Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 08.03.2004
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op acht maart tweeduizend en vier in openbare zitting van de vierde F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :
L. B., enig rechter,
N. D., adjunct-griffier.
In zake : AR Nr. 02/1275/A
NV D., met BTW-nummer BE …, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder het nummer …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, ….
eisende partij,
verschijnende bij meester H. V. O. loco meester F. M., advocaat, kantoorhoudende te …, ….
tegen :
DE BELGISCH E STAAT, in de persoon van de Minister van financiën, Administratie van Invordering – Sector BTW, 1ste BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.
verwerende partij,
verschijnende bij meester A. v. L. d. J., advocaat, kantoorhoudende te …, ….
Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :
- het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder P. G. te … op 26 februari 2002,
- de besluiten van partijen.
Gelet op de wet van 15 juni 193 5 op het gebruik van talen in gerechtszaken.
Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.
Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 9 februari 2004.
Gegevens en voorgaande
Een BTW-ambtenaar heeft ten aanzien van huidig eiseres een controle uitgevoerd over de periode 1 januari 1997 tot en met 30 juni 2000.
Daarover werd uiteindelijk een proces-verbaal opgesteld, met vaststelling dat huidig eiseres een woongelegenheid aan haar zaakvoerder verhuurde, en daaruit afleiding dat huidig eiseres een gemengd belastingplichtige was/is in de zin van artikel 46, § 1 Wetboek BTW, maar dat - gelet op artikel 13, 2° Koninklijk Besluit nr. 3 inzake BTW-huuropbrengsten van onroerend goed buiten het algemeen verhoudingsgetal moe(s)ten worden gehouden ter bepaling van de hoogte van de aftrek van voorbelasting (stuk 1 verweerder).
Zulks had een verwerping van een gedeelte van de door eiseres verrichte aftrek tot gevolg.
Daarnaast kwam het via het proces-verbaal tot verwerping van een klein bedrag aan verrichte aftrek uit oorzaak van toepassing van artikel 45, § 3 2° Wetboek BTW, en tot aanrekening van een relatief klein bedrag uit oorzaak van niet toepassing van verlegging van heffing bij werk in onroerende staat.
Tenslotte werd op het geheel een tot 10 % herleide boete berekend bij toepassing van tabel H van de schaal bepaald bij artikel 1 Koninklijk Besluit nr. 41 inzake BTW; en werd vordering tot betaling van intrest onderbouwd op grond van artikel 91 Wetboek BTW.
Aan dit proces-verbaal van 3 september 2001 is briefwisseling voorafgegaan (stukken 1 tot en met 6 eiseres), waarin de BTW-controle werkte met een correctieopgave met beduidend meer posten dan uiteindelijk weerhouden in het vermelde proces-verbaal.
Op.22 november 2001 vaardigde verweerder een dwangbevel uit (stuk 2 verweerder), dat op 26 november 2001 uitvoerbaar werd verklaard, en waarvan met aangetekende brief van 26 november 2001 kennisgeving werd gedaan aan huidig eiseres.
Namens eiseres werd er in betwisting gedagvaard met exploot van gerechtsdeurwaarder van 26 februari 2002 ter inleiding op 8 maart 2002.
Onderzoek en beoordeling
Er loopt geen betwisting ter zake de toelaatbaarheid van de aldus gestelde vordering, ook niet zo nodig ambtshalve aan te voeren.
Verweerder maakt er in het bijzonder geen punt van dat er aan het inleidend exploot geen afschrift is gehecht van het dwangbevel waarmede de fiscale vordering werd gesteld.
Eiseres vordert hoe dan ook ten onrechte vergoeding voor betaling van 82,00 Euro rolrecht, nu het een fiscale betwisting betreft.
De betwisting bleef ten gronde beperkt tot de verwerping van de aftrek van voorbelasting uit specifieke oorzaak van blijvende onenigheid met betrekking tot de hoedanigheid van eiseres als gemengde belastingplichtige, tot eiseres in conclusie (blz. 11) ook de aftrek op de aankoop van sterke drank motiveerde 'aangezien deze drank werd aangekocht om te worden verstrekt ter uitvoering van een dienstverrichting', en verder ook nog met betrekking tot de heffing ter zake de verlegging van de heffing, dit laatste evenwel zonder de minste onderbouwing.
I. Eiseres stelt in essentie dat de belastingdienst enkel voorafgaand - via oplegging of op vraag - kan overgaan tot toepassing van de 'regel van werkelijk gebruik' van artikel 46, § 2 Wetboek BTW, en dat zij het algemeen verhoudingsgetal van artikel 46, § 1, tot aan de controle, reeds jaren ongestoord toepaste.
Verweerder stelt in essentie dat de 'regel van het werkelijk gebruik' hier uit zichzelf volgt uit loutere toepassing van de bepalingen die ter uitvoering van artikel 46, § 1 zijn genomen in het hogerop reeds vermelde art. 13, 2° KB nr. 3 inzake BTW, dat dan uit die oorzaak artikel 46, § 2 van het Wetboek van toepassing doet worden.
Eiseres kan alvast geen jarenlange ongestoorde toepassing van een bepaald systeem opwerpen als blijkt dat dit systeem tegen de wet indruist (vgl. de studie van V. Scoriels in J.T. 2003, 301 -310).
Door eiseres werd geen onwettigheid opgeworpen van artikel 13 van KB nr. 3 inzake BTW.
In de loop van het geding heeft zij wel doen gelden dat verhuren van onroerende goederen bij wijze van specifieke economische activiteit binnen haar maatschappelijk doel valt (haar stuk 10, en ook de latere akten, stukken 11 en 12), en zij legt het huurcontract voor dat zij afsloot met haar gedelegeerd bestuurder (haar stuk 13, althans een vrije ongetekende kopij daarvan).
Daaruit leidt zij af dat haar gehele activiteit moet worden geacht bedrijfsmatig te zijn, met als gevolg dat artikel 13 van KB nr.3 inzake BTW zonder voorwerp wordt ('terzake niet speelt', blz.10 van conclusie).
Deze stelling druist evenwel in tegen artikel 45 Wetboek BTW, nu onroerende verhuring zelf geen met BTW belaste handeling vormt.
Later in de loop van het geding heeft eiseres toepassing naar voren geschoven van een arrest van het Europese Hof van Justitie van 8 mei 2003, zaak C-269/00 (waarvan zij zowel de tekst als een bespreking in Fiscoloog 906/5-6 voorlegt), dat een betwisting behelsde ter zake een ondernemer die, zonder te huren, een gebouw in zijn eenmansbedrijf als privéwoning betrok.
Zulks betreft aldus een niet gelijke en zelfs niet vergelijkbare toestand, en laat het alsnog het buiten de BTW-sfeer vallen van onroerende verhuring ongemoeid, ook bij lezing van artikel 19, § 3 van het Wetboek BTW.
Eiseres kan dan ook niet worden bijgetreden in haar betwisting van de fiscale vordering ter zake de uit hoofde van toepassing van artikel 13, 2° KB nr. 3 gedane verwerping van aftrek.
II. De betwisting die eiseres voert ter zake het nut van de sterke drank voor het bedrijfsmatige verloop van haar activiteiten, is in strijd met de regel van artikel 45, § 3, 2° Wetboek BTW, nu niet controleerbaar vaststaat dat deze sterke drank bestemd was om te worden verstrekt in de omstandigheden van het tweede zinsdeel van deze wettekst.
De betwisting die eiseres voert ter zake de verlegging van de heffing, wordt door haar met geen enkel motief onderbouwd, en dient van daaruit te worden afgewezen.
Beschikkend gedeelte
OM DIE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Rechtdoende op tegenspraak,
Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.
Verklaart de vordering toelaatbaar, maar ongegrond,
Veroordeelt eiseres tot de kosten, deze aan elke zijde begroot, en door de rechtbank in hoofde van verweerder vereffend op 171,05 EUR bij wijze van geactualiseerde rechtsplegingsvergoeding.
N. D. L. B.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.