Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 23.03.2004
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Hof van beroep te Gent, 5e kamer – terechtzitting van 23-03-2004
Belastingen
(verzet dwangbevel BTW)
Nr. 2002/AR/1873
in de zaak van :
R. Y. C. M. L. CVA, met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Brugge, onder het nummer …,
appellante,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. V. D. S. J. loco mr. S. C., advocaat te …, …
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, sector BTW, in de persoon van de rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te Brugge, met kantoor te 8000 BRUGGE, G. Vincke-Dujardinstraat 4,
geïntimeerde,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. S. L., advocaat te …, …
spreekt het Hof het volgend arrest uit :
1. Bij gerechtsdeurwaardersexploot d.d. 23.2.2001 dagvaardde de appellante de geïntimeerde voor de rechtbank van eerste aanleg te Brugge teneinde uitspraak te horen doen over haar verzet tegen het dwangbevel (RCIV nr. …) uitgevaardigd door D. L. B., e.a. inspecteur a.i. van het BTWontvangkantoor te Brugge op 10.1.2001, en geviseerd en uitvoerbaar verklaard door I. V., e.a. inspecteur a.i. daartoe aangewezen door de gewestelijke directeur van de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Brugge op 12.1.2001.
In dit dwangbevel werd opgenomen als verschuldigd door de appellante aan de Belgische Staat, Administratie van de Belasting over de toegevoegde waarde, Registratie en Domeinen, de som van 737.929 BEF (thans 18.292,78 EUR) aan BTW en 157.828 BEF (thans 3.912,45 EUR) als boete krachtens artikel 70, par. 1 BTW-wetboek, hetzij samen 895.757 BEF (thans 22.205,24 EUR), meer intresten en vervolgingskosten.
De appellante vorderde dat het dwangbevel nietig en zonder gevolg zou worden verklaard, evenals het betekening-bevel van dit dwangbevel, en dat zou gezegd worden voor recht dat de appellante de in het dwangbevel vermelde bedragen, boetes en intresten niet verschuldigd is.
Bij vonnis van 18.6.2002 van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, vierde kamer, werd de vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard, en werd de appellante veroordeeld tot de kosten.
Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 22.8.2002 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vermelde vonnis.
Het blijkt niet dat het bestreden vonnis werd betekend of dat de appellante er in zou hebben berust.
Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.
Het hoger beroep strekt ertoe het bestreden vonnis te vem1et1gen en de oorspronkelijke vordering van de appellante gegrond te verklaren.
De geïntimeerde vordert de bevestiging van het bestreden vonnis.
2. De appellante stelt dat de vordering van de geïntimeerde met betrekking tot de jaren 1993 tot 1995 verjaard is, aanvoerende dat de geïntimeerde zich niet kan beroepen op de afstand van verjaring omdat deze betrekking heeft op iets anders dan de huidige vordering.
Op 30.6.1997 ondertekende L. M., in zijn hoedanigheid van zaakvoerder van de appellante, een akte van verzaking aan de gelopen termijn van verjaring. In deze akte erkent hij :
"
- dat bij een controle lastens de genoemde vennootschap (de appellante), aangevangen op 6 december 1996 voor wat betreft de toepassing van de BTW-wetgeving en reglementering, uiteindelijk werd betwist of de genoemde vennootschap wel kan aangemerkt worden als BTWbelastingplichtige in de zin van het BTW-Wetboek;
- dat lastens genoemde vennootschap (de appellante) door de Administratie van BTW-registratie en domeinen een bedrag werd gevorderd van
Ten onrechte afgetrokken BTW : 1.085.566 F (26.910,48 EUR)
Verminderde proportionele geldboeten : 108.000 F (2.677,25 EUR)
interesten tot 20 maart 1997 : 35.520 F (880,52 EUR)
Totaal : 1.229.086 F (30.468,25 EUR)
- dat hij niet akkoord kan gaan met dit standpunt ingenomen door de BTW-administratie en bijgevolg deze vordering betwist;
- dat tot op heden deze betwisting niet opgelost is;
- dat hij derhalve de administratie van BTW, registratie en domeinen verzoekt haar vordering te willen opschorten totdat er een oplossing voor deze betwistingen verkregen is;
- dat hij met het oog daarop, overeenkomstig artikel 83 van het BTWWetboek, en artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek vrijwillig en uitdrukkelijk verzaakt aan de gelopen termijn van verjaring die tot hiertoe in haar voordeel gelopen heeft betreffende de hierboven gemelde vorderingen;
- dat deze verzaking zowel geldt voor de verschuldigde rechten als voor de verschuldigde boeten zoals bedoeld in artikel 70 van het BTWWetboek en de wettelijke interesten zoals bedoeld in artikel 91 van het BTW-Wetboek."
Deze verzaking moet in verband gebracht worden met de op 6.12.1996 aangevangen controle met betrekking tot de periode 1.4.1992 tot 30.9.1996 die de appellante onderging en die resulteerde in de correctieopgave door de appellante voorgelegd, per brief van 12.3.1997 door de geïntimeerde aan de appellante toegestuurd (bijlage bij stuk 10 van de appellante).
Bij nazicht van deze correctieopgave blijkt de hierin opgenomen vordering van de geïntimeerde identiek te zijn aan deze opgenomen in de akte van verzaking d.d. 30.6.1997, nl. 1.085.566 BEF (thans 26.910,48 EUR) BTW + 108.000 BEF (thans 2.677,25 EUR) proportionele geldboete + 35.520 BEF (thans 880,52 EUR) intrest tot 20.3.1997, zodat met zekerheid kan gesteld worden dat de akte van verzaking betrekking heeft op de in deze correctieopgave opgenomen vordering.
Ten tijde van de akte van verzaking bepaalde artikel 83 tweede lid BTW-wetboek onder meer dat afstand van de verlopen tijd der verjaring ten aanzien van hun gevolgen wordt gelijkgesteld met de in het vorig lid bedoelde stuiting, terwijl het eerste lid van zelfde artikel 83 BTW-wetboek onder meer bepaalde dat de verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij artikel 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.
En van de gevolgen van dergelijke stuiting is dat zij een relatieve werking heeft en zich niet uitstrekt tot andere vorderingen dan die waarvan de verjaring werd gestuit. Te dezen dient derhalve in de eerste plaats te worden onderzocht of de vordering waarvan thans wordt aangevoerd dat zij verjaard is al dan niet dezelfde vordering is als die voorwerp van de akte van verzaking van 30.6.1997. Waar zowel de vordering in de akte van verzaking als de thans door de appellante betwiste vordering uitgaan van de geïntimeerde en gericht zijn tegen de appellante, zal te dezen, om uit te maken of het over dezelfde vorderingen gaat, vooreerst dienen te worden nagegaan of beide vorderingen een zelfde oorzaak en een zelfde voorwerp hebben.
Uit de correctieopgave (p. 5) blijkt hoe de geïntimeerde komt tot het bedrag van 1.085.566 BEF (thans 26.910,48 EUR) aan BTW, hernomen in de akte van verzaking. Zij nodigt de appellante uit om o.m. het volgende te erkennen :
“
Ondergetekende erkent hierbij niet de economische activiteit van verhuurder van zeilboten te hebben uitgeoefend, de verhuringen gebeurden slechts toevallig, heeft slechts betrekking op een jacht en de vennootschap VG.A R. voornoemd is niet in het algemeen gekend als verhuurder van zeilboten. Bijgevolg werd haar het BTW-nummer ten onrechte toegekend en is zij geen BTW-belastingplichtige in de in van het BTW-wetboek.
Overeenkomstig artikel 45 van het BTW-wetboek mogen enkel de belastingplichtigen de belasting in aftrek brengen van de aan hen geleverde goederen of verleende diensten.
Alle tot hiertoe in aftrek gebracht belasting gebeurde in feite ten onrechte.
Boekjaar 1992 (vanaf 1 april 1992) : ten onrechte afgetrokken belasting : 918.716 F
(thans 22.774,37 EUR)
Boekjaar 1993 : ten onrechte afgetrokken belasting : 79.550 F
(thans 1.971,99 EUR)
Boekjaar 1994 : ten onrechte afgetrokken belasting : 44.493 F
(thans 1.102,95 EUR)
Boekjaar 1995 : ten onrechte afgetrokken belasting : 38.306 F
(thans 949,58 EUR)
Boekjaar 1996 (tot 30september 1995):
ten onrechte afgetrokken belasting : 4.501 F
(thans 111,58 EUR)
Totaal : 1.085.566 F
(thans 26.910,48 EUR)"
De aldus omschreven vordering impliceert dat door de appellante tijdens de betrokken jaren welbepaalde belastbare handelingen werden gesteld (die bij de controle zullen gebleken zijn uit de boekhouding van de appellante) en BTW voor deze handelingen verschuldigd is, maar dat zij ten onrechte deze BTW niet aan de geïntimeerde heeft betaald door de aangehaalde aftrekken toe te passen.
Als oorzaak van deze vordering is dan ook te beschouwen het stellen van deze specifieke belastbare handelingen.
De in het bestreden dwangbevel (stuk 3 van de geïntimeerde) opgenomen vordering met betrekking tot de jaren 1993 t/m 1995, overgenomen uit het proces-verbaal d.d. 8.8.2000 (stuk 2 van de geïntimeerde), voor een bedrag van 294.966 BEF (thans 7.312,02 EUR), heeft betrekking op BTW verschuldigd op grond van artikel 19, § 1 BTW-wetboek.
Krachtens deze bepaling wordt met een dienst verricht onder bezwarende titel gelijkgesteld het gebruiken van een tot het bedrijf behorend goed, voor privédoeleinden van de belastingplichtige of van zijn personeel of, meer algemeen voor andere doeleinden dan deze van de economische activiteit van de belastingplichtige, wanneer voor dat goed recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan.
In het licht daarvan werden in het proces-verbaal als belastbare handelingen weerhouden het gebruik van het zeilschip, gedurende dertig dagen tijdens elk van de jaren 1993, 1994 en 1995, voor deelname aan wedstrijdzeilen.
In het proces-verbaal (p. 2) wordt dienaangaande gepreciseerd : "Het met de BTW belastbare gebruik van tot het bedrijf behorende goederen, zoals hiervoor opgesomd, werd niet aangegeven in de ingediende BTW-aangiften en de verschuldigde BTW werd niet voldaan." Anders dan de belastbare handelingen waarop de correctieopgave betrekking had, zijn deze handelingen met betrekking tot het wedstrijdzeilen niet opgenomen in de boekhouding.
De thans betwiste vordering voor de jaren 1993 t/m 1995 heeft derhalve als oorzaak de belastbare handelingen van gebruik van het zeilschip voor deelname aan wedstrijdzeilen, hetzij een andere oorzaak dan de vordering voorwerp van de stuiting door de akte van verzaking van 30.6.1997.
Men komt derhalve noodzakelijkerwijze tot de vaststelling dat de vordering vermeld in de correctieopgave en waarvoor stuiting een andere oorzaak heeft dan de vordering wegens het gebruik voor wedstrijdzeilen, zodat het om twee verschillende vorderingen gaat.
Om zelfde redenen kan ook niet aangenomen worden dat de vordering wegens gebruik voor wedstrijdzeilen virtueel begrepen is in de vordering opgenomen in de correctieopgave.
De akte van verzaking van 30.6.1997 heeft dan ook geen stuitende werking ten aanzien van de thans betwiste vordering wegens gebruik voor wedstrijdzeilen.
In de voor de geïntimeerde meest voordelige veronderstelling begon de verjaring voor de recentste periode van de bedoelde vordering (met betrekking tot 1995) te lopen vanaf 21.01.1996 (de vordering ontstaat - zie artikel 81 eerste lid BTWwetboek - op het ogenblik dat de indieningstermijn van de aangifte waarin de verrichting moest worden opgenomen, d.i. in de voor de geïntimeerde meest voordelige veronderstelling de 20e dag van de eerste maand volgend op 1995 - toepassing van artikel 18 KB nr. 1 van 29.12.1992 - verstreken is), wat inhoudt dat stuitende handelingen na 21.1.2001 geen stuitende werking meer konden hebben. Derhalve zou de beweerde betekening van het dwangbevel bij gerechtsdeurwaardersexploot van 24.1.2001 (exploot dat niet voorligt en enkel vermeld wordt in de inleidende dagvaarding van 23.2.2001) geen stuitende werking kunnen hebben. Enige gegeven waaruit nuttige stuiting zou kunnen worden afgeleid ligt niet voor.
Er moet derhalve worden aangenomen dat de in het dwangbevel opgenomen vordering van de geïntimeerde voor de BTW over de jaren 1993, 1994, 1995 met betrekking tot de belastbare handelingen van wedstrijdzeilen, evenals de erop geënte boeten en intresten, verjaard zijn.
3. De geïntimeerde nam verder aan dat de appellante op 12.10.1996 haar economische activiteit beëindigde maar de zeilboot onder zich hield, zodat volgens de geïntimeerde artikel 12, § 1, 5 BTW-wetboek toe te passen is, dat voorziet dat met een levering onder bezwarende titel wordt gelijkgesteld het onder zich hebben van een goed door de belastingplichtige of zijn rechthebbenden ingeval hij de uitoefening van zijn economische activiteit beëindigt, wanneer voor dat goed of de bestanddelen ervan recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan. Dit standpunt en de eruit voortvloeiende belasting worden door de appellante betwist.
Gebruik makend van de mogelijkheid hem geboden door artikel 5, 7c van de Zesde Richtlijn nr. 77/388/EEG Raad 17 mei 1977 heeft de wetgever het voormeld artikel 12, § 1, 5 in het BTW-wetboek ingevoegd bij artikel 13 van de wet van 28.12.1992 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde en het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten.
Er dient met het oog op de toepassing van het vermeld artikel 12, § 1, 5 BTWwetboek te worden onderzocht of al dan niet een einde werd gesteld aan de economische activiteit van de appellante en meer bepaald of het verhuren van de zeilboot er al dan niet werkelijk op gericht is om duurzaam opbrengsten te verkrijgen (vergelijk met HvJ, C-230/94, d.d. 26.9.1996, www.curia.eu.int ), wat een feitenonderzoek inhoudt.
De geïntimeerde nam aan dat de activiteit werd stopgezet op 12.10.1996, op grond van de vaststelling in het proces-verbaal van 8.8.2000 (stuk 2 van de geïntimeerde) dat sedert 12.10.1996 geen enkele verhuring van de zeilboot meer gebeurde. Er moet aangenomen dat dit feitelijk gegeven correct is, gezien het op zich door de appellante niet wordt betwist. Nazicht van de door de appellante voorgelegde overeenkomsten van verhuring van de zeilboot (stukken 7) leert inderdaad dat de recentste verhuur dateert van 12.10.1996 en de overige verhuren waarvoor een overeenkomst wordt overgelegd van voordien. Niets laat toe aan te nemen dat na het proces-verbaal hierin wijziging zou gekomen zijn.
Er moet dan ook worden aangenomen dat de appellante sedert 12.10.1996 geen economische activiteit van verhuren van de zeilboot meer aan de dag legt, en de geïntimeerde terecht deze stelling heeft ingenomen.
Het staat niet ter betwisting dat de in artikel 12, § 1, 5° BTW-wetboek vermelde aftrek werd toegepast (zie het proces-verbaal, stuk 2 van de geïntimeerde).
De geïntimeerde heeft terecht toepassing gemaakt van artikel 12, § 1, 5° BTWwetboek.
Het overlijden van de echtgenote van de Heer L. M. in 1994, ongeveer twee jaar vóór de stopzetting van de activiteit van de appellante, is hierop zonder invloed.
De ziekte van de Heer L. M. en zijn zoon L. worden te dezen tevergeefs ingeroepen door de appellante. Niet de vermelde personen oefenden de economische activiteit uit, maar wel de appellante, zijnde een andere rechtspersoon. Indien de appellante ten gevolge van de gezondheidstoestand of zelfs de leeftijd) van vermelde L. en L. M. geen verhuringen meer zou hebben gedaan, dan is dit haar goed recht, maar doet dit geen afbreuk aan de vaststelling dat de appellante de vermelde economische activiteit niet meer uitoefent.
De verwijzing door de appellante naar de beslissingen op het bezwaar tegen de aanslagen in de personenbelasting en de aanvullende gemeentebelasting in hoofde van L. M. voor de aanslagjaren 1996 en 1995 is niet dienstig met betrekking tot de vraag of de economische activiteit van de appellante beëindigd werd vanaf 12.10.1996. Dit bezwaar heeft immers betrekking op belastbare tijdperken voorafgaand aan de stopzetting op 12.10.1996 en omtrent dit laatste kon derhalve bij de behandeling van het bezwaar geen standpunt worden ingenomen.
4. Mede in acht genomen hetgeen voorafgaat kon slechts een dwangbevel worden uitgevaardigd voor een bedrag van :
a) BTW : 443.368 BEF (thans 10.990,81 EUR)
b) boete :
Zoals berekend in het proces-verbaal en dwangbevel (overtreding begaan na 31.10.1993, KB nr. 41, tabel G, afdeling 1, cijfer V, 20 %; afronding conform artikel 4, § 1 KB nr. 41) :
88.000 BEF (thans 2.181,46 EUR)
c) de intresten van 0,80 % per maand vertraging te rekenen over de verschuldigde BTW vanaf 21.1.1997; de moratoire intrest over de nog verschuldigde geldboeten die loopt vanaf de betekening/kennisgeving van het dwangbevel, ingevolge artikel 91, § 4 van het BTW-wetboek;
d) de vervolgingskosten.
Beschikkend gedeelte
OP DEZE GRONDEN,
HET HOF,
Recht doende op tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen.
Ontvangt het hoger beroep en verklaart het deels gegrond.
Doet het bestreden vonnis teniet, behoudens waar dit de vordering van de appellante ontvankelijk verklaart, en opnieuw wijzende,
Verklaart deels gegrond het verzet van de appellante tegen het dwangbevel (RCIV nr. …) uitgevaardigd door D. L. B., e.a. inspecteur a.i. van het BTW-ontvangkantoor te Brugge op 10.1.2001, en geviseerd en uitvoerbaar verklaard door I. V., e.a. inspecteur a.i. daartoe aangewezen door de gewestelijke directeur van de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Brugge op 12.1.2001;
Vernietigt dit dwangbevel behoudens voor het vermelde in punt 4 hierboven.
Veroordeelt de appellante tot 2/5 en de geïntimeerde tot 3/5 van de kosten van beide aanleggen, in hun geheel begroot als volgt :
• aan de zijde van de appellante : op 76,45 EUR dagvaarding + 334,66 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + 57,02 EUR uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep + 456,12 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, hetzij in totaal 924,25 EUR;
• aan de zijde van de geïntimeerde : op 334,66 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + 456,12 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, hetzij in totaal 790,78 EUR
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, op DRIEËNTWINTIG MAART TWEEDUIZEND EN VIER.
Aanwezig :
Mevrouw N. v. I., Voorzitter,
De heren A. D. M. en G. T., Raadsheren,
M. V., griffier.
M. V. G. T. A. D. M. N. v. I.
Door de FOD bijgevoegde beslissing
DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUGGE, VIERDE KAMER, HEEFT HET HIERNAVOLGEND VONNIS VERLEEND :
in de zaak AR nr. 01/0735/A :
van
de R. Y. C. M. L. CVA, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Brugge onder nummer …,
eiseres,
vertegenwoordigd door meester C. S., advocaat te … (…)
tegen :
de BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, in de persoon van de rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te 8000 Brugge, G.Vincke Dujardinstraat 4,
verweerder,
vertegenwoordigd door meester L. D. S., advocaat te ….
I. PROCEDURE
De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 21 mei 2002, waarna het debat werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de zaak in beraad.
De rechtbank heeft de artikelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.
De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten :
1. het exploot van verzet tegen het dwangbevel van 24 januari 2001 , met dagvaarding, betekend op 23 februari 2001;
2. de conclusie voor verweerder van 11 april 2001;
3. de conclusie voor eiseres van 12 oktober 2001 en
4. de conclusie voor verweerder van 9 januari 2002.
Daarenboven heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van de partijen ingezien.
II. DE BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
1. De feiten die relevant zijn voor het geschil
Eiseres werd kennelijk opgericht in 1992 en had als enig bedrijfsmiddel een zeiljacht J-35 van Amerikaanse makelij. Bij de BTW-administratie bekwam eiseres een registratie als verhuurster van plezierboten.
Op 6 december 1996 werd een BTW-onderzoek gestart. De BTW-administratie betwistte toen dat eiseres kon aangemerkt worden als BTW-belastingplichtige. Het toenmalig standpunt van de BTW-administratie had voor gevolg dat de BTW op het genoemde zeiljacht (1.085.566 frank of 26.910,48 euro) ten onrechte zou zijn afgetrokken. Eiseres stemde met dat standpunt niet in. Wel tekende de bestuurder van eiseres, de heer L. M. op 30 juni·1997 een 'akte van verzaking aan de gelopen termijn van verjaring met betrekking tot die betwisting, de daarop betrekking hebbende BTW, de geldboeten en de interest tot 20 maart 1997. De verzaking aan de verjaring, was uitdrukkelijk gemotiveerd door de wil van de partijen om een oplossing voor de betwistingen te bekomen (stuk 1 dossier, verweerder).
Op 17 juni 1999 hervatte·de BTW-administratie haar onderzoek. Op het adres van eiseres in … werd niemand aangetroffen. Uiteindelijk kon met de gevolmachtigde van eiseres een afspraak·gemaakt worden op het kantoor van de inspectiedienst.
De inspecteur maakte op 8 augustus 2000 een proces-verbaal op van zijn bevindingen en zijn gevolgtrekkingen. In dat RV aanvaardt hij voor de periode tot 12 oktober 1996 dat eiseres BTW-plichtige was. Er werd afgegaan op de verklaring van gevolmachtigde van eiseres dat de verhuring beperkt was omdat er voornamelijk werd deel genomen aan zeilwedstrijden. De inspecteur noteerde ook dat de gevolmachtigde van eiseres verklaard heeft dat het aantal wedstrijddagen 30 per jaar benaderd.
Het aantal dagen verhuring werd als volgt vastgesteld : 1993 : 12 dagen, 1994 : 8 dagen, 1995, 3 dagen en 1996, 6 dagen.
Voor 1993, 1994 en 1995 werden het aantal dagen activiteit daarom op respectievelijk 42, 38 en 33 bepaald. De afschrijvingen voor die jaren werden vervolgens verhoudingsgewijs tot het aantal wedstrijddagen (telkens 30) als 'onttrokken' diensten in de zin van artikel 19, § 1 W.BTW aangemerkt. Daarop werd BTW gerekend.
Voor de jaren 1993, 1994 en 1995 werd op die manier de niet-voldane en dus nog verschuldigde BTW berekend op 7.312,02 euro (294.966 frank).
Vermits er vanaf 12 oktober 1996 geen enkele verhuring meer plaats vond, stelde de inspecteur dat eiseres haar activiteit had stopgezet in de zin dat ze niet langer als BTW-plichtige kon beschouwd worden. Met toepassing van artikel 12, § 1, 5 W.BTW oordeelde de inspecteur dat de BTW verschuldigd was op de waarde (nl. de aankoopprijs) van het zeiljacht, naar aanleiding van de stopzetting van de BTW-activiteit. Als maatstaf van heffing werd de oorspronkelijke aankoopprijs genomen, verminderd met de gedane afschrijvingen. Aldus werd naar aanleiding van de stopzetting van de BTW-activiteit een bedrag aan BTW verschuldigd verklaard van 10.990,81 euro (443.368 frank).
Bovendien werden geldboeten opgelegd.
Het proces-verbaal van 8 augustus 2000 verklaarde in het totaal voor 18.292,78 euro BTW en voor 3.912,45 euro geldboeten verschuldigd, te vermeerderen met interest op 18.269,75 euro (737.000 frank) vanaf 21 januari 1997.
Op·24 januari·2001·werd aan eiseres een dwangbevel betekend voor diezelfde bedragen.
Met een exploot van verzet-dagvaarding van 23 februari 2001 stelde eiseres haar huidige vordering in.
2. De vorderingen van de partijen
Eiseres vordert dat de rechtbank het proces-verbaal van 8 augustus 2000 en het dwangbevel van 24 januari 2001 nietig en zonder gevolg zou verklaren en zou zeggen voor recht dat eiseres de in het dwangbevel vermelde bedragen, boetes en interesten niet verschuldigd is.
Eiseres vraagt bovendien dat verweerder zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten en dat de rechtbank het vonnis uitvoerbaar zou verklaren bij voorraad, zelfs wanneer een rechtsmiddel zou worden aangewend, zonder dat de uitvoering afhankelijk kan gesteld worden van een borgstelling en met uitsluiting van het kantonnement.
Verweerder vordert dat het verzet en de vordering van eiseres door de rechtbank zouden worden afgewezen als ongegrond en dat eiseres zou verwezen worden In de gerechtskosten.
III. BEOORDELING
1. De ontvankelijkheid van de vordering
Verweerder voert geen redenen aan die tot onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.
2. De grond van de vordering
2.1. Stelling van eiseres
Voor de jaren 1993 tot 1995 roept eiseres in eerste orde de verjaring in. De akte van afstand van verjaring heeft betrekking op iets anders dan het voorwerp van de huidige vordering, zo stelt zij.
In tweede instantie voert eiseres aan dat verweerde niet bewijst dat zij van de zeilboot gebruik maakte buiten haar economische activiteit. Volgens eiseres kan het proces-verbaal van 8 augustus 2000 dat bewijs niet leveren omdat er nauwelijks iets werd vastgesteld. In het bijzonder ontkent eiseres dat haar gevolmachtigde aan de BTW-inspecteur zou verklaard hebben dat er zo'n 30 wedstrijddagen per jaar zijn. Ondergeschikt stelt eiseres dat dat aantal nergens op steunt en louter arbitrair is.
In wezen stelt eiseres dat het proces-verbaal alleen het bewijs levert van het aantal dagen verhuring.
Eiseres benadrukt dat het de gezondheidstoestand van zowel de bestuurder, L. M., als van zijn echtgenote (in 1994 overleden) en van hun zoon L. was die er de oorzaak van waren dat de zeilboot zo weinig verhuurd werd.
Eiseres voert ook aan dat de BTW-administratie zich niet mag inlaten met de wijze waarop het bedrijf van eiseres beheerd wordt. Volgens haar kan de aftrek van BTW niet geweigerd worden omdat van het betreffende bedrijfsgoed minder gebruik gemaakt wordt. Zij beroept zich ook op haar recht om zelf te beslissen dat het haar bestuurder is die de zaak exploiteert, zonder personeel, zonder reclame enz.
Dat de VZW S. Y. C. B., waar de boot gelegen is, geen commerciële activiteiten toelaat, is volgens eiseres niet langer actueel; de statuten zouden zijn aangepast.
Eiseres verwijst ook naar de historiek van het dossier. Bovendien stelt zij dat de Administratie van Directe Belastingen - na bezwaar - akkoord ging om de zeilboot als bedrijfsgoed te beschouwen. De houding van verweerder acht zij daarom in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur.
2.2. Stelling van verweerder
Verweerder beroept zich voor haar bewijsplicht vooreerst op het proces-verbaal van 8 augustus 2000. Daaruit blijkt volgens haar dat eiseres de zeilboot ook gebruikte buiten haar economische activiteit. Voor de gevolgtrekkingen verwijst zij eveneens naar dat proces-verbaal (zie het feitenrelaas hierboven).
Ter ondersteuning van zijn stelling dat er geen economische activiteit meer is en dat het slechts gaat om een constructie voor persoonlijke aanwending, voor de vriendenkring en de eigen relaties van de heer M., beroept verweerder zich op de volgende feiten :
- eiseres beschikt niet over een wezenlijke organisatie { slechts sporadisch iemand aanwezig, geen werk- of ontvangstruimte, geen infrastructuur om ooekhOUdlng te voeren);
- er is geen aanwijzing van commercialisering (geen publiciteit, geen telefoon, geen fax);
- eiseres heeft geen personeel, terwijl de verzekeringspolis slechts in dekking voorziet wanneer zich iemand van eiseres tijdens de chartervaarten op de boot bevindt;
- de voorgelegde contracten (facturen) laten geen prijsstructuren uitschijnen en datum en duur van de vaart zijn niet vermeld;
- in de S. Y. C. B. is het verboden om een commerciële activiteit uit te voeren.
- sedert oktober 1996 is er geen verhuring van de zeilboot meer voorgekomen.
Uit de verklaring van L. M. dat de geringe verhuring in 1994 en 1995 onder andere veroorzaakt werd door de zeer sterkte toename van het werkvolume in zijn bouwbedrijf, leidt verweerder af dat eiseres slechts kan tijd spenderen aan verhuring in functie van de vrije tijd van haar bestuurder. Met betrekking tot het bezwaar bij de taxatiedienst van de Administratie van Directe Belastingen, stelt eiseres dat dit geen repercussies heeft op het vlak van BTW,·dat het weliswaar klopt dat de aanslag in hoofde van de bestuurder voor de aanslagjaren 1994 en 1995 ontheven werd, maar dat verweerder voor het overige geen uitstaans heeft met die ontheffing door haar zusteradministratie.
2.3. Beoordeling
Er moet een onderscheid gemaakt worden tussen de periode 1993 - 1995, enerzijds en de periode vanaf 1996. In die eerste periode heeft verweerder immers - uiteindelijk - wel erkend dat eiseres een economische activiteit uitoefende en dat de zeilboot een bedrijfsgoed was. Voor 1993, 1994 en 1995 berekende de BTW-administratie in het proces-verbaal van 8 augustus 2000 immers de BTW die wegens “onttrekking voor privé-doeleinden” in toepassing van artikel 19, § 1 W.BTW, had moeten zijn aangegeven en betaald. Deze regeling gaat er essentieel van uit dat eiseres een BTW-plichtige was in de periode 1993-1995 en dat de zeilboot een bedrijfsgoed was waarvoor de BTW-aftrek gerechtvaardigd was.
Pas vanaf 1996 wordt de bedrijfsmatige exploitatie betwist.
Het bestreden dwangbevel is volledig gebaseerd op het proces-verbaal van 8 augustus 2000. Zoals blijkt uit het feitenrelaas, zijn de bestreden bedragen bijgevolg ook op te splitsen in de twee onderscheiden periodes (en argumentaties).
2.3.1. Periode 1993-1995 (7.312,02 euro BTW)
2.3.1.1.
Eiseres beroept zich ten onrechte op de verjaring voor die periode. De 'akte van verzaking aan de gelopen termijn van verjaring' die namens eiseres werd ondertekend op 30 juni 1997, slaat immers op de 'oplossing voor deze betwistingen'. Die betwistingen waren niet alleen - zoals eiseres aanvoert - op ten onrechte afgetrokken BTW, maar ook op de principiële vraag of eiseres als BTW-plichtige kon worden aangemerkt. De afstand van de verjaring, werd getekend omdat de betwisting nog niet opgelost was. Dat hield noodzakelijk in dat de beide partijen nog hun visie konden bijsturen zonder dat de BTW-administratie zich zorgen moest maken over de verjaringstermijn. Uiteindelijk heeft de BTW-administratie dan een zekere tegemoetkoming gedaan door voor de betrokken periode het bedrijfsmatig karakter van de exploitatie te erkennen, weze het dat ze tegelijk BTW verschuldigd achtte wegens 'onttrekking’.
Mocht deze 'koerswijziging' niet gedekt zijn door de afstand van verjaring, dan zou dit tot gevolg hebben dat het geen zin meer heeft om de administratie te overtuigen van een gedeeltelijk ongelijk; de administratie zou dan immers nog slechts de keuze hebben tussen ofwel halsstarrig op haar standpunt blijven, ofwel volledig toegeven. Dat zou in strijd zijn met een goede werking van de administratie; niet zelden wordt de afstand van de verjaring aanvaard om te vermijden dat de administratie meteen een dwangbevel betekent, waardoor de partijen op een minder vrije manier tot een discussie komen.
Er is dus geen verjaring ingetreden.
2.3.1.2.
Voor het overige stelt de rechtbank vast dat verweerder zich beroept op de bewijswaarde van het proces-verbaal van 8 augustus 2000, terwijl eiseres nalaat om het bewijs van het tegendeel te leveren op de punten die zij betwist.
Do partijen stellen allebei terecht dat de bewijswaarde van het proces-verbaal van de BTW-inspecteur zich beperkt tot die elementen die hij heeft kunnen vaststellen. Zijn gevolgtrekkingen hebben die bewijswaarde niet en de rechtbanken beoordelen ze in alle vrijheid.
De BTW-vordering voor de betreffende periode is gebaseerd op het feit dat de zeilboot gedurende 30 dagen per jaar voor niet-economische activiteiten (verhuring) wordt gebruikt, met name om deel te nemen aan wedstrijden. Het proces-verbaal stelt in dat verband letterlijk. Volgens de heer D. benadert het aantal wedstrijddagen 30 per jaar. Verweerder erkent in conclusies dat het om een cijfer gaat dat niet met juistheid kan worden vastgesteld en eiseres leidt daaruit af dat de berekening arbitrair zou zijn.
De BTW-inspecteur heeft genoteerd wat de gevolmachtigde van eiseres verklaard heeft. Hij kon zich daarop beroepen. Tot het bewijs van het tegendeel mag de BTW-administratie derhalve aannemen dat er ongeveer 30 dagen per jaar aan wedstrijden werd deelgenomen. Een lager aantal dagen aannemen zou in elk geval arbitrair zijn; het bedrag dat genoemd werd, kon worden overgenomen. Verweerder kan niet volstaan met eenvoudig te beweren dat het bedrag niet correct en/of arbitrair is. Het tegenbewijs dat van eiseres zou moeten komen, zou moeten bestaan uit concrete, tastbare bewijzen ofwel van het exacte aantal dagen dat aan wedstrijden werd deelgenomen, of minstens van feiten die aanwijzen dat er veel minder wedstrijddagen waren. De rechtbank stelt vast dat eiseres zelfs geen ander getal in de plaatst stelt, laat staan dat ze daarvan een bewijs zou aanbrengen.
Voor het overige is er wel degelijk sprake van onttrekking van diensten in de zin van artikel 19, § 1 W.BTW.
Dat de Administratie van Directe Belastingen in Dendermonde akkoord ging om in hoofde van de heer L. M. geen voordelen van alle aard als belastbare bezoldigingen te beschouwen, is daarmee niet noodzakelijk in strijd. Artikel 31, 2de lid, 2 WIB 92 stelt ook als vereiste dat, om belastbare bezoldigingen te zijn, de voordelen van alle aard moeten verkregen worden uit hoofde of naar aanleiding van het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid. Zij moeten trouwens overeenkomstig het eerste lid van artikel 31 WIB 92 een beloning zijn die voor de werknemer de opbrengst is van arbeid. De beroepswerkzaamheid van de heer L. M. was kennelijk in de bouwonderneming BVBA L. M. gesitueerd. Eiseres toont niet aan dat de inwilliging van het bezwaar door de Directeur der directe belastingen gesteund was op de stelling dat er geen sprake was van voordelen, met andere woorden, dat er van het zeiljacht geen gebruik werd gemaakt voor andere doeleinden dan voor verhuring (meer bepaald eigen deelname aan wedstrijden).
De rechtbank aanvaardt de principes en de berekening van verweerder. De vordering van eiseres (en het verzet) zijn wat dat betreft in elk geval ongegrond.
2.3.2. Periode vanaf 1996 (10.990,81 euro BTW)
De rest van de betwiste BTW-bedragen zijn volgens verweerder verschuldigd op grond van artikel 12, § 1, 5 W.BTW. Met name is verweerder van oordeel dat de economische activiteit van eiseres in 1996 werd beëindigd, minstens dat er niet langer een economisch karakter aanwezig is dat volstaat om als BTW-plichtige beschouwd te worden.
Verweerder beroept zich op een aantal feiten die de BTW-inspecteur heeft vastgesteld.
Eiseres betwist daarvan in wezen alleen het feit dat in VZW S. Y. C. B. geen commerciële activiteit zou toegelaten zijn.
Uit de vergelijking van het vorige (overeengekomen in de vergadering van 8 april 1994) met het laatste huishoudelijk reglement van de club, blijkt inderdaad de bepaling die handelsactiviteiten verbood (punt i) van artikel 10) in de laatste versie te zijn geschrapt (stukken 4 tot 6 dossier eiseres).
Die versie ging evenwel slechts in vanaf 5 oktober 1997. Overigens blijkt eiseres zelf geen werkend lid te kunnen zijn van de VZW; enkel natuurlijke personen zijn toegelaten.
Het mag dan kloppen dat de belastingadministratie zich in principe niet mag inlaten met opportuniteitskwestie, in het bijzonder met de wijze waarop een bedrijf haar exploitatie aanpakt. Niettemin is de BTW-administratie verplicht om na te gaan of een BTW-registratie (nog) verantwoord is. Terecht verwijst verweerder naar artikel 4, § 1 W.BTW en artikel 4.1 en 4.2 van de zesde Richtlijn. Concreet brengt dat met zich mee dat de BTW-administratie haar oordeel mag uitspreken over de vraag of iemand die zich als BTW-plichtige registreert 'een economische activiteit’ uitoefent en dat 'geregeld' doet. Als economische activiteit wordt onder andere beschouwd de exploitatie van een lichamelijke of onlichamelijke zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen. Voor eiseres betekent dit dus dat zij, wil ze BTW-plichtige zijn, haar zeilboot geregeld verhuurt om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen. Eiseres kan er in principe voor kiezen om geen reclame te maken, geen uithangbord te hebben, geen ontvangstruimte, zelden iemand op haar maatschappelijke zetel aanwezig te laten zijn, geen prijzen te afficheren, geen telefoon- of faxnummer te hebben en geen personeel te hebben. Wanneer evenwel die keuze tot gevolg heeft dat zij nauwelijks of geen verhuringen doet, dan loopt zij het risico om niet langer te beantwoorden aan de vereiste van 'geregelde' verhuring. Die werkwijze zal ook de duurzame opbrengst niet ten goede komen.
De gezondheidsproblemen van de bestuurder, zijn echtgenote en hun zoon blijken in bepaalde periodes reëel te zijn geweest. Toch kan eiseres zich daarachter niet met succes verschuilen. De vrije opportuniteitsruimte die eiseres heeft, kan immers niet zover gaan dat zij aan de BTW-administratie het recht zou ontnemen om te controleren of eiseres nog langer als BTWplichtige kan beschouwd worden. Wilde eiseres haar bedrijfsmatige, economische exploitatie (met voldoende regelmaat en opbrengt) in stand houden, dan had zij de gezondheidsproblemen van de zaakvoerder (en zijn zoon) kunnen ondervangen. In een normale economische context, is dat de regel.
In de gegeven omstandigheden, waarin niet betwist is dat er sedert oktober 1996 geen enkele verhuring meer plaats vond, en geen oplossing gezocht werd voor het personeelsprobleem, heeft verweerder met reden geoordeeld dat eiseres niet langer 'geregeld' een 'economische activiteit' exploiteerde.
Van dan af kon verweerder artikel 12, § 1 , 5 W.BTW toepassen : het bedrijfsgoed, de zeilboot, had immers bij de aankoop aanleiding gegeven tot aftrek van BTW, terwijl het bedrijfsgoed bleef toebehoren aan eiseres nadat zij de uitoefening van een economische activiteit beëindigd had.
Er is geen schending van de beginselen van behoorlijk bestuur omdat de Administratie van Directe Belastingen het bezwaar van de bestuurder van eiseres ingewilligd heeft. Het blijkt alleen te gaan om de aanslagjaren 1995 en 1996. Die jaren slaan op de inkomsten van 1994 en 1995. De stelling die voor de periode na 1995 is ingenomen door verweerder kan niet in strijd zijn met het standpunt van de Administratie van Directe Belastingen voor de jaren 1994 en 1095. Het bezwaar had overigens geen betrekking op dezelfde discussie.
Ook op dat punt is de vordering van eiseres (en dus het verzet) ongegrond.
3. De gerechtskosten
Eiseres wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het Gerechtelijk Wetboek, moet zij de gerechtskosten dragen.
4. Uitvoerbaarheid bij voorraad
Nu de vordering van eiseres wordt afgewezen, wordt zij geacht niet langer belang te hebben bij een voorlopige tenuitvoerlegging. De rechtbank past in elk geval de regel toe, namelijk dat er geen uitvoerbaarheid is bij voorraad.
IV. UITSPRAAK
De rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en op tegenspraak.
Om alle bovenstaande redenen verklaart de rechtbank de vordering ontvankelijk maar wijst ze af als ongegrond.
De rechtbank verwijst eiseres in de gerechtskosten van deze procedure en stelt die kosten als volgt vast :
aan de zijde van verweerder :
- rechtsplegingsvergoeding 334,66 euro
terwijl de kosten aan de zijde van eiseres niet moeten vastgesteld worden vermits ze door haar zelf moeten gedragen worden.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op achttien juni tweeduizend en twee.
De rechtbank is als volgt samengesteld :
D. V., alleenrechtsprekend rechter;
A. V., griffier.
A. V. D. V.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.