Werken in onroerende staat, Verlaagd btw-tarief, Nieuw gebouw · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Gent 6 oktober 2020

Zoeken

Werken in onroerende staat, Verlaagd btw-tarief, Nieuw gebouw

https://juriel.be/nl/rechtspraak/werken-in-onroerende-staat-verlaagd-hof-van-beroep-gent-2020-10-06-4273

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Gent
Datum
6 oktober 2020

Procesverloop

2 stappen · 2 jaar
  1. Weergegeven beslissingHof van beroep te Gent06.10.2020
  2. Beslissing in cassatieHof van Cassatie van België21.10.2022

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

Tekst

123 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 06.10.2020

WF 708-15-17/044252

[Gunstig voor de Belgische staat]

Belasting over de toegevoegde waarde – Werken in onroerende staat – Verlaagd btw-tarief – Nieuw gebouw

Wettelijke bepalingen

Art. 9 WBTW

Art. 1 KB nr. 20 van 20 juli 1970 – rubriek XXXVIII van tabel A van de bijlage bij het KB nr. 20 van 20 juli 1970

Samenvatting

1) Feiten en voorgaande procedure

Er werd aan de eigenaars van een woning in 2016 door de gemeente een bouwvergunning afgeleverd voor het verbouwen en uitbreiden van een eengezinswoning. Op deze uitgevoerde werken werd het verlaagde btw-tarief van 6% toegepast. In 2017 voerde de administratie een controle uit met betrekking tot de uitgevoerde werken. De administratie is van oordeel dat er door de uitgevoerde werken geen sprake meer is van een verbouwing, maar dat het gaat om een nieuwbouw waarbij het btw-tarief van 21% van toepassing is. Op 24 april 2017 werd er aan de eigenaars van de woning hieromtrent een correctieopgave toegezonden.

Ondanks het feit dat de administratie nog geen uitvoerbare titel heeft opgesteld legt eiseres op 23 augustus 2017 een fiscaal verzoekschrift neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge. Op 7 december 2017 werd er door de controlerende ambtenaar een proces-verbaal opgesteld.

De eerste rechter besliste dat de vordering van de tegenpartij ongegrond is. Tegen dit vonnis ging tegenpartij in hoger beroep.

2) Het arrest van het Hof van beroep

* Toepasselijk btw-tarief

Het hof stelt duidelijk dat onder het behouden gedeelte van de oude woning verstaan moet worden het gedeelte dat gebleven is en niet het gedeelte dat eerst werd afgebroken en waar daarna opnieuw op dezelfde plaats gebouwd wordt. Daarnaast is het hof van mening dat in casu het behouden oude gedeelte niet betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte. Het nieuwe gedeelte omvat verschillende ruimtes, is functioneel belangrijker en is ook in omvang groter dan wat behouden werd. Hierdoor is het behouden gedeelte nog slechts een bijzaak.

Het feit dat de bestaande draagmuren en funderingen niet wezenlijk in staat waren om de nieuwe werken te dragen is volgens het hof niet relevant voor de objectieve beoordeling van de uitgevoerde werken en het toepasselijk btw-tarief. Op basis van de plannen en de wijze van uitvoering blijkt dat de nieuwe toestand niet wezenlijk steunt op werkelijk behouden fundering en draagmuren. Op basis van dit gegeven, de vaststelling dat het nieuwe gedeelte functioneel belangrijker is en het feit dat de oppervlakte van het behouden gedeelte nog klein is ten opzichte van de totale oppervlakte blijkt dat het hier gaat om een nieuw gebouw en dat het toepasselijk btw-tarief 21% is.

* Boete

Het hof oordeelt net zoals de eerste rechter dat de opgelegde boete correct werd berekend en opgelegd volgens de wettelijke bepalingen. Daarnaast stelt het hof eveneens vast dat de boete evenredig is met de overtreding.

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 06.10.2020

Rol: 2019/AR/112

In de zaak van:

1. PETITAT Victor, en

2. MAESEN Kaat,

samenwonende te •••• D••••, W••••••••• ••, appellanten, hebbende als raadsman mr. SOETE Thomas, advocaat te 8400 OOSTENDE, Kerkstraat 8 bus 1

tegen

1. BELGISCHE STAAT/FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, ON 0308.357.159,

Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Adviseur-Generaal Centrum KMO te Brugge, met burelen te 8000 BRUGGE, G. Vincke­ Dujardinstraat 4, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. DECORDIER Carmenta, advocaat te 9041 OOSTAKKER, Orchideestraat 61 A

2. D.12A. B.V.B.A., ON 0826...., met maatschappelijke zetel te ..., geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. ..., advocaat te ... wijst het hof het volgend arrest:

1 De procedure voor het hof

Bij verzoekschrift van 21 januari 2019 hebben de appellanten hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, tiende kamer, op 29 oktober 2018 werd uitgesproken in de zaak met rolnummer 17/2379/A.

De zaak was opgeroepen voor de openbare terechtzitting van 8 september 2020. De partijen hebben vooraf bevestigd dat ze akkoord gingen om de zaak schriftelijk te behandelen. De partijen hebben hun stukken neergelegd. Het hof heeft de zaak schriftelijk behandeld. Het blijkt niet dat het bestreden vonnis werd betekend.

Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

2 De relevante feiten en de voorafgaande procedure

De appellanten zijn eigenaar van een onroerend goed gelegen te •••• D••••, W••••••••• ••. Op 22 maart 2016 werd door de stad Damme een bouwvergunning afgeleverd voor het verbouwen en uitbreiden van deze eengezinswoning. Op de uitgevoerde werken werd het verlaagd btw-tarief van 6 % toegepast.

Op 10 februari 2017 voerde de btw-administratie een controle ter plaatse uit aan de woning. Op 13 februari 2017 vroeg de administratie de facturen, bestekken en prijsofferten en plannen op van de vorige en bestaande toestand. Op 23 februari 2017 ontving de administratie van de eerste appellant een e-mail met de melding dat hij nog niet alle informatie had die nodig was maar dat hij deze zo spoedig mogelijk zou overmaken. De plannen werden als bijlage overgemaakt. Op 17 maart 2017 volgde een e-mail van de bouwheer met als bijlagen: een brief van 15 maart 2017, facturen en een prijsofferte van de TBO. bvba en de nv Verhaeghe.

Na onderzoek van de overgemaakte documenten heeft de controleagent aan de appellanten gevraagd om de werf van de woning te mogen bezoeken. Er werd een afspraak gemaakt op 23 maart 2017. De eerste appellant en de aannemer (bvba TBO.) waren aanwezig. Met toestemming van de bouwheer heeft de controleagent ter plaatse foto's genomen van de bouwwerken.

Op 3 april 2017 legde de bouwheer op het btw-controlekantoor de originele plannen voor getekend op 14 oktober 2015 door architectuuratelier Dertien12 bv bvba (tweede geïntimeerde).

Van deze plannen werden op 5 april 2017 kopieën overgemaakt aan de controleambtenaar.

Op 24 april 2017 verstuurde de administratie naar de appellanten per aangetekende brief een correctieopgave. De administratie is van oordeel dat het geen verbouwing maar wel om een nieuwbouw gaat waarbij het btw-tarief van 21 % van toepassing is in

de plaats van het verlaagde btw-tarief van 6%. In de correctieopgave werden (voorlopig) 2 voorschotfacturen inzake ruwbouw gecorrigeerd (d.d. 22 december 2016 en 20 februari 2017 van bvba TBO.). Ingevolge deze correctieopgave zijn appellanten volgens de administratie de volgende bedragen verschuldigd aan de Belgische Staat:

- btw:€ 10.322,66;

- boete op basis van art. 70, §1 W.btw:€ 20.645,32;

- verminderde proportionele geldboete (KB 41, tabel G, IV):€ 1.030,00

Op 26 mei 2017 delen huidige appellanten met een aangetekend schrijven mee dat zij niet akkoord gaan met de navordering van btw zoals vermeld in de correctieopgave. In de brief van 26 juni 2017 verklaart de administratie waarom het standpunt dat werd ingenomen in de correctieopgave behouden blijft.

Met een verzoekschrift van 23 augustus 2017 stelden de appellanten hun vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge.

Op 7 december 2017 heeft de controlerende ambtenaar een proces-verbaal opgesteld met vermelding van een verslag van de feiten en de ingevolge de correctieopgave van 24 april 2017 vastgestelde overtredingen.

In het vonnis van 29 oktober 2018 heeft de tiende kamer van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge als volgt uitspraak gedaan:

Verklaart de hoofdeis toelaatbaar doch ongegrond. Verklaart de tegeneis toelaatbaar en gegrond.

Veroordeelt eisers (verweerders op tegeneis) tot betaling aan verweerder (eiser op tegeneis) van het bedrag van 10.322,66 EUR als BTW en van het bedrag van 1.030,00 EUR als verminderde proportionele geldboete zoals opgenomen in de correctieopgave.

Verklaart het vonnis bindend en tegenstelbaar aan verweerster in gemeen- en tegenstelbaarverklaring.

Veroordeelt eisers tot de gedingkosten, aan hun zijde niet te begroten aangezien ze hen ten Jaste blijven, aan de zijde van verweerder (eiser op tegeneis) begroot op 0,00 EUR.

Het is tegen dat vonnis dat de appellanten hoger beroep hebben ingesteld. De tweede geïntimeerde tekende incidenteel beroep aan.

3 De vorderingen van de partijen

3.1 De vordering_van de appellanten

De appellanten vragen in hoger beroep aan het hof om:

- het hoger beroep van concluanten ontvankelijk en gegrond te verklaren en mitsdien het bestreden vonnis te niet te doen/te hervormen, en zodoende . de oorspronkelijke vordering van concluanten ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens,

- in hoofdorde de bestreden beslissingen te niet te doen en voor recht te zeggen dat op de werken uitgevoerd door concluanten aan hun woning gelegen te •••• D••••, W••••••••• •• in het algemeen en op de facturen van de BVBA TRAD/BO nr. 2016 054 dd. 22.12.2016 en nr. 2016 071 dd. 20.02.2017 in het bijzonder, zoals opgesomd in de correctieopgave dd. 13.04.2017, het verlaagde BTW-tarief van toepassing is van 6%; en mitsdien,

- eerste geïntimeerde te veroordelen om aan conc/uanten terug te betalen de reeds ingehouden bedragen van € 4.585,42 en € 5.233,81 meer de compensatoire intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 19.04.2018 tot op 31.05.2018 op een bedrag van € 4.585,42, meer de gerechtelijke intresten aan de wettelijk intrestvoet vanaf 01.06.2018 tot op datum van algehele betaling; en meer de compensatoire intresten aan de wettelijk intrestvoet vanaf 18.07.2019 tot en met 10.09.2019 op een bedrag van € 4.585,42, meer de gerechtelijke intresten aan de wettelijk intrestvoet vanaf 11.09.2018 tot op datum van algehele betaling;

- de tegenvordering van eerste geïntimeerde ongegrond te verklaren,

- minstens alvorens recht te doen de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof en/of het Hof van Justitie:

"Schendt artikel 56 van de programmawet (I) dd. 27.12.2006, zoals gewijzigd bij artikel 132 van de programmawet dd. 27.04.2007, tot wijziging van rubriek XXXVII, tweede lid 2° van tabel A van de bijlage van het KB nr. 20 dd. 20.07.1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in samenlezing met artikel 23, 3 ° en 4 ° van de Grondwet, in die zin dat het verlaagde BTW-tarief van 6% voor afbraak en heropbouw van een woning enkel van toepassing is voor zover de woning gelegen is in één van de "grote steden" opgesomd in de koninklijke besluiten van 12 augustus 2000 26 september 2001 en 28 april 2005 ter uitvoering van artikel 3 van de wet van 17 juli 2000 tot bepaling van de voorwaarden waaronder de plaatselijke overheden een financiële bijstand kunnen genieten van de Staat in het kader van het stedelijk beleid (en niet elders in het Rijk) nu voor dit onderscheid/deze uitzondering in de parlementaire voorbereiding geen redelijke verantwoording wordt gegeven en dit onderscheid zodoende op een willekeurige wijze is tot stand gekomen, zekerlijk nu blijkt dot ook bepaalde riante gemeenten (en dus geen grote steden) van deze uitzondering genieten terwijl andere steden, zoals de stad DAMME niet en nu blijkt dat ongeacht de vraag of een woning al dan niet verkrot/leegstaand is en ongeacht de aard van de woning (grote dan wel bescheiden woning) een verlaagd BTW-tarief wordt toegekend in deze "grote steden", terwijl dit wordt uitgesloten voor dezelfde woningen elders in het rijk?"

"Moet punt 10 van bijlage lil van de richtlijn 2003/112/EG, samen gelezen met de artikelen 3.3, 6 van het Unieverdrag en de artikelen 20, 21 en 37 van het Handvest van de Grondrechten, aldus worden uitgelegd dat deze bepaling eraan in de weg staat dat een lidstaat een verlaagd BTW-tarief voor de afbraak en heropbouw van woningen enkel voorbehoudt voor woningen die zich in limitatie/­ opgesomde steden en gemeenten bevinden, waarbij er geen onderscheid wordt gemaakt naar gelang de aard/leeftijd van de woning, het inkomen of de leeftijd van de bewoners, of op grond van enig ander criterium dat ertoe zou leiden dat diegene die in het bijzonder moeilijkheden hebben om aan hun woonvereisten te voldoen, worden begunstigd; dan wel aldus dient te worden uitgelegd dat deze bepaling er niet aan in te weg staat tegen een verlaagd BTW-tarief voor de heropbouw van een oude en als leegstaand geïnventariseerd woning die een jong gezin wenst uit te voeren om deze woning te laten beantwoorden aan de hedendaagse woonkwaliteitsvereisten en vereisten inzake rationeel energieverbruik, ongeacht de gemeente waarin deze woning gelegen is?"

"Moet punt 10bis van bijlage lil van de richtlijn 2003/112/EG, samen gelezen met de artikelen 3.3, 6 van het Unieverdrag en de artikelen 20, 21 en 37 van het Handvest van de Grondrechten in die zin worden uitgelegd dat ook gedeeltelijke afbraakwerken aan een particulieren woning, het herstel van buitenmuren, verdiepingsvloer en het dak (met behoud van de voorgevel, rechter zijgevel en deel van de linker zijgevel en vervanging van een houten verdiepingsvloer door een betonroostering en nieuw dak) teneinde de woning te laten beantwoorden aan de hedendaagse woonkwaliteitsvereisten en vereisten inzake rationeel energieverbruik, nog steeds als "renovatie en herstel" dienen te worden beschouwd, onderworpen aan het verlaagd BTW-tarief"?

- ondergeschikt, de vordering van eerste geïntimeerde tot betaling van de administratieve geldboete t.b.v. € 1.030 ongegrond te verklaren, minstens volledig met uitstel op te leggen, dan wel minstens te herleiden tot een bedrag van € 503,43;

- eerste geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding, in hoofde van concluanten begroot op de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding t.b.v. € 1.440 per aanleg.

- nevengeschikt, de oorspronkelijke vordering van concluanten in gemeen- en tegenstelbaar verklaring lastens tweede geïntimeerde ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens het bestreden vonnis te bevestigen;

Onder voorbehoud van alle rechten en zonder enige nadelige erkenning of verzaking van om het even welke rechten.

3.2 De vordering van de eerste geïntimeerde (de Belgische Staat) De eerste geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:

- Het hoger beroep van appellanten ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren

- Het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge van 29 oktober 2018 te bevestigen en de oorspronkelijke vorderingen af te wijzen als ongegrond;

- Appellanten te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen, in graad van hoger beroep begroot op 1320,00 EUR rechtsplegingsvergoeding.

- Gezien eerste geïntimeerde, de Belgische Staat in eerste aanleg zonder advocaat optrad, kan hij in graad van eerste aanleg geen recht laten gelden op een rechtsplegingsvergoeding.

De vordering van de tweede geïntimeerdejdertien 12 architectuurateliet:)J De tweede geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:

Akte te nemen van het incidenteel hoger beroep uitgaande van concluante en deze ontvankelijk en gegrond te verklaren;

En dienvolgens:

De vordering van appellanten (oorspronkelijke eiseres) tot gemeen- en tegenstelbaarverklaring onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren (zowel in eerste aanleg als in beroep);

Appellanten te veroordelen tot de kosten van het geding, langs zijde van concluante begroot op een basis rechtsplegingsvergoeding voor niet in geld waardeerbare vorderingen ad. 1.440,00 EUR.

Ondergeschikt - in zoverre het incidenteel hoger beroep van concluante wordt afgewezen:

Het hoger beroep van appellanten ontvankelijk en gegrond te verklaren;

En dienvolgens

te zeggen voor recht dat de werken uitgevoerd door appellanten aan hun woning, gelegen te ... in het algemeen (en op de facturen van B.V.B.A. TBO. nr. 2016.054 dd. 22.12.20106 en nr. 2016 071 dd. 20.02.2017, zoals opgesomd in de correctieopgave dd. 13.04.2017} een BTW-tarief van toepassing is van 6%.

Onder alle voorbehoud en zonder enige nadelige erkenning,

4 De betwistingen en hun beoordeling

4.1 Met betrekking tot het toepasselijk btw-tarief

Het voorwerp van het geschil ten gronde tussen de partijen betreft de vraag of de in opdracht van de appellanten uitgevoerde werken in onroerende staat de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van de woning tot voorwerp hebben (en dus onderworpen werden aan het tarief van 6%) dan wel betrekking hebben op een nieuwbouw(en dus al dan niet terecht door de administratie onderworpen werden aan het tarief van 21%). Over de overige voorwaarden voor toepassing van het verlaagde tarief van 6% op grond van artikel 1 KB/BTW nr. 20, zoals opgenomen in tabel A, rubriek XXXVIII, §1 van de bijlage bij KB/BTW nr. 20, is geen discussie.

De vraag of de bouwwerken als een omvorming (standpunt appellanten) of als een nieuwbouw (standpunt eerste geïntimeerde) kwalificeren in de zin van voormelde wetsbepalingen, is een feitenkwestie die geval per geval moet worden onderzocht. De belasting steunt zich op de werkelijkheid. De termen die voorkomen op de bouwvergunning zijn terzake niet dienend.

De wetgever heeft geen definitie gegeven aan het begrip werken of handelingen met als voorwerp "de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud(...) geheel of ten dele van een woning", zoals omschreven in rubriek XXXVIII, tabel A van het KB/BTW nr. 20. Deze begrippen dienen te worden begrepen in hun normale betekenis, wat inhoudt dat dergelijke werken niet tot gevolg mogen hebben dat zij in feite gelijkstaan met een nieuwbouw. De heropbouw van een gebouw na afbraak, zelfs indien de funderingen en de kelder van het oude gebouw of andere bijkomstige elementen van de structuur (zoals de voorgevel) worden behouden, wordt als een nieuwbouw beschouwd. Wanneer de wezenlijke elementen van de bestaande structuur van het gebouw worden behouden, worden de werken als omvorming of renovatie in de zin van rubriek XXXVIII, tabel A van het KB nr. 20 beschouwd.

Onder de hierboven genoemde begrippen worden normaal niet begrepen werken of handelingen die tot 'uitbreiding' leiden. Overeenkomstig rubriek XXXVIII, §3, 1 van het KB nr. 20 wordt met de bedoelde werken onder andere 'het verbouwen' beoogd. Dat geeft op zich geen andere dimensie aan de genoemde begrippen, vermits het uitgangspunt steeds is dat niet van 'nul' vertrokken wordt, met name doordat er al een bestaande woning is. Zelfs wanneer redelijkerwijze met enige marge rekening moet worden gehouden, dan blijkt dat de mate waarin de circulaire nr. 6/1986 toelaat om onder 'omvorming' ook de vergroting door toevoeging van nieuwe vertrekken en de uitbreiding van bestaande vertrekken te verstaan, een administratieve toegeving op de wettekst is. Dat is zeker het geval waar de administratie besliste om maximaal een verdubbeling van de oppervlakte toe te staan. Hoewel het oppervlaktecriterium niet in de wet is ingeschreven, is de omvang van het nieuwe gedeelte een relevant feitelijk element bij de beoordeling. Het oppervlaktecriterium is gebaseerd op een administratief standpunt dat de uitbreiding van een bestaand gebouw kan worden aangemerkt als een omvorming van dat gebouw "wanneer de oppervlakte van het oude gedeelte groter is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning na de uitvoering van de werken".

Alhoewel circulaires geen bindende kracht hebben doch rekening houdend met het rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel, neemt het hof aan dat de appellanten, zoals elke andere belastingplichtige, recht hebben op de toepassing van het verlaagd btw-tarief van 6% wanneer hun renovatie in die zin beperkt blijft dat de oppervlakte van het oude gedeelte nog betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte en het nieuwe gedeelte het oude gedeelte aanvult.

Het door de appellanten bekritiseerde oppervlaktecriterium, wegens niet voorzien in de wet, kan worden aanzien als een administratieve toegeving dat wel degelijk een relevant, doch niet noodzakelijk doorslaggevend criterium vormt en een concrete beoordelingsruimte toelaat in het voordeel van de belastingplichtige in vergelijking met de strengere wet. Het is niet onredelijk vanwege de administratie om die toegeving aldus toe te passen in die zin dat "de uitbreiding van een bestaand gebouw kan worden aangemerkt als een omvorming (of verbouwing) van dat gebouw voor zover de oppervlakte van het oude gedeelte betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte" (btw-revue nr. 110 van september 1994). Het is ook een logische en zeer redelijke redenering dat er kan worden van uit gegaan dat dit het geval is wanneer de oppervlakte van het oude gedeelte groter is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning of het woningcomplex na de uitvoering van de werken. Opdat de uitbreidingswerken aan het begrip "omvormen" zouden beantwoorden, is het een correcte interpretatie dat de bestaande woning de hoofdzaak blijft en de uitbreiding ondergeschikt is aan en slechts plaatsgrijpt in functie van de omvorming van de oude woning. De door het KB nr. 20 gehanteerde begrippen "omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele" veronderstellen zoals gezegd een ingrijpen dat niet zover gaat dat met de werken in wezen tot nieuwbouw werd overgegaan. Het hof ziet geen reden om het KB nr. 20 buiten toepassing te laten.

De appellanten nemen ten onrechte als uitgangspunt aan dat het afgebroken oude gedeelte dat heropgebouwd werd, in rekening genomen moet worden bij het oude gedeelte. Met het gedeelte dat quasi volledig werd afgebroken en opnieuw werd heropgebouwd kan bij de toepassing van het oppervlaktecriterium geen rekening worden gehouden. Zoniet zou een afgebroken gebouw dat vervangen wordt door een nieuwbouw kwalificeren als een omvorming/verbouwing zolang binnen de bestaande oppervlaktes wordt gebouwd. Dit is niet de bedoeling van de wetgever, die het enkel heeft over "omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud (...) geheel of ten dele van een woning", wat inhoudt dat dergelijke werken niet tot gevolg mogen hebben dat zij in feite gelijkstaan met een nieuwbouw. Het was geenszins de bedoeling van de wetgever om enkel rekening te houden met de netto­ bijkomende oppervlakte buiten de contouren van de oude dragende muren, zoals de appellanten het stellen. De appellanten gaan er ten onrechte van uit dat er van een nieuwbouw enkel sprake kan zijn in geval van 'uitbreiding' ten opzichte van de oorspronkelijke toestand. Iets bestaands moet verbouwd worden om beschouwd te worden als bestaands. Als iets bestaands afgebroken wordt en op dezelfde plaats opnieuw wordt opgebouwd, is het nieuw.

De woning in hoevestijl dateert van 1616. De woning werd verruimd in 1824 en laatst verfraaid in 1972. De ouderdom van de woning in hoevestijl en de foto's samen met de erkenning daarover door de appellanten wijzen op de erbarmelijke bestaande toestand ervan (vóór de verbouwing). De foto's en de plannen over de oude bestaande toestand van de woning tonen aan dat die bestond uit een kelder; op het gelijkvloers een inkom, een bureau, een berging, een keuken, een living, een badkamer en een slaapkamer; op de verdieping een zolder, een badkamer en twee slaapkamers. Na de werken bestaat de woning uit een kelder; op het gelijkvloers een inkom, een bureau, een zithoek een eetruimte, een keuken, een berging, een badkamer en een slaapkamer; op de verdieping een badkamer en drie slaapkamers. De zitruimte, de eethoek, de keuken en een kelder onder de keuken werden bijgebouwd. De woning heeft een volledig nieuw dak en de indeling is volledig gewijzigd. Op het gelijkvloers werd de bestaande living badkamer en slaapkamer omgevormd tot een berging, een badkamer en een slaapkamer. Overal zijn er nieuw binnenmuren. De voorgevel tot 2,42 m en een zijgevel werden behouden. De zijgevel aan de kant van het bureau werd voor een deel behouden. De achtergevel werd behouden tot 1,41 m. Achteraan werd een nieuwe keuken gebouwd op de plaats van de oude keuken zonder het behoud van de oude muren. De bestaande ruimte werd uitgebreid met een eetruimte en de zithoek. De draagvloer van de verdieping werd volledig afgebroken en vervangen met nieuwe gewelven en een nieuw dak. De oude houten roosteringen werden afgebroken en vervangen door een betonstructuur.

Anders dan de appellanten aanvoeren, dient onder het behouden gedeelte van de oude woning verstaan te worden het gedeelte dat gebleven is en niet het gedeelte dat eerst werd afgebroken en waar daarna op dezelfde plaats opnieuw gebouwd wordt. Ook indien een buitenmuur volledig werd vervangen door een glaspartij, is de muur niet behouden en betreft de glaspartij een nieuwe structuur waarboven een nieuwe draagbalk is gekomen.

De berekeningen van de appellanten kunnen niet gevolgd worden. De totale oppervlakte na uitvoering van de werken bedraagt 354,90 m2 terwijl de oppervlakte van het behouden gedeelte (bureau, inkom, berging, badkamer en slaapkamer op het gelijkvloers) slechts 174,38 m2 bedraagt. Zelfs indien rekening gehouden wordt met de oppervlakte van de behouden losstaande garage (43,34 m2 ), bedraagt de oppervlakte van het oude gedeelte minder dan de helft van de oppervlakte van de woning met de garage na uitvoering van de werken.

Samen met de eerste rechter stelt het hof vast dat het behouden oude gedeelte niet betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte dat de zitruimte, de eethoek, de keuken, een badkamer en drie slaapkamers omvat en functioneel belangrijker is. Er werd een volledig nieuw gedeelte gebouwd dat in omvang groter is dan wat behouden werd. De oppervlakte van het behouden gedeelte bedraagt beduidend minder dan de helft van de totale oppervlakte van de woning na de uitvoering van de werken. Het geheel van de voormelde elementen samen doen besluiten dat de werken van die aard zijn dat het behouden gedeelte nog slechts een bijzaak is.

Het hof geeft een andere lezing aan het verslag van de stabiliteitsingenieur. Hieruit blijkt dat de bestaande draagmuren en funderingen niet wezenlijk in staat waren de nieuwe werken te dragen. De vloerplaat werd volledig vernieuwd, net zoals de houtenroostering van de eerste verdieping volledig werd vervangen door een betonnen constructie. De fundering werd wel behouden maar volstond geenszins. De fundering diende substantieel te worden verstevigd door middel van een funderingsplaat. De appellanten erkennen dat meer werd gesloopt dan volgens de plannen nodig was. De beoordeling of de werken aan het tarief van 6 of 21% onderworpen zijn, wordt niet bepaald door de plannen op zich maar door de feitelijke appreciatie van de werkelijk uitgevoerde werken. Zelfs al was gepland om de bouwwerken wezenlijk te laten steunen op de bestaande fundering en draagmuren, is het niet uitgesloten dat de werken kwalificeren als een nieuwbouw omdat in werkelijkheid de dragende structuren te zwak waren en substantieel dienden vernieuwd te worden. De appellanten erkennen dat tijdens de werken werd vastgesteld dat de muren dermate vetuus waren dat ze moesten worden afgebroken, dat het dak volledig rot was en moest worden vervangen en dat doordat de bouwput voor de bouw van een nieuwe kelder te groot was, de achtergevel in oude staat niet kon worden behouden. Dat die vaststelling door de appellanten beschouwd wordt als een situatie van overmacht is niet relevant voor de objectief feitelijke beoordeling van de uitgevoerde werken en het toepasselijk btw­ tarief. Op basis van de plannen en de wijze van de uitvoering blijkt dat de nieuwe toestand niet wezenlijk gesteund is op nog oude werkelijk behouden fundering en draagmuren. Deze analyse samen met de overweging dat het nieuwe gedeelte functioneel belangrijker is en de oppervlakte van het behouden gedeelte nog klein is ten aanzien van de totale oppervlakte, volgt het oordeel dat de administratie terecht toepassing maakte van het btw-tarief voor nieuwbouwwerken betreffende van 21%.

Wat betreft de ingeroepen schending van het gelijkheidsbeginsel stelt het hof vast dat het de voorgestelde vraag niet dient te stellen aan het Grondwettelijk Hof. Wanneer het Grondwettelijk Hof reeds uitspraak heeft gedaan op een vraag of een beroep met een identiek onderwerp (artikel 26, § 2, lid 2, 2°, en artikel 28, lid 1 van de Bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof} of wanneer de wet het gelijkheidsbeginsel klaarblijkelijk niet schendt (artikel 26, § 2, lid 3, van de Bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof} is de rechter niet gehouden een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. Het Grondwettelijk Hof heeft in zijn arrest met nummer 159/2008 van 20 november 2008 reeds geoordeeld dat, hoewel de parlementaire voorbereiding de reden niet vermeldt voor de uitbreiding van het verlaagde tarief tot het ganse grondgebied van de grote steden, er redelijkerwijze kan worden aangenomen dat het probleem van leegstand en verkrotting, zelfs indien ook de andere steden en gemeenten ermee te kampen hebben, in de grote steden een andere dimensie vertoont en een krachtdadiger aanpak vereist. Het behoort tot de beoordelingsvrijheid van de wetgever om die aanpak, teneinde zijn doelstelling inzake stedelijk beleid te kunnen verwezenlijken, door middel van een verlaagd btw-tarief gestalte te geven, alsook het toepassingsgebied van dat tarief tot bepaalde stadsgebieden te beperken, dan wel tot het ganse grondgebied van de grote steden uit te breiden.

Ook wat betreft de opgelegde boete van 10% of€ 1.030 volgt het hof de oordeelkundige overwegingen van de eerste rechter, namelijk dat deze boete beantwoordt aan een juiste toepassing van de betreffende wettelijke en reglementaire bepalingen op de vast gestelde feiten. De boete bevindt zich in een evenredige verhouding met de aard, de ernst en de omvang van de overtreding. Er zijn geen redenen om de belastingverhoging te verminderen of kwijt te schelden.

Het bestreden vonnis dient te worden bevestigd, ook wat betreft het verschuldigd bedrag van de btw en de boete. Dat inmiddels een deel van de navordering aangezuiverd werd door middel van inhoudingen van teruggaven van inkomstenbelastingen, betreft een modaliteit van uitvoering en doet geen afbreuk aan de rechtmatigheid van de aanspraken van de administratie, die het hof hiermee bevestigd.

4.2 De vordering_in_gemeenverklaring

De tweede geïntimeerde tekent incidenteel hoger beroep aan tegen de door de eerste rechter besloten tegenstelbaarheid en gemeenverklaring van het vonnis ten aanzien van de tweede geïntimeerde.

De tweede geïntimeerde verzet zich tegen die beslissing met de argumentatie dat met de appellanten nooit enige overeenkomst gesloten is met betrekking tot het btw-tarief. Dit is ook helemaal niet wat de eerste rechter geoordeeld heeft.

De tweede geïntimeerde voert een thans volstrekt onnodig debat over een eventuele vordering in aansprakelijkheid of een vrijwaring, hetgeen in deze procedure door de appellanten niet wordt gevorderd of aangevoerd. De vordering tot gemeen- en bindendverklaring van een te wijzen rechterlijke beslissing heeft geen agressief maar een bewarend karakter. De tweede geïntimeerde concludeert naast de kwestie.

Zoals de eerste rechter enkel correct heeft vastgesteld wordt niet betwist dat de appellanten een architectenovereenkomst hebben afgesloten met de tweede geïntimeerde wat betreft de werken aan de voornoemde woning. De tweede geïntimeerde voerde ook een opdracht van toezicht uit op deze werken. In het kader van de vordering in gemeenverklaring van de beslissing ten aanzien van de tweede geïntimeerde stelde de eerste rechter correct vast dat er onmiskenbaar een verband voorhanden is tussen enerzijds het huidige geschil over het btw-tarief op basis van de feitelijk uitgevoerde werken, en anderzijds de rechtsverhouding tussen de appellanten en de tweede geïntimeerde. In die omstandigheden hebben de appellanten er belang bij het arrest tegenstelbaar te laten verklaren aan het architectbureau. Er zijn geen redenen om het arrest niet ten aanzien van de tweede geïntimeerde gemeen en tegenstelbaar te verklaren.

5 De gerechtskosten

De appellanten worden in het ongelijk gesteld en moeten daarom de gerechtskosten van het hoger beroep dragen.

De vordering in gemeenverklaring is geen agressieve vordering die een veroordeling beoogt en kan geen aanleiding geven tot een rechtsplegingsvergoeding.

Voor de vaststelling van die rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger.W., uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moet, bij gebrek aan redenen tot afwijking ervan, het basisbedrag gehanteerd worden.

Vermits de waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger.W. zich in de schijf van 10.000,01 tot 20.000,00 euro bevindt, is het basisbedrag van 1.320,00 euro toepasselijk.

Beschikkend gedeelte

BESLISSING VAN HET HOF

Het hof doet recht op tegenspraak; Het hof beslist als volgt:

• het hoger beroep is ontvankelijk maar ongegrond;

• het incidenteel hoger beroep is ontvankelijk maar ongegrond;

• het bestreden vonnis wordt bevestigd.

• veroordeelt de appellanten tot het betalen van de gerechtskosten van het hoger beroep, vastgesteld als volgt:

- aan de kant van de appellanten (maar te hunnen laste blijvend):

• bijdrage begrotingsfonds hoger beroep: 40,00 EUR

- aan de kant van de (eerste) geïntimeerde:

• rechtsplegingsvergoedihg hoger beroep: 1.320,00 EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in de openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, VIJFDE KAMER, recht doende in fiscale zaken, op 6 oktober 2020.

Aanwezig:

Ondertekeningen

De gegevens van een partij die de FOD Financiën leesbaar liet (privéadres) zijn hier door punten vervangen. De tekst is nergens anders gewijzigd.

Aangehaalde teksten

2
KB nr. 20 art. 12 voorkomens
WBTW art. 92 voorkomens

Vergelijkbare beslissingen

8