Recht op aftrek, terbeschikkingstelling van een onroerend goed · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Gent 01/2914/A 31 mei 2016

Zoeken

Recht op aftrek, terbeschikkingstelling van een onroerend goed

https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-terbeschikkingstelling-onroerend-goed-rechtbank-gent-2016-05-31-0961

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Gent
Rolnummer
01/2914/A
Datum
31 mei 2016

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

Tekst

83 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Gent dd. 31.05.2016 (01/2914/A)

WF 710-15-09/041487

(gunstig voor de administratie)

Belasting over de toegevoegde waarde – recht op aftrek - terbeschikkingstelling van een onroerend goed

Wettelijke bepalingen

art. 45 § 1 WBTW

art. 19 § 1 WBTW (versie voor 2006, versie vanaf 2007)

Programmawet van 27 december 2006

Beslissing van 16 juni 2008 (E.T. 114.646)

Samenvatting

De belastingplichtige heeft zijn recht op aftrek volledig uitgeoefend bij de aankoop van een appartement in 1996 en had er toen voor gekozen om het gebouw volledig op te nemen in het bedrijfsvermogen, niettegenstaande het gemengd gebruik (HvJ 8 mei 2003, Seeling, zaak C-269/00, www.cvria.eu).

Over het privégebruik van de belastingplichtige bestaat geen discussie. De rechtbank stelt vast dat de belastingplichtige en de administratie in 2004 akkoord waren om het beroepsmatig gebruik te bepalen op 20% van het geheel. Op basis van processen-verbaal en het plan lijkt dit beroepsgebruik ook aannemelijk voor de latere periode. In haar laatst neergelegde synthesebesluiten bij het tussenvonnis van 26 september 2011 aanvaardt de belastingplichtige trouwens uitdrukkelijk het beroepsgebruik van 20%.

De rechtbank bevestigt de tegenvordering van de administratie om de principes van het Seeling-arrest volledig uit te voeren. De belastingplichtige heeft volgens dit arrest het recht om een onroerend goed dat gemengd wordt gebruikt (zonder betaling van een vergoeding), volledig in haar kosten op te nemen en het recht op aftrek (art. 45 §1 WBTW) ter zake volledig uit te oefenen.

Maar zoals in verschillende arresten (zoals HvJ 13 juli 2013, Medicom, zaak C-210/11, paragraaf 24, www.cvria.eu) verbindt het HvJ hier wel de verplichting van btw te voldoen over de uitgaven die gemaakt zijn voor het privégebruik van het goed.

Hieruit volgt dat de belastingplichtige in het jaar 1996 volledig recht op aftrek van de btw mocht uitoefenen, maar daaropvolgend de volgende correctie diende uit te voeren:

- Voor de jaren 1996 tot en met 2006 is een corrigerende heffing verschuldigd op uitgaven die gemaakt zijn voor het gebruik van het appartement voor andere dan bedrijfsdoeleinden (toepassing van het oude artikel 19, §1 WBTW),

- Vanaf het jaar 2007 dient jaarlijks de oorspronkelijk in aftrek gebrachte btw herzien te worden, gedurende de resterende jaren van de herzieningstermijn van 15 jaar. Inderdaad, door de Programmawet van 27 december 2006 was het niet meer mogelijk het art. 19 § 1 WBTW toe te passen voor de regularisatie van het privégebruik van een onroerend goed.

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent

dd. 31.05.2016

(01/2914/A)

In de zaak van:

BVBA B., met maatschappelijke zetel te …, …, ondernemingsnummer …, met uitbatingszetel te …, …,

EISERES, hebbende als raadsman meester K. G., advocaat te …, …;

Tegen:

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Ontvanger van BTW te Gent 11, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 9050 Gent, Gaston Crommenlaan 6 bus 601,

VERWEERDER vertegenwoordigd door mr. D.R. M., advocaat te …, ….

Beslist de rechtbank als volgt:

I. DE RECHTSPLEGING

De rechtbank hoorde op de openbare terechtzitting van 19 april 2016 partijen in hun argumenten. Vervolgens sloot de rechtbank het debat en nam de zaak in beraad. De rechtbank zag-het dossier van de rechtspleging en de bewijsstukken in, in het bijzonder het tussenvonnis van deze rechtbank en kamer van 26 september 2011.

Op de zitting van 19 april 2016 werd de zaak in haar geheel hernomen.

II. DE VORDERINGEN VAN PARTIJEN

Eiseres verhaalt zich tegen het lastens haar uitgevaardigde dwangbevel, gebaseerd op de bevindingen van een proces-verbaal van 23 april 2001, geviseerd door de gemachtigde ambtenaar op 30 mei 2001 en bij aangetekend schrijven van 12 juni 2001 aan eiseres ter kennis gebracht, strekkende tot de betaling van een bedrag van … euro aan achterstallige BTW, verhoogd met een boete van … euro, meer de intresten.

Eiseres vordert:

- in hoofdorde, het dwangbevel te vernietigen en eiseres te ontlasten van alle daarin uitgesproken veroordelingen en dienvolgens de teruggave te bevelen van alle ten onrechte ingehouden of ingevorderde bedragen, vermeerderd met de interesten vanaf de datum van inhouding of betaling, minstens vanaf het instellen van de vordering;

- in subsidiaire orde, het dwangbevel te vernietigen in de mate dat een hoger bedrag aan BTW gevorderd wordt dan 80% van de in aftrek gebrachte BTW ad … oude Belgische franken, of … oude Belgische franken of … euro, met de evenredig aangepaste boete;

- in uiterst subsidiaire orde, het dwangbevel te vernietigen in de mate dat een hoger bedrag aan BTW gevorderd wordt dan … oude Belgische franken of … euro, met de evenredig aangepaste boete;

- verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, zoals begroot.

De vordering van verweerder, zoals geformuleerd in zijn laatst neergelegde synthesebesluiten na tussenvonnis, strekt ertoe de vordering van eiseres af te wijzen, te stellen voor recht dat alle principes van het arrest Seeling en van het arrest Medicom toegepast dienen te worden, eiseres te veroordelen tot betaling van de hoofdsom aan BTW van … euro, verhoogd met de fiscale geldboete van 10% van de verkeerdelijk in aftrek gebrachte BTW, hetzij afgerond … euro en de nalatigheidsinteresten op grond van artikel 91 WBTW vanaf 1 januari 1997, met veroordeling van eiseres tot alle kosten van het geding, zoals begroot.

III. RELEVANTE FEITEN EN VOORGAANDEN

1. De relevante feiten en de voorgaanden werden samengevat in hoofdstuk 3. (De relevante feiten en het geschil) van het tussenvonnis van deze rechtbank en kamer van 26 september 2011. De rechtbank herneemt deze samenvatting, bevestigt deze integraal en maakt deze tot de hare.

2. Bij tussenvonnis van deze rechtbank en kamer van 26 september 2011 werden de debatten ambtshalve heropend teneinde partijen toe te laten standpunt in te nemen omtrent bepaalde door de rechtbank in het tussenvonnis gestelde vragen en hiertoe desgevallend de nodige bijkomende stavingsstukken te vergaren.

IV. BESPREKING

1. Eiseres stelt dat ze recht heeft op de volledige aftrek van de BTW betaald op het ogenblik van de aankoop van het appartement in 1996. Zij verwijst hiervoor naar de beslissing en overwegingen van het Hof van Justitie in zijn arrest van 8 mei 2003 in de zaak Wolfgang Seeling en naar het arrest Medicom van 18 juli 2013.

De Belgische Staat is akkoord met de toepassing van de Seeling-doctrine in onderhavige zaak, doch stelt dat alle principes vervat in het arrest Seeling moeten worden toegepast, met inbegrip van de nodige regularisaties om rekening te houden met het privé-gebruik van het investeringsgoed.

2. Tussen partijen bestaat er geen betwisting omtrent het, minstens gedeeltelijk, gebruik van het appartement ten behoeve van de economische activiteit van eiseres. De administratieve zetel van eiseres was op het adres van dit appartement gevestigd.

Bij tussenvonnis van deze rechtbank en kamer van 26 september 2011 werd geoordeeld dat het appartement minstens deels was bestemd om voor privédoeleinden te worden gebruikt.

Eiseres heeft ervoor gekozen om het kwestieuze appartement volledig op te nemen in haar bedrijfsvermogen, niettegenstaande het gemengd gebruik (dit is, voor zowel bedrijfs- als privé-doeleinden). Op grond van artikel 45, §1 WBTW is er dan ook in principe een volledig en onmiddellijk recht op aftrek van de BTW die verschuldigd was bij de verkrijging van dit investeringsgoed (zie ook HvJ 8 mei 2003, Seeling, zaak C-269/00, www.curia.eu).

Na tussenvonnis van deze rechtbank en kamer van 26 september 2011 verklaarde verweerder zich hiermee akkoord.

3. De vraag stelt zich vervolgens of eiseres recht heeft op de aftrek van de voorbelasting, in de mate dat het appartement wordt gebruikt door derden.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres gerechtigd was om de voorbelasting volledig en onmiddellijk in aftrek te nemen. Er liggen geen elementen voor op basis waarvan de rechtbank zou kunnen oordelen dat het privé-gebruik van het appartement in de periode vóór 28 april 2004 zou kunnen worden gelijkgesteld met een van BTW vrijgestelde onroerende verhuur. Hetzelfde geldt met betrekking tot het gebruik van het appartement door mevrouw N. V., die sinds 28 april 2004 ingeschreven is op het adres van het appartement. Er ligt geen bewijs voor dat de eigenaar van het onroerend goed aan mevrouw V., de levenspartner van de boekhouder van eiseres, het recht heeft verleend om tegen betaling van huur voor een overeengekomen tijdsduur het goed te gebruiken en andere personen daarvan uit te sluiten. Van enige andere tegenprestatie voor het gebruik van het appartement door mevrouw V. ligt evenmin bewijs voor.

Het gebruik van het appartement, dit is een tot het bedrijf van eiseres behorend goed, voor privédoeleinden of voor andere dan bedrijfsdoeleinden wordt gelijkgesteld met een dienst verricht onder bezwarende titel (artikel 19, §1 WBTW), wat het recht op volledige aftrek van de voorbelasting opent.

4. De rechtbank is van oordeel dat eiseres, overeenkomstig de principes van het Seeling-arrest, het recht heeft om het onroerend goed dat gedeeltelijk voor beroepsdoeleinden en gedeeltelijk voor andere dan beroepsdoeleinden wordt gebruikt, volledig in haar onderneming op te nemen en de over alle vervaardigingskosten van dit goed betaalde voorbelasting af te trekken.

In verschillende arresten (zoals HvJ 13 juli 2013, Medicom, zaak C-210/11, paragraaf 24, www.curia.eu) verbindt het Hof van Justitie daaraan evenwel de verplichting om de BTW te voldoen over de uitgaven die gemaakt zijn voor het privaat of het daarmee gelijkgesteld gebruik van het goed.

Verweerder verzoekt dan ook de rechtbank, bij wijze van tegenvordering, om voor recht te zeggen dat alle principes van het arrest Seeling moeten worden toegepast. In tegenstelling tot wat eiseres beweert, maakt de discussie omtrent de regularisaties, gelet op deze tegenvordering, thans ook deel uit van huidig geschil.

5. In de periode vanaf aankoop van het appartement en eind 2006 werd het privé of daarmee gelijkgestelde gebruik van een onroerend goed voor andere dan beroepsdoeleinden gelijkgesteld met een dienst onder bezwarende titel die op grond van artikel 19, §1 WBTW belastbaar was. De maatstaf van heffing werd gevormd door de voor het gebruik gemaakte uitgaven, maar het Hof van Justitie aanvaardde op 14 september 2006 in het arrest Wollny dat de maatstaf werd bepaald op de aankoop-of oprichtingskosten van het gebouw. De heffing van de BTW op het privaat of daarmee gelijkgesteld gebruik moest beperkt blijven tot de periode die is voorzien voor de herziening van de afgetrokken BTW voor bedrijfsmiddelen, dit is in voorliggend geval 15 jaar.

Met ingang van 7 januari 2007 wijzigde de Programmawet van 27 december 2006 de draagwijdte van artikel 19, §1 WBTW. Vanaf die datum werd enkel het privaat of daarmee gelijkgesteld gebruik van een roerend goed gelijkgesteld met een belastbare dienst. Het privé of daarmee gelijkgesteld gebruik van een onroerend goed was vanaf die datum niet langer een belastbare dienst. Een beslissing van de fiscale administratie van 16 juni 2008 (E.T. 114.646) beschreef de gevolgen van de wetswijziging voor de belastingplichtigen die voordien een beroep hadden gedaan op het arrest Seeling en de terugbetaling hadden gevraagd van de BTW met betrekking tot een gebouw dat ze gedeeltelijk gebruiken voor andere dan beroepsdoeleinden. Vermits de corrigerende belastingheffing op grond van artikel 19, §1 WBTW niet meer mogelijk was, moest de terugbetaling volgens de administratie voortaan gebeuren bij wijze van herziening van de oorspronkelijk in aftrek gebrachte BTW en dat gedurende de nog resterende jaren van de herzieningsperiode. De herziening diende jaarlijks te gebeuren ten belope van 1/15e van de oorspronkelijk afgetrokken BTW.

Hieruit volgt dat eiseres:

- in haar aangifte van het vierde kwartaal van het jaar 1996 volledig het recht van aftrek mocht uitoefenen van de over alle vervaardigingskosten van het appartement betaalde BTW,

- voor de jaren 1996 tot en met 2006 een corrigerende heffing verschuldigd is op de uitgaven dit gemaakt zijn voor het gebruik van het appartement voor andere dan bedrijfsdoeleinden (toepassing van het oude artikel 19, §1 WBTW),

- vanaf het jaar 2007 jaarlijks de oorspronkelijk in aftrek gebrachte BTW dient te herzien, gedurende de resterende jaren van de herzieningstermijn van 15 jaar.

Wat het gedeelte van het appartement betreft dat eiseres aanwendt voor haar aan de BTW onderworpen economische activiteiten, stelt de rechtbank vast dat beide partijen akkoord waren om het beroepsmatig gebruikte gedeelte vanaf 28 april 2004 te bepalen op 20% van het geheel. Op basis van de processen-verbaal van 12 juni 1998, 25 januari 2001 en 23 april 2001 alsook het plan van het appartement (stuk 3 bundel verweerder), is de rechtbank van oordeel dat dit percentage van 20% voor beroepsmatig gebruik van het appartement ook redelijk verantwoord is voor de periode voorafgaand aan 28 april 2004. In haar laatst neergelegde synthesebesluiten voorafgaand aan het tussenvonnis van deze rechtbank en kamer van 26 september 2011 aanvaardt eiseres overigens een bedrijfsmatig gebruik van 20%.

6. De boete en de intresten die verweerder vordert, zijn berekend op grond van de volgens verweerder verkeerdelijk in aftrek gebrachte BTW. Eiseres was echter gerechtigd om dit bedrag in haar aangifte met betrekking tot het vierde kwartaal van 2006 in aftrek te brengen. Verweerder kan uit hoofde hiervan derhalve geen boete opleggen noch intresten vorderen.

7. De gerechtskosten.

Tenzij bijzondere wetten anders bepalen, verwijst ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten, onverminderd de overeenkomst tussen de partijen, die het eventueel bekrachtigt (artikel 1017, lid 1 Ger. W.).

De kosten omvatten onder meer de rechtsplegingsvergoeding (artikel 1018, 6° juncto artikel 1022 Ger. W.). De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij (artikel 1022, lid 1 Ger. W.).

Wanneer de partijen wederzijds lastens elkaar in het ongelijk werden gesteld, kan de rechtbank de kosten omslaan, zo zij dit raadzaam acht (art. 1017, eerste lid Gerechtelijk Wetboek).

Gelet op de bovenstaande beoordeling komt het passend voor te zeggen voor recht dat elk van de partijen de eventuele kosten, gevallen aan de eigen zijde, definitief voor eigen rekening zal dragen, derwijze dat partijen uit dien hoofde aan elkaar niets meer verschuldigd zullen zijn.

BESLISSING VAN DEZE RECHTBANK:

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

RECHT DOENDE OP TEGENSPRAAK.

Met inachtneming van de artikelen 2 en 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

Alle meeromvattende en strijdige conclusies verwerpend als niet terzake dienend.

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond:

Vernietigt het dwangbevel met RCIV nr. …, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 30 mei 2001 en zegt voor recht dat de daarin vermelde bedragen ten titel van BTW, geldboeten en interesten niet verschuldigd zijn.

Beveelt de terugbetaling van alle op grond van voormelde navordering ten onrechte geïnde sommen, vermeerderd met de moratoriumintrest.

Verklaart de tegenvordering van verweerder ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond:

Veroordeelt eiseres tot betaling van de corrigerende heffing op grond van artikel 19, §1 WBTW, zoals van toepassing vóór 7 januari 2007, op de uitgaven gedaan voor het onroerend goed in de mate dat het in de periode van 1996 tot en met 2006 voor andere dan bedrijfsdoeleinden werd aangewend.

Veroordeelt eiseres tot betaling van de herziening van de oorspronkelijk in aftrek gebrachte BTW, in de mate dat het onroerend goed vanaf het jaar 2007 is aangewend voor andere dan bedrijfsdoeleinden en dit gedurende de resterende jaren van de herzieningstermijn van 15 jaar.

Zegt voor recht dat iedere partij zijn eigen kosten draagt.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zesde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent op 31 mei 2016, waar aanwezig waren:

F. C., rechter, voorzitter van deze kamer;

F. P., griffier.

Aangehaalde teksten

5

Vergelijkbare beslissingen

8