Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van Cassatie dd. 19.06.2014 (F.13.0095.N)
Recht op aftrek - Neutraliteitsbeginsel - Btw-fraude - Fictieve intracommunautaire verwerving
Samenvatting
Het neutraliteitsbeginsel inzake de btw, zoals neergelegd in de artikelen 17, 18 en 22 van de Zesde richtlijn, verzet er zich niet tegen dat in een geval waarin de belastingplichtige heeft deelgenomen aan btw-fraude waarbij een intracommunautaire levering en vervolgens verwerving werden geveinsd daar waar het in werkelijkheid ging om een binnenlandse levering en dit om de voorfinanciering van de btw te ontlopen, aan de belastingplichtige het recht op aftrek van de btw betaald over de fictieve intracommunautaire verwerving wordt ontzegd zonder dat de over dezelfde verwerving afgedragen btw dient te worden terugbetaald, ook al bestaat er geen gevaar voor verlies van belastinginkomsten omdat, na ontdekking van de fraude, de verkoper de btw over de binnenlandse levering heeft voldaan.
Arrest van het Hof van Cassatie dd. 19.06.2014
F.13.0095.N
Volledige tekst
Tekst van de beslissing
Nr. F.13.0095.N
E.,
eiser,
vertegenwoordigd door mr. P. W., advocaat bij het Hof van Cassatie, met …, , waar de eiser woonplaats kiest,
tegen
BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de eerstaanwezend inspecteur van het tweede btw-ontvangkantoor te Hasselt, met kantoor te 3500 Hasselt, Voorstraat 40, bus 47,
verweerder,
vertegenwoordigd door mr. W. v. E., advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor …, waar de verweerder woonplaats kiest.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 16 oktober 2012.
RaadsheerB. W. heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal D. T. heeft geconcludeerd.
II. CASSATIEMIDDEL
De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.
III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
1. De appelrechters oordelen dat de eiser wist, minstens moest weten dat hij aan btw-fraude deelnam en dat hij zich in dat geval niet kan beroepen op enige schending van het neutraliteitsbeginsel.
Aldus verwerpen en beantwoorden zij het verweer van de eiser dat op basis van het neutraliteitsbeginsel het verwerpen van de aftrek van de btw moet gecompen-seerd worden door het rechtzetten van de afdracht ervan.
Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag.
2. In het arrest van 6 juli 2006 in de samengevoegde zaken C-439/04 en C-440/04, Kittel en Recolta Recycling, heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie geoordeeld dat de justitiabelen in geval van fraude of misbruik geen beroep kunnen doen op het gemeenschapsrecht, zodat de belastingadministratie, wanneer zij vaststelt dat het recht op aftrek frauduleus is uitgeoefend, gerechtigd is terug-betaling van de betrokken bedragen te vorderen en het aan de nationale rechter staat het recht op aftrek te weigeren wanneer op grond van objectieve gegevens vaststaat dat dit recht frauduleus wordt ingeroepen. Het Hof van Justitie van de Europese Unie oordeelde verder dat een belastingplichtige die wist of had moeten weten dat hij door zijn aankoop deelnam aan een transactie die onderdeel was van een btw-fraude, voor de toepassing van de Zesde richtlijn moet worden be-schouwd als deelnemer aan deze fraude, ongeacht of hij winst haalt uit de door-verkoop van de goederen. Het Hof overwoog dat een dergelijke uitlegging van ar-tikel 17 van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) frauduleuze handelingen tegengaat doordat zij het moeilijker maakt deze te verwezenlijken.
In het arrest van 27 september 2007 in de zaak C-146/05, Collée, heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie geoordeeld dat bij het onderzoek van het recht op vrijstelling van de btw, de nationale rechter het feit dat de belastingplichtige een intracommunautaire levering aanvankelijk volledig bewust heeft achtergehou-den, slechts in aanmerking moet nemen wanneer er gevaar bestaat voor verlies van belastinginkomsten en de belastingplichtige dit gevaar niet volledig heeft ge-elimineerd. Het Hof van Justitie van de Europese Unie oordeelt vervolgens dat het bovendien aan de nationale rechter staat om na te gaan of het achterhouden van een intracommunautaire handeling al dan niet is verricht in het kader van btw-fraude omdat de justitiabelen in dat geval geen beroep kunnen doen op het ge-meenschapsrecht.
3. Uit deze rechtspraak blijkt duidelijk dat het neutraliteitsbeginsel inzake de btw zoals neergelegd in de artikelen 17, 18 en 22 van de hier toepasselijke Zesde richtlijn, zich niet ertegen verzet dat in een geval waarin de belastingplichtige heeft deelgenomen aan btw-fraude waarbij een intracommunautaire levering en vervolgens verwerving werden geveinsd daar waar het in werkelijkheid ging om een binnenlandse levering en dit om de voorfinanciering van de btw te ontlopen, aan de belastingplichtige het recht op aftrek van de btw betaald over de fictieve intracommunautaire verwerving wordt ontzegd zonder dat de over dezelfde ver-werving afgedragen btw dient te worden terugbetaald, ook al bestaat er geen ge-vaar voor verlies van belastinginkomsten omdat, na ontdekking van de fraude, de verkoper de btw over de binnenlandse levering heeft voldaan.
Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.
Beschikkend gedeelte
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eiser op 220,56 euro en voor de verweerder op 80,47 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit …
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Aangehaalde teksten
5Rechtspraak
1België
1Rechtbank van eerste aanleg te Gent09.09.2025