiële bijstand kunnen genieten van de Staat in het kader van het stedelijk beleid (en niet elders in het Rijk) nu voor dit onderscheid/deze uitzondering in de parlementaire voorbereiding geen redelijke verantwoording wordt gegeven en dit onderscheid zodoende op een willekeurige wijze is tot stand gekomen, zekerlijk nu blijkt dat ook bepaalde riante gemeenten (en dus geen grote steden) van deze uitzondering genieten terwijl andere steden, zoals de stad D. niet en nu blijkt dat ongeacht de vraag of een woning al dan niet verkrot/leegstaand is en ongeacht de aard van de woning (grote dan wel bescheiden woning) een verlaagd BTW-tarief wordt toegekend in deze "grote steden", terwijl dit wordt uitgesloten voor dezelfde woningen elders in het rijk?"
"Moet punt 10 van bijlage Ill van de richtlijn 2003/112/EG, samen gelezen met de artikelen 3.3, 6 van het Unieverdrag en de artikelen 20, 21 en 37 van het Handvest van de Grondrechten, aldus worden uitgelegd dat deze bepaling eraan in de weg staat dat een lidstaat een verlaagd BTW-tarief voor de afbraak en heropbouw van woningen enkel voorbehoudt voor woningen die zich in limitatief- opgesomde steden en gemeenten bevinden, waarbij er geen onderscheid wordt gemaakt naar gelang de aard/leeftijd van de woning, het inkomen of de leeftijd van de bewoners, of op grand van enig ander criterium dat ertoe zou leiden dat diegene die in het bijzonder moeilijkheden hebben om aan hun woonvereisten te voldoen, worden begunstigd; dan wel aldus dient te worden uitgelegd dat deze bepaling er niet aan in te weg staat tegen een verlaagd BTW-tarief voor de heropbouw van een oude en ais leegstaand geïnventariseerd woning die een jong gezin wenst uit te voeren om deze woning te laten beantwoorden aan de hedendaagse woonkwaliteitsvereisten en vereisten inzake rationeel energieverbruik, ongeacht de gemeente waarin deze woning gelegen is?"
"Moet punt 10bis van bijlage Ill van de richtlijn 2003/112/EG, samen gelezen met de artikelen 3.3, 6 van het Unieverdrag en de artikelen 20, 21 en 37 van het Handvest van de Grondrechten in die zin worden uitgelegd dat ook gedeeltelijke afbraakwerken aan een particulieren woning, het herstel van buitenmuren, verdiepingsvloer en het dak (met behoud van de voorgevel, rechter zijgevel en deel van de linker zijgevel en vervanging van een houten verdiepingsvloer door een betonroostering en nieuw dak) teneinde de woning te /aten beantwoorden aan de hedendaagse woonkwaliteitsvereisten en vereisten inzake rationeel energieverbruik, nog steeds als "renovatie en herstel" dienen te worden beschouwd, onderworpen aan het verlaagd BTW-tarief"?
- ondergeschikt, de vordering van eerste geïntimeerde tot betaling van de administratieve geldboete t.b. v. € 1.030 ongegrond te verklaren, minstens volledig met uitstel op te leggen, dan wel minstens te herleiden tot een bedrag van € 503,43;
- eerste geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding, in hoofde van concluanten begroot op de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding t.b.v. € 1.440 per aanleg.
- nevengeschikt, de oorspronkelijke vordering van concluanten in gemeen- en tegenstelbaar verklaring lastens tweede geïntimeerde ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens het bestreden vonnis te bevestigen;
Onder voorbehoud van alle rechten en zonder enige nadelige erkenning of verzaking van om het even welke rechten.
3.2 De vordering van de eerste geïntimeerde (de Belgische Staat)
De eerste geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:
Het hoger beroep van appellanten ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren
Het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge van 29 oktober 2018 te bevestigen en de oorspronkelijke vorderingen af te wijzen ais ongegrond;
Appellanten te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen, in graad van hoger beroep begroot op 1320,00 EUR rechtsplegingsvergoeding.
Gezien eerste geïntimeerde, de Belgische Staat in eerste aanleg zonder advocaat optrad, kan hij in graad van eerste aanleg geen recht laten gelden op een rechtsplegingsvergoeding.
De vordering van de tweede geïntimeerde (D. 1. a.)
De tweede geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:
Akte te nemen van het incidenteel hoger beroep uitgaande van concluante en deze ontvankelijk en gegrond te verklaren;
En dienvolgens:
De vordering van appellanten (oorspronkelijke eiseres) tot gemeen- en tegenstelbaarverklaring onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren (zowel in eerste aanleg ais in beroep);
Appellanten te veroordelen tot de kosten van het geding, langs zijde van concluante begroot op een basis rechtsplegingsvergoeding voor niet in geld waardeerbare vorderingen ad. 1.440,00 EUR.
Ondergeschikt - in zoverre het incidenteel hoger beroep van concluante wordt afgewezen:
Het hoger beroep van appellanten ontvankelijk en gegrond te verklaren;
En dienvolgens:
te zeggen voor recht dat de werken uitgevoerd door appellanten aan hun woning, gelegen te … in het algemeen (en op de facturen van B. V.B.A. T.nr. … dd. 22.12.20106 en nr. … dd. 20.02.2017, zoals opgesomd in de correctieopgave dd. 13.04.2017} een BTW-tarief van toepassing is van 6%.
Onder alle voorbehoud en zonder enige nadelige erkenning,
4 De betwistingen en hun beoordeling
4.1 Met betrekking tot het toepasselijk btw-tarief
Het voorwerp van het geschil ten gronde tussen de partijen betreft de vraag of de in opdracht van de appellanten uitgevoerde werken in onroerende staat de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van de woning tot voorwerp hebben (en dus onderworpen werden aan het tarief van 6%) dan wel betrekking hebben op een nieuwbouw (en dus al dan niet terecht door de administratie onderworpen werden aan het tarief van 21%). Over de overige voorwaarden voor toepassing van het verlaagde tarief van 6% op grand van artikel 1 KB/BTW nr. 20, zoals opgenomen in ta bel A, rubriek XXXVIII, §1 van de bijlage bij KB/BTW nr. 20, is geen discussie.
De vraag of de bouwwerken ais een omvorming (standpunt appellanten) of ais een nieuwbouw (standpunt eerste geïntimeerde) kwalificeren in de zin van voormelde wetsbepalingen, is een feitenkwestie die geval per geval moet worden onderzocht. De belasting steunt zich op de werkelijkheid. De termen die voorkomen op de bouwvergunning zijn terzake niet dienend.
De wetgever heeft geen definitie gegeven aan het begrip werken of handelingen met ais voorwerp "de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud (... ) geheel of ten dele van een woning", zoals omschreven in rubriek XXXVIII, tabel A van het KB/BTW nr. 20. Deze begrippen dienen te worden begrepen in hun normale betekenis, wat inhoudt dat dergelijke werken niet tot gevolg mogen hebben dat zij in feite gelijkstaan met een nieuwbouw. De heropbouw van een gebouw na afbraak, zelfs indien de funderingen en de kelder van het oude gebouw of andere bijkomstige elementen van de structuur (zoals de voorgevel) worden behouden, wordt ais een nieuwbouw beschouwd. Wanneer de wezenlijke elementen van de bestaande structuur van het gebouw worden behouden, worden de werken ais omvorming of renovatie in de zin van rubriek XXXVIII, tabel A van het KB nr. 20 beschouwd.
Onder de hierboven genoemde begrippen worden normaal niet begrepen werken of handelingen die tot 'uitbreiding' leiden. Overeenkomstig rubriek XXXVIII, §3, 1 van het KB nr. 20 wordt met de bedoelde werken onder andere 'het verbouwen' beoogd. Dat geeft op zich geen andere dimensie aan de genoemde begrippen, vermits het uitgangspunt steeds is dat niet van 'nul' vertrokken wordt, met name doordat er al een bestaande woning is. Zelfs wanneer redelijkerwijze met enige marge rekening moet worden gehouden, dan blijkt dat de mate waarin de circulaire nr. 6/1986 toelaat om onder 'omvorming' ook de vergroting door toevoeging van nieuwe vertrekken en de uitbreiding van bestaande vertrekken te verstaan, een administratieve toegeving op de wettekst is. Dat is zeker het geval waar de administratie besliste om maximaal een verdubbeling van de oppervlakte toe te staan. Hoewel het oppervlaktecriterium niet in de wet is ingeschreven, is de omvang van het nieuwe gedeelte een relevant feitelijk element bij de beoordeling. Het oppervlaktecriterium is gebaseerd op een administratief standpunt dat de uitbreiding van een bestaand gebouw kan worden aangemerkt ais een omvorming van dat gebouw “” wanneer de oppervlakte van het oude gedeelte groter is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning na de uitvoering van de werken".
Alhoewel circulaires geen bindende kracht hebben doch rekening houdend met het rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel, neemt het hof aan dat de appellanten, zoals elke andere belastingplichtige, recht hebben op de toepassing van het verlaagd btw-tarief van 6% wanneer hun renovatie in die zin beperkt blijft dat de oppervlakte van het oude gedeelte nog betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte en het nieuwe gedeelte het oude gedeelte aanvult.
Het door de appellanten bekritiseerde oppervlaktecriterium, wegens niet voorzien in de wet, kan worden aanzien ais een administratieve toegeving dat wel degelijk een relevant, doch niet noodzakelijk doorslaggevend criterium vormt en een concrete beoordelingsruimte toelaat in het voordeel van de belastingplichtige in vergelijking met de strengere wet. Het is niet onredelijk vanwege de administratie om die toegeving aldus toe te passen in die zin dat "de uitbreiding van een bestaand gebouw kan worden aangemerkt ais een omvorming (of verbouwing) van dat gebouw voor zover de oppervlakte van het oude gedeelte betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte" (btw-revue nr. 110 van september 1994). Het is ook een logische en zeer redelijke redenering dat er kan worden van uit gegaan dat dit het geval is wanneer de oppervlakte van het oude gedeelte groter is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning of het woningcomplex na de uitvoering van de werken. Opdat de uitbreidingswerken aan het begrip "omvormen" zouden beantwoorden, is het een correcte interpretatie dat de bestaande woning de hoofdzaak blijft en de uitbreiding ondergeschikt is aan en slechts plaatsgrijpt in functie van de omvorming van de oude woning. De door het KB nr. 20 gehanteerde begrippen "omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele" veronderstellen zoals gezegd een ingrijpen dat niet zover gaat dat met de werken in wezen tot nieuwbouw werd overgegaan. Het hof ziet geen reden om het KB nr. 20 buiten toepassing te laten.
De appellanten nemen ten onrechte ais uitgangspunt aan dat het afgebroken oude gedeelte dat heropgebouwd werd, in rekening genomen moet worden bij het oude gedeelte. Met het gedeelte dat quasi volledig werd afgebroken en opnieuw werd heropgebouwd kan bij de toepassing van het oppervlaktecriterium geen rekening worden gehouden. Zoniet zou een afgebroken gebouw dat vervangen wordt door een nieuwbouw kwalificeren ais een omvorming/verbouwing zolang binnen de bestaande oppervlaktes wordt gebouwd. Dit is niet de bedoeling van de wetgever, die het enkel heeft over "omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud (... ) geheel of ten dele van een woning", wat inhoudt dat dergelijke werken niet tot gevolg mogen hebben dat zij in feite gelijkstaan met een nieuwbouw. Het was geenszins de bedoeling van de wetgever om enkel rekening te houden met de netto- bijkomende oppervlakte buiten de contouren van de oude dragende muren, zoals de appellanten het stellen. De appellanten gaan er ten onrechte van uit dat er van een nieuwbouw enkel sprake kan zijn in geval van 'uitbreiding' ten opzichte van de oorspronkelijke toestand. lets bestaands moet verbouwd worden om beschouwd te worden ais bestaands. Ais iets bestaands afgebroken wordt en op dezelfde plaats opnieuw wordt opgebouwd, is het nieuw.
De woning in hoevestijl dateert van 1616. De woning werd verruimd in 1824 en laatst verfraaid in 1972. De ouderdom van de woning in hoevestijl en de foto's samen met de erkenning daarover door de appellanten wijzen op de erbarmelijke bestaande toestand ervan (voor de verbouwing). De foto's en de plannen over de oude bestaande toestand van de woning tonen aan dat die bestond uit een kelder; op het gelijkvloers een inkom, een bureau, een berging, een keuken, een living, een badkamer en een slaapkamer; op de verdieping een zolder, een badkamer en twee slaapkamers. Na de werken bestaat de woning uit een kelder; op het gelijkvloers een inkom, een bureau, een zithoek een eetruimte, een keuken, een berging, een badkamer en een slaapkamer; op de verdieping een badkamer en drie slaapkamers. De zitruimte, de eethoek, de keuken en een kelder onder de keuken werden bijgebouwd. De woning heeft een volledig nieuw dak en de indeling is volledig gewijzigd. Op het gelijkvloers werd de bestaande living badkamer en slaapkamer omgevormd tot een berging, een badkamer en een slaapkamer. Overal zijn er nieuw binnenmuren. De voorgevel tot 2,42 m en een zijgevel werden behouden. De zijgevel aan de kant van het bureau werd voor een deel behouden. De achtergevel werd behouden tot 1,41 m. Achteraan werd een nieuwe keuken gebouwd op de plaats van de oude keuken zonder het behoud van de oude muren. De bestaande ruimte werd uitgebreid met een eetruimte en de zithoek. De draagvloer van de verdieping werd volledig afgebroken en vervangen met nieuwe gewelven en een nieuw dak. De oude houten roosteringen werden afgebroken en vervangen door een betonstructuur.
Anders dan de appellanten aanvoeren, dient onder het behouden gedeelte van de oude woning verstaan te worden het gedeelte dat gebleven is en niet het gedeelte dat eerst werd afgebroken en waar daarna op dezelfde plaats opnieuw gebouwd wordt. Ook indien een buitenmuur volledig werd vervangen door een glaspartij, is de muur niet behouden en betreft de glaspartij een nieuwe structuur waarboven een nieuwe draagbalk is gekomen.
De berekeningen van de appellanten kunnen niet gevolgd worden. De totale oppervlakte na uitvoering van de werken bedraagt 354,90 m2 terwijl de oppervlakte van het behouden gedeelte (bureau, inkom, berging, badkamer en slaapkamer op het gelijkvloers) slechts 174,38 m2 bedraagt. Zelfs indien rekening gehouden wordt met de oppervlakte van de behouden losstaande garage (43,34 m2 ) , bedraagt de oppervlakte van het oude gedeelte minder dan de helft van de oppervlakte van de woning met de garage na uitvoering van de werken.
Sarnen met de eerste rechter stelt het hof vast dat het behouden oude gedeelte niet betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte dat de zitruimte, de eethoek, de keuken, een badkamer en drie slaapkamers omvat en functioneel belangrijker is. Er werd een volledig nieuw gedeelte gebouwd dat in omvang groter is dan wat behouden werd. De oppervlakte van het behouden gedeelte bedraagt beduidend minder dan de helft van de totale oppervlakte van de woning na de uitvoering van de werken. Het geheel van de voormelde elementen samen doen besluiten dat de werken van die aard zijn dat het behouden gedeelte nog slechts een bijzaak is.
Het hof geeft een andere lezing aan het verslag van de stabiliteitsingenieur. Hieruit blijkt dat de bestaande draagmuren en funderingen niet wezenlijk in staat waren de nieuwe werken te dragen. De vloerplaat werd volledig vernieuwd, net zoals de houtenroostering van de eerste verdieping volledig werd vervangen door een betonnen constructie. De fundering werd wel behouden maar volstond geenszins. De fundering diende substantieel te worden verstevigd door middel van een funderingsplaat. De appellanten erkennen dat meer werd gesloopt dan volgens de plannen nodig was. De beoordeling of de werken aan het tarief van 6 of 21% onderworpen zijn, wordt niet bepaald door de plannen op zich maar door de feitelijke appreciatie van de werkelijk uitgevoerde werken. Zelfs al was gepland om de bouwwerken wezenlijk te laten steunen op de bestaande fundering en draagmuren, is het niet uitgesloten dat de werken kwalificeren ais een nieuwbouw omdat in werkelijkheid de dragende structuren te zwak waren en substantieel dienden vernieuwd te worden. De appellanten erkennen dat tijdens de werken werd vastgesteld dat de muren dermate vetuus waren dat ze moesten worden afgebroken, dat het dak volledig rot was en moest worden vervangen en dat doordat de bouwput voor de bouw van een nieuwe kelder te groot was, de achtergevel in oude staat niet kon worden behouden. Dat die vaststelling door de appellanten beschouwd wordt ais een situatie van overmacht is niet relevant voor de objectief feitelijke beoordeling van de uitgevoerde werken en het toepasselijk btw- tarief. Op basis van de plannen en de wijze van de uitvoering blijkt dat de nieuwe toestand niet wezenlijk gesteund is op nog oude werkelijk behouden fundering en draagmuren. Deze analyse samen met de overweging dat het nieuwe gedeelte functioneel belangrijker is en de oppervlakte van het behouden gedeelte nog klein is ten aanzien van de totale oppervlakte, volgt het oordeel dat de administratie terecht toepassing maakte van het btw-tarief voor nieuwbouwwerken betreffende van 21%.
Wat betreft de ingeroepen schending van het gelijkheidsbeginsel stelt het hof vast dat het de voorgestelde vraag niet dient te stellen aan het Grondwettelijk Hof. Wanneer het Grondwettelijk Hof reeds uitspraak heeft gedaan op een vraag of een beroep met een identiek onderwerp (artikel 26, § 2, lid 2, 2° , en artikel 28, lid 1 van de Bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof) of wanneer de wet het gelijkheidsbeginsel klaarblijkelijk niet schendt (artikel 26, § 2, lid 3, van de Bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof) is de rechter niet gehouden een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. Het Grondwettelijk Hof heeft in zijn arrest met nummer 159/2008 van 20 november 2008 reeds geoordeeld dat, hoewel de parlementaire voorbereiding de reden niet vermeldt voor de uitbreiding van het verlaagde tarief tot het ganse grondgebied van de grote steden, er redelijkerwijze kan worden aangenomen dat het probleem van leegstand en verkrotting, zelfs indien ook de andere steden en gemeenten ermee te kampen hebben, in de grote steden een andere dimensie vertoont en een krachtdadiger aanpak vereist. Het behoort tot de beoordelingsvrijheid van de wetgever om die aanpak, teneinde zijn doelstelling inzake stedelijk beleid te kunnen verwezenlijken, door middel van een verlaagd btw-tarief gestalte te geven, alsook het toepassingsgebied van dat tarief tot bepaalde stadsgebieden te beperken, dan wel tot het ganse grondgebied van de grote steden uit te breiden.
Ook wat betreft de opgelegde boete van 10% of € 1.030 volgt het hot de oordeelkundige overwegingen van de eerste rechter, namelijk dat deze boete beantwoordt aan een juiste toepassing van de betreffende wettelijke en reglementaire bepalingen op de vast gestelde feiten. De boete bevindt zich in een evenredige verhouding met de aard, de ernst en de omvang van de overtreding. Er zijn geen redenen om de belastingverhoging te verminderen of kwijt te schelden.
Het bestreden vonnis dient te worden bevestigd, ook wat betreft het verschuldigd bedrag van de btw en de boete. Dat inmiddels een deel van de navordering aangezuiverd werd door middel van inhoudingen van teruggaven van inkomstenbelastingen, betreft een modaliteit van uitvoering en doet geen afbreuk aan de rechtmatigheid van de aanspraken van de administratie, die het hof hiermee bevestigd.
4.2 De vordering in gemeenverklaring
De tweede geïntimeerde tekent incidenteel hoger beroep aan tegen de door de eerste rechter besloten tegenstelbaarheid en gemeenverklaring van het vonnis ten aanzien van de tweede geïntimeerde.
De tweede geïntimeerde verzet zich tegen die beslissing met de argumentatie dat met de appellanten nooit enige overeenkomst gesloten is met betrekking tot het btw-tarief. Dit is ook helemaal niet wat de eerste rechter geoordeeld heeft.
De tweede geïntimeerde voert een thans volstrekt onnodig debat over een eventuele vordering in aansprakelijkheid of een vrijwaring, hetgeen in deze procedure door de appellanten niet wordt gevorderd of aangevoerd. De vordering tot gemeen- en bindendverklaring van een te wijzen rechterlijke beslissing heeft geen agressief maar een bewarend karakter. De tweede geïntimeerde concludeert naast de kwestie.
Zoals de eerste rechter enkel correct heeft vastgesteld wordt niet betwist dat de appellanten een architectenovereenkomst hebben afgesloten met de tweede geïntimeerde wat betreft de werken aan de voornoemde woning. De tweede geïntimeerde voerde ook een opdracht van toezicht uit op deze werken. ln het kader van de vordering in gemeenverklaring van de beslissing ten aanzien van de tweede geïntimeerde stelde de eerste rechter correct vast dat er onmiskenbaar een verband voorhanden is tussen enerzijds het huidige geschil over het btw-tarief op basis van de feitelijk uitgevoerde werken, en anderzijds de rechtsverhouding tussen de appellanten en de tweede geïntimeerde. In die omstandigheden hebben de appellanten er belang bij het arrest tegenstelbaar te laten verklaren aan het architectbureau. Er zijn geen redenen om het arrest niet ten aanzien van de tweede geïntimeerde gemeen en tegenstelbaar te verklaren.
5 De gerechtskosten
De appellanten worden in het ongelijk gesteld en moeten daarom de gerechtskosten van het hoger beroep dragen.
De vordering in gemeenverklaring is geen agressieve vordering die een veroordeling beoogt en kan geen aanleiding geven tot een rechtsplegingsvergoeding.
Voor de vaststelling van die rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger.W., uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moet, bij gebrek aan redenen tot afwijking ervan, het basisbedrag gehanteerd worden.
Vermits de waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger.W. zich in de schijf van 10.000,01 tot 20.000,00 euro bevindt, is het basisbedrag van 1.320,00 euro toepasselijk.
BESLISSING VAN HET HOF
Het hof doet recht op tegenspraak;
Het hof beslist als volgt:
• het hoger beroep is ontvankelijk maar ongegrond;
• het incidenteel hoger beroep is ontvankelijk maar ongegrond;
• het bestreden vonnis wordt bevestigd.
• veroordeelt de appellanten tot het betalen van de gerechtskosten van het hoger beroep, vastgesteld als volgt:
- aan de kant van de appellanten (maar te hunnen laste blijvend):
• bijdrage begrotingsfonds hoger beroep: 40,00 EUR
- aan de kant van de (eerste) geïntimeerde:
• rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 1.320,00 EUR
Aldus gewezen en uitgesproken in de openbare terechtzitting van het hot van beroep te Gent, VIJFDE KAMER, recht doende in fiscale zaken, op 6 oktober 2020.
Vonnis van de rechtbank van eerst aanleg
Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie burgerlijke rechtbank, Tiende Kamer
Vonnis van 29.10.2018
Rol: 17/2379/A
Hoofdzaak;
1. de heer P. V., advocaat en
2. mevrouw M. K.
wettelijk samenwonend te …
EISENDE PARTIJEN,
voor wie optreedt Meester S. T., advocaat te … tegen:
DE BELGISCHE STAAT, F.O.D. FINANCIËN, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, in de persoon van de Minister van Financiën, van wie de kantoren gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat nr. 12, handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal van het Centrum KMO te Brugge, met kantoor te 8000 Brugge, G. Vincke-Dujardinstraat 4
VERWERENDE PARTIJ,
voor wie optreedt mevrouw X, attaché bij een fiscaal bestuur
MEDE INZAKE :
D. 1. A. B.V.B.A., met zetel te … en met ondernemingsnummer 082...77
VERWEERSTER OP DAGVAARDING IN GEMEEN- EN TEGENSTELBAARHEIDSVERKLARING,
voor wie optreedt meester C. P., advocaat te …
I. RECHTSPLEGING
Gelet op de het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 23 augustus 2017.
Gelet op de dagvaarding in gemeen- en tegenstelbaarverklaring d.d. 2 augustus 2018.
De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen neergelegde stukken.
Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 1 oktober 2018.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
Il. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
1. Eisers zijn niet-belastingplichtige particulieren en zijn eigenaar van een onroerend goed gelegen te … (verouderde hoeve met grand). Op 22 maart 2016 verkrijgen eisers een bouwvergunning tot het verbouwen en uitbreiden van een eengezinswoning. Op de uitgevoerde werken wordt het BTW-tarief van 6% toegepast (2 voorschotfacturen).
Teneinde het BTW-tarief op de uitgevoerde werken vast te stellen wordt een controle uitgevoerd door ambtenaren van het BTW-controlekantoor te Brugge. Volgens de administratie is het tarief van 21 % van toepassing op de uitgevoerde werken i.p.v. het tarief van 6 %. Een correctieopgave wordt opgemaakt (verschuldigde BTW 10.322,66 EUR, verminderde proportionele boete 1.030,0 EUR). Eisers gaan niet akkoord met de correctieopgave.
Door eisers wordt een fiscaal verzoekschrift neergelegd ter griffie d.d. 23 augustus 2017.
Op 2 augustus 2018 gaan eisers over tot dagvaarding van de BVBA D. 1. A. in gemeen- en tegenstelbaarverklaring.
2. Eisers vragen wat betreft de hoofdvordering dat:
- de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;
- de bestreden beslissing wordt vernietigd en voor recht wordt gezegd dat op de werken uitgevoerd aan de woning gelegen te … het BTW-tarief van 6 % van toepassing is;
- verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling aan eisers van het reeds ingehouden bedrag van 4.585,42 EUR te vermeerderen met de compensatoire en de gerechtelijke intresten;
- de tegenvordering van verweerder ongegrond wordt verklaard;
- ondergeschikt de vordering tot betaling van de geldboete en de intresten ongegrond wordt verklaard, minstens wordt herleid;
- verweerder wordt veroordeeld tot alle kosten van het geding, met inbegrip van de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 1.440,00 EUR.
Eisers vragen wat betreft de vordering tot gemeen- en tegenstelbaarverklaring dat:
- de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;
- het tussen te komen vonnis gemeen- en tegenstelbaar wordt verklaard aan de BVBA D. 1. A. .
3. Verweerder op hoofdeis vraagt dat:
- het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof wordt afgewezen;
- de vordering ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard;
- eisers worden veroordeeld tot betaling aan verweerder van 10.322,66 EUR ais BTW en 1.030,00 EUR ais verminderde proportionele boete.
4. Verweerster in gemeen- en tegenstelbaarverklaring vraagt dat de vordering in gemeen- en tegenstelbaarverklaring ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard en eisers worden veroordeeld tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 1.440 EUR.
Ill. BEOORDELING
A. Betreffende de ontvankelijkheid
Verweerder op hoofdeis en verweerster in gemeen- en tegenstelbaarverklaring voeren geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eisen kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, zijn de eisen toelaatbaar.
B. Betreffende de grond
1. verbouwing of nieuwbouw
Eisers stellen dat de uitgevoerde werken handelingen betreffen die de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of onderhoud betreffen van een woning, zodat de werken onderworpen zijn aan het verlaagde BTW- tarief van 6 %. Uitbreidingswerken kunnen genieten van het verlaagd BTW-tarief van 6 %. Er is geen sprake van nieuwbouw. Volgens verweerder betreft het geen verbouwing maar een nieuwbouw. Na uitvoering van de werken zijn 65,07 % van de buitengevels nieuw. De voorwaarden om het tarief van 6% te genieten zijn niet vervuld.
Sinds 1 augustus 1986 zijn sommige werken in onroerende staat, onder bepaalde voorwaarden, bij toepassing van rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het KB nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, onderworpen aan het verlaagde BTW-tarief van 6%. De toepassing van dit verlaagde tarief is beperkt tot de handelingen die de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van de woning tot voorwerp hebben.
Krachtens §1,1° van rubriek XXXI van tabel A zijn het werk in onroerende staat en de daarmee gelijkgestelde handelingen die het bouwen van een nieuw gebouw tot voorwerp hebben impliciet uitgesloten van het voordeel van het tarief A.
In de administratieve aanschrijving nr. 6 van 22 augustus 1986 wordt de toepassing van het verlaagd tarief in de onroerende sector toegelicht. In voormelde aanschrijving staat te lezen dat onder 'omvorming' wordt verstaan de verbouwing zowel aan de buitenkant ais aan de binnenkant van het gebouw of de vergroting door toevoeging van nieuwe vertrekken of uitbreiding van bestaande vertrekken. Volgens voormelde aanschrijving wordt het bestaan van een verbouwing niet bekritiseerd wanneer de renovatiewerken op een relevante wijze steunen op oude dragende muren en, meer algemeen, op de wezenlijke elementen van de structuur van het gebouw. Het herbouwen van een gebouw na afbraak, zelfs in geval van behoud der funderingen en kelders van het oude gebouw of van bijkomende elementen van zijn structuur, wordt daarentegen aangemerkt ais bouwwerkzaamheden die bijdragen tot de oprichting van een nieuw gebouw. Nog volgens voormelde aanschrijving dient wat betreft het oude gedeelte de oppervlakte te worden weerhouden van het effectief overblijvend gedeelte, na aftrek van de afgebroken ruimten die soms herbouwd worden.
In de BTW-revue nr.110 van september 1994 wordt verder verduidelijkt in welk geval een vergroting al dan niet kan worden aangemerkt ais een omvorming in de zin van rubriek XXXI van de bijlage A van het KB nr. 20. De uitbreiding van een bestaand gebouw kan namelijk worden aangemerkt ais een omvorming (of verbouwing) van dat gebouw voor zover de oppervlakte van het oude gedeelte betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte. Er kan worden van uitgegaan dat dit het geval is wanneer de oppervlakte van het oude gedeelte groter is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning of het woningcomplex na de uitvoering van de werken. Bovendien is vereist dat het nieuwe gedeelte niet onafhankelijk van het oude gedeelte kan functioneren maar het oude gedeelte aanvult en er dus inzake aanwending van het gebouw een geheel mee vormt. Daarentegen is niet vereist dat het nieuwe gedeelte zich onder hetzelfde dak bevindt ais het oude gedeelte.
Het is duidelijk dat voormelde aanschrijving en mededeling geen andere bedoeling en draagwijdte hebben dan de bestaande wetgeving en reglementering in herinnering te brengen en/of toe te lichten, en daaraan eventueel aanbevelingen vast te knopen. Zij hebben met andere woorden niet de bedoeling de erin vervatte interpretaties of richtlijnen verplichtend te stellen, aan wie dan ook. Volgens een vaste rechtspraak van de Raad van State en van het Hof van Cassatie hebben dergelijke interpretatieve aanschrijvingen geen bindend karakter.
De wettekst is evenwel veel beperkter dan de administratieve invulling in de circulaire nr. 6/1986 waarop de controleambtenaar zich gebaseerd heeft. Ook indien men een brede uitlegging geeft aan de wettekst, is de mate waarin de circulaire nr. 6/1986 toelaat om onder omvorming ook de vergroting door toevoeging van nieuwe vertrekken en de uitbreiding van bestaande vertrekken te verstaan (randnummer 30) een administratieve toegeving op de wettekst. In de BTW-revue nr. 110 van september 1994 wordt nog verder gegaan door de verdubbeling van de oppervlakte toe te staan.
Evenwel kan de rechtbank een dergelijke administratieve toegeving op de wettekst niet negeren, wil zij voor alle rechtsonderhorigen die in dezelfde omstandigheden zijn, een gelijke behandeling garanderen. Het onderscheid tussen werken, die ais een omvorming kunnen worden aangemerkt en dus het tarief A kunnen genieten, en de werken, die bijdragen tot de oprichting van een nieuwbouw en dus uitgesloten blijven van de toepassing van het tarief A, is een feitenkwestie die geval per geval moet beoordeeld worden (Vr. en Antw., Kamer, 1992-93, nr.70, 6703 - Vr. nr. 585 GEHLEN, b.t.w.-rev., nr. 107, 106 nr. 3).
Eisers geven toe dat het oude gebouw in erbarmelijke staat was, wat ook blijkt uit foto's in het dossier. Uit het plannen en de stukken in het dossier blijkt dat de oorspronkelijk woning bestond uit een kelder; op het gelijkvloers een inkom, een bureau, een berging, een keuken, een living, een badkamer en een slaapkamer; op de verdieping een zolder, een badkamer en twee slaapkamers. Na de werken bestaat de woning uit een kelder; op het gelijkvloers een inkom, een bureau, een zithoek, een eetruimte, een keuken, een berging, een badkamer en een slaapkamer; op de verdieping een badkamer en 3 slaapkamers. Bijgebouwd werd: de zitruimte, de eethoek, de keuken en een kelder onder de keuken. De woning heeft een volledig nieuw dak en de indeling is volledig gewijzigd (op het gelijkvloers wordt de oorspronkelijke living, badkamer en slaapkamer omgevormd tot een berging, een badkamer en een slaapkamer). Overal zijn er nieuw binnenmuren. De voorgevel werd behouden tot 2,42 m en een zijgevel (kant slaapkamer) werd eveneens behouden, waardoor het vooraanzicht min of meer behouden bleef. Een andere zijgevel (kant bureau) werd voor een deel behouden. De achtergevel werd behouden tot 1,41 m en voor het overige afgebroken. Achteraan werd een nieuwe keuken gebouwd (op de plaats van de oude zonder behoud van oude muren) en er werd uitgebreid met een eetruimte en een zithoek. De draagvloer van de verdieping werd volledig afgebroken en vervangen met nieuwe gewelven en een nieuw dak. De oude roosteringen werden afgebroken en vervangen. Onder het behouden gedeelte van de oude woning dient verstaan te worden het gedeelte dat gebleven is en niet het gedeelte dat eerst werd afgebroken en waar daarna op dezelfde plaats opnieuw gebouwd wordt. Dit betekent dat de behouden oude gevels van de woning 28,20 lopende meter bedragen en de gevels in totaal (oud en nieuw) 80,72 lopende meters bedragen. De totale oppervlakte na uitvoering van de werken bedraagt 354,90 m2 ( volgens eisers zelfs 369,85 m2) terwijl de oppervlakte van het behouden gedeelte (bureau, inkom, berging, badkamer en slaapkamer op het gelijkvloers) slechts 114,38 m2 bedraagt. Zelfs rekening houdende met de oppervlakte van de losstaande garage (43,34 m2) die is blijven staan, bedraagt de oppervlakte van het oude gedeelte minder dan de helft van de oppervlakte van de woning met garage na uitvoering van de werken.
De rechtbank stelt vast dat het behouden oude gedeelte niet betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte dat de zitruimte, de eethoek, de keuken, een badkamer en 3 slaapkamers omvat en dus functioneel belangrijker is.
Op basis van de voorliggende stukken staat vast dat er een volledig nieuw gedeelte werd gebouwd dat in omvang groter is dan wat behouden werd. De oppervlakte van het behouden gedeelte bedraagt beduidend minder dan de helft van de totale oppervlakte van de woning na de uitvoering van de werken. Dergelijke aanzienlijke werken zijn van die aard dat het behouden gedeelte nog slechts bijzaak is.
Door het bijbouwen van meerdere vertrekken die functioneel belangrijk zijn en door dat de oppervlakte van het behouden gedeelte nog klein is t.o.v. de totale oppervlakte, staat ontegensprekelijk vast dat dit nieuwbouwwerken betreffende waarvoor het BTW-tarief van 21 % van toepassing is.
Eisers geven toe dat er meer werd gesloopt dan volgens de plannen nodig was. Eisers (en/of architecten en/of aannemers: het is niet aan de rechtbank om hieromtrent te oordelen) konden en moesten voorzien dat een woning die dateert van 1616 (verruimd werd in 1824) en laatst werd verfraaid in 1972 niet meer in goede staat kan verkeren en er mogelijk meer werken moeten uitgevoerd worden dan oorspronkelijk gewild en gepland waren. Volgens eisers werd tijdens de werken vastgesteld dat de muren dermate vetuus waren dat ze moesten worden afgebroken, dat het dak volledig rot was en moest worden vervangen en dat doordat de bouwput voor de bouw van een nieuwe kelder te groot was de achtergevel in oude staat niet kon worden behouden. Eisers hadden dit alles kunnen voorzien.
De rechtbank neemt aan dat eisers oorspronkelijk niet de bedoeling hadden zoveel af te breken en een nieuwe woning (volgens de BTW-wetgeving) te bouwen, maar het is het eindresultaat (rekening houdende met alle elementen) wat telt om te bepalen of het BTW-tarief van 21% of 6 % van toepassing is.
Ten onrechte stellen eisers dat er sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel omdat zij geen toepassing kunnen maken van het verlaagd tarief voorzien in artikel 1quater van het K.B. nr. 20. En rubriek XXXVII van bijlage A.
Enerzijds betrof het werken uitgevoerd tussen 1 januari 2009 en 31 december 2010 en dit ingevolge een stedenbouwkundige vergunning ingediend v66r 1 april 2010 en anderzijds betreft het woningen gelegen in grote steden opgesomd in K.B.'s van 12 augustus 2000, 26 september 2001 en 28 april 2005. Er is geen betwisting dat eisers niet aan deze voorwaarden voldoen.
Het Grondwettelijk Hof heeft reeds geoordeeld (159/2008 d.d. 20 november 2008) dat, hoewel de parlementaire voorbereiding de reden niet vermeldt voor de uitbreiding van het verlaagde tarief tot het ganse grondgebied van de grote steden, er redelijkerwijze kan worden aangenomen dat het probleem van leegstand en verkrotting, zelfs indien ook de andere steden en gemeenten ermee te kampen hebben, in de grote steden een andere dimensie vertoont en een krachtdadiger aanpak vereist. Het behoort tot de beoordelingsvrijheid van de wetgever om die aanpak, teneinde zijn doelstelling inzake stedelijk beleid te kunnen verwezenlijken, door middel van een verlaagd BTW-tarief gestalte te geven, alsook het toepassingsgebied van dat tarief tot bepaalde stadsgebieden te beperken, dan wel tot het ganse grondgebied van de grote steden uit te breiden. De rechtbank is van oordeel dat redelijkerwijze kan aangenomen worden dat in de grote steden die zijn opgenomen in de K.B.'s van 12 augustus 2000, 26 september 2001 en 28 april 2005 het probleem van leegstand en verkrotting een andere dimensie vertoont en een krachtdadiger aanpak vereist ten einde de doelstelling inzake stedelijk beleid te kunnen verwezenlijken, dan in steden of gemeenten die niet zijn opgenomen in de lijst. Er is dan ook kennelijk geen sprake van een schending van het gelijkheidsbeginsel en er dient dan ook geen nieuwe prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te worden gesteId.
2. boete en intresten
Een boete van 1.030 EUR, zijnde 10 % op het verschuldigde BTW-bedrag, heeft een repressief karakter. Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel mochten de rechtbanken het recht ontzegd worden om op de betwiste administratieve beslissing om een dergelijke geldboete op te leggen, een toetsing met voile rechtsmacht uit te oefenen. Een toetsing met voile rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt (Arbitragehof, 24 februari 1999, rolnr. 1279, arrest nr. 22/99).
Dat kan alleen in die zin begrepen worden dat de rechtbank (onder andere) de macht heeft om na te gaan of de concrete administratieve boete al dan niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten waaraan de belastingplichtige zich bezondigd heeft. Een dergelijke toetsing brengt nog niet noodzakelijk met zich dat de rechtbank de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid, zou bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid.
Uit de correctieopgave en de stukken blijkt dat eisers onterecht het tarief van 6 % BTW hebben toegepast op een nieuwbouw. De rechtbank stelt op basis van de vaststellingen en de inbreuk vast dat de door verweerder bepaalde administratieve boete van 1.030 EUR beantwoordt aan een juiste toepassing van de betreffende wettelijke en reglementaire bepalingen op de vast gestelde feiten, ondanks het relatief hoge bedrag ervan berekend in absolute cijfers. Het opleggen van een boete van 1.030 EUR is in deze zaak verantwoord en niet onevenredig met de inbreuk.
De boete heeft niet alleen een vergoedende aard, maar heeft ook een bestraffend en afradend karakter. Eisers betwisten de intresten, maar in de correctieopgave is vermeld dat er geen nalatigheidsintresten verschuldigd zijn. Ook in het kader van de gerechtelijke procedure vordert verweerder geen intresten.
3. tegeneis
Op het moment dat eisers hun verzoekschrift ter griffie hebben neergelegd, beschikte verweerder nog niet over een uitvoerbare titel. Er was enkel een correctieopgave opgemaakt.
Derhalve worden eisers veroordeeld tot betaling aan verweerder van het bedrag van 10.322,66 EUR ais BTW en 1.030,00 EUR ais verminderde proportionele geldboete (artikel 70 §1 en 84, derde lid W.BTW; artikel 1 K. B. nr. 41 van 30 januari 1987, tabel G, IV bij dit besluit).
4. eis in gemeen- en tegenstelbaarverklaring
Niet betwist wordt dat eisers een architectenovereenkomst hebben afgesloten met verweerster in gemeen- en tegenstelbaarverklaring wat betreft de werken uit te voeren aan de woning gelegen te … . Deze overeenkomst wordt niet neergelegd door partijen. De werken werden uitgevoerd onder leiding, toezicht en controle van verweerster in gemeen- en tegenstelbaarverklaring. Er is ook geen betwisting dat er meer werken dienden uitgevoerd te worden dan oorspronkelijk bepaald en dit wegens de slechte toestand van de oude woning.
Er is duidelijk een verband wat betreft huidige betwisting, zijnde de BTW-kwalificatie van de uitgevoerde werken, en de rechtsverhouding tussen eisers en verweerster in gemeen- en tegenstelbaarverklaring. Uit de stukken van eisers blijkt trouwens dat zij geholpen werden door verweerster in gemeen- en tegenstelbaarverklaring wat betreft het opstellen van bewijsstukken (zie stuk 6 van eisers). Verweerster in gemeen- en tegenstelbaarverklaring heeft besluiten neergelegd en haar advocaat is verschenen op de zitting waarop de zaak behandeld werd.
Het vonnis wordt dan ook gemeen- en tegenstelbaar verklaard aan verweerster in gemeen- en tegenstelbaar verklaring.
C. Betreffende de kosten
Gezien eisers in het ongelijk worden gesteld, moeten zij overeenkomstig artikel 1017,1° lid Ger.W. de gerechtskosten dragen.
Verweerder werd niet bijgestaan door een advocaat, zodat hij geen recht heeft op een rechtsplegingsvergoeding.
Wat betreft de eis in gemeen- en tegenstelbaarverklaring vorderen eisers geen gedingkosten.
OM DEZE REDENEN,
De rechtbank,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpende ais niet dienend. Verklaart de hoofdeis toelaatbaar doch ongegrond.
Verklaart de tegeneis toelaatbaar en gegrond.
Veroordeelt eisers (verweerders op tegeneis) tot betaling aan verweerder (eiser op tegeneis} van het bedrag van 10.322,66 EUR als BTW en van het bedrag van 1.030,00 EUR ais verminderde proportionele geldboete zoals opgenomen in de correctieopgave.
Verklaart het vonnis bindend en tegenstelbaar aan verweerster in gemeen- en tegenstelbaarverklaring. Veroordeelt eisers tot de gedingkosten, aan hun zijde niet te begroten aangezien ze hen ten laste blijven, aan de zijde van verweerder (eiser op tegeneis) begroot op 0,00 EUR.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtsgebouw te Brugge, op
negenentwintig oktober tweeduizend en achttien.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Aangehaalde teksten
6Rechtspraak
19België
19Hof van beroep te Gent2024/AR/171823.06.2026
BTW-tarief 6%, Renovatie
Hof van beroep te Bergen2024/RG/26805.06.2026
Renovatie, nieuwbouw, verlaagd tarief in de bouwsector
Hof van beroep te Gent2024/AR/161410.03.2026