Plaats van de dienst;verhuur van roerende goederen;vervoermiddelen · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Leuven 29 augustus 2006

Zoeken

Plaats van de dienst;verhuur van roerende goederen;vervoermiddelen

https://juriel.be/nl/rechtspraak/plaats-dienst-verhuur-roerende-goederen-rechtbank-leuven-2006-08-29-0df3

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Leuven
Datum
29 augustus 2006

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
ongunstig voor de Belgische Staat

Tekst

61 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven dd

Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven dd. 29.08.2006, Zaak 04/2603/A

De Fiscale Koerier 2006/689

Plaats van de dienst.

Verhuur van roerende goederen.

Vervoermiddelen.

Samenvatting

Bij verhuur van lichamelijke roerende goederen (art. 21, par. 3, 7°, h WBTW) is de plaats van de dienst de plaats waar de verhuurde zaak wordt gebruikt.Aangezien vervoermiddelen gemakkelijk de grenzen kunnen overschrijden, is het moeilijk, zo niet onmogelijk, te bepalen waar ze worden gebruikt. Daarom staat in de Zesde BTW-Richtlijn dat voor de bepaling van de plaats van de dienst bij de verhuur van vervoermiddelen niet wordt uitgegaan van de plaats waar de verhuurde zaak wordt gebruikt, doch dat (conform de algemene regel) de plaats van de dienst de plaats is waar de dienstverrichter de zetel van zijn bedrijfsuitoefening heeft gevestigd.Een omgebouwde rallywagen kan niet worden gebruikt om zich over de grenzen heen te verplaatsen. Daarom kan een rallywagen niet als een vervoermiddel worden beschouwd.Het feit dat op de facturen die aan de Italiaanse huurder werden afgeleverd de reden van de vrijstelling niet werd vermeld, kan geen reden zijn om de BTW-vrijstelling te weigeren.

Volledige tekst

Tekst van de beslissing

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG LEUVEN.

AFDELING BURGERLIJKE RECHTBANK.

12de kamer.

Vonnis: 29 augustus 2006

Eindvonnis.

De Rechtbank van eerste aanleg te Leuven, twaalfde kamer, spreekt het volgende vonnis uit.

Rolnummer: 04/2603/A

In de zaak van

J., met maatschappelijke zetel te ..., met ondernemingsnummer ..., gekend als BTW-plichtige onder nummer ....

- eiseres, ter zitting vertegenwoordigd door meester V. H., advocaat te ....

tegen:

De BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN,

Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, sector van de BTW.

- verweerder, ter zitting vertegenwoordigd door meester de N. E., advocaat te ....

_________________

In deze zaak, in beraad genomen ter zitting van 2 juni 2006, spreekt de rechtbank volgend vonnis uit.

Gelet op de in regelmatige vorm voorgelegde stukken van de rechtspleging, inzonderheid:

− het verzoekschrift op tegenspraak overeenkomstig artikel 1385decies van het Gerechtelijk Wetboek op 8 december 2004 op de griffie neergelegd door ...

− de conclusie en de aanvullende conclusie op respektievelijk 19 januari 2005 en 9 november 2005 op de griffie neergelegd door de BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, sector van de B.T.W.

− de conclusie op 17 oktober 2005 op de griffie neergelegd door de ...

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzetting van 2 juni 2006, waarna de bundels met stavingsstukken van partijen neergelegd werden en de zaak in beraad genomen werd.

1. - Feiten en procesverloop.

1.1. - ..., hierna genoemd "eiseres", als belastingplichtige geregistreerd voor de activiteit van onderhoud en verhuur van rallywagens, reikte op 30 april 2001 aan ... te ... een factuur ten bedrage van 44.620,83 EUR uit, betreffende de verhuur van een rallywagen voor competitie in België.

Tijdens een B.T.W.-controle werd vastgesteld dat de B.T.W. op de factuur niet werd aangerekend.

De administratie vordert de B.T.W. ten bedrage van 9.370,37 EUR.

De rekenplichtige van het B.T.W.-ontvangkantoor te Tienen vaardigde op 23 augustus 2004 een dwangbevel uit, dat op 25 augustus 2004 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijk directeur van de B.T.W. te Hasselt, en op 27 augustus 2004 aangetekend ter kennis van eiseres werd gebracht.

1.2. - Eiseres stelde op 8 december 2004 een vordering in rechte in. Zij vordert de nietigverklaring van het dwangbevel van 23 augustus 2004 in de mate dat de factuur werd onderworpen aan de Belgische B.T.W., de terugbetaling van alle bedragen die wederrechtelijk op grond van het dwangbevel werden geïnd, de veroordeling van de BELGISCHE STAAT in de kosten.

De BELGISCHE STAAT, hierna genoemd "verweerder", vraagt de vordering af te

wijzen en eiseres in de kosten te veroordelen.

2. - In rechte.

2.1. - Eiseres betwist dat op de factuur Belgische B.T.W. dient te worden aangerekend. Zij meent dat de in het geding zijnde rallywagen niet als een vervoermiddel kan worden beschouwd en bijgevolg valt onder de toepassing van artikel 21, derde paragraaf, 7°, littera h, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, luidens hetwelk de verhuur van lichamelijke roerende goederen andere dan vervoermiddelen, aan een buitenlander wordt geacht te gebeuren waar de ontvanger van de dienst is gevestigd, in deze Italië.

Eiseres betoogt dat het voertuig dat werd omgebouwd en geschikt gemaakt voor races op afgesloten circuits, volledig ongeschikt is om op de openbare weg te worden gebruikt: aanpassingen werden gedaan aan het chassis, de ophanging werd veranderd, de wielbasis werd verbreed, echte racebanden werden gemonteerd op laagprofielvelgen, de motor werd opgefokt, diverse spoilers en vleugels werden gemonteerd.

In repliek op de bemerking van verweerder dat de factuur geen verwijzing naar artikel 21 van het voormeld wetboek bevat, terwijl artikel 5, eerste paragraaf, 10° van het koninklijk besluit nummer 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde de vermelding vereist van de wettelijke bepaling krachtens dewelke de handeling van de B.T.W. is vrijgesteld of krachtens dewelke de B.T.W. niet in rekening wordt gebracht, stelt eiseres dat dit niet wegneemt dat de belasting dient te worden geheven overeenkomstig de wet.

2.2. - Volgens verweerder heeft de wetgever aan het begrip vervoermiddel een veel ruimere betekenis willen geven dan deze die eiseres voorstaat. Verweerder stelt vast dat artikel 21 het begrip niet omschrijft. Verweerder is daarom van oordeel dat in dat geval de algemene betekenis dient te worden genomen, die men leest in het Groot Woordenboek van Dale: algemene naam voor een gestel op wielen of glijvlakken, dat getrokken of geduwd, dient en bepaaldelijk gebouwd is voor het brengen (voeren) van goederen of personen van de ene plaats naar de andere.

Verweerder merkt voorts op dat artikel 21, derde paragraaf, 7° vereist dat de ontvanger van de dienst, indien hij in de Gemeenschap doch buiten het land van de dienstverlener is gevestigd, dient te handelen voor de doeleinden van zijn economische activiteit.

Verweerder onderstreept tenslotte dat overeenkomstig artikel 5, eerste paragraaf, 10° van het koninklijk besluit nummer 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde de vermelding van de wettelijke bepaling krachtens dewelke de handeling van de B.T.W. is vrijgesteld of krachtens dewelke de B.T.W. niet in rekening wordt gebracht vereist is.

2.3. -Beoordeling.

De plaats van de dienst is in beginsel de plaats waar de dienstverrichter de zetel van zijn bedrijfsuitoefening heeft gevestigd. Bij verhuur van roerende lichamelijke goederen is de plaats van de dienst de plaats waar de verhuurde zaak wordt gebruikt, zulks ter voorkoming van de concurrentievervalsing die uit de onderscheiden B.T.W.-tarieven in de verschillende Lidstaten zou kunnen voortvloeien. Deze overwegingen gelden evenwel niet voor de verhuur van vervoermiddelen. Daar deze gemakkelijk de grenzen kunnen overschrijden, is het moeilijk, zo niet onmogelijk, te bepalen waar zij worden gebruikt. Vandaar dat de Zesde Richtlijn voor de verhuur van de vervoermiddelen niet uitgaat van de plaats waar de verhuurde zaak wordt gebruikt, doch, conform het basisbeginsel, van de plaats waar de dienstverrichter de zetel van zijn bedrijfsuitoefening heeft gevestigd (H.v.J., 15 maart 1989, Knut Hamann, zaak C-51/88, rechtsoverweging 17).

Een vervoermiddel is per definitie een goed waarmee men van land tot land kanreizen.

Een omgebouwde rallywagen neemt per definitie deel aan rally's die verlopen op voorbehouden trajecten. Een omgebouwde rallywagen kan materieel niet worden gebruikt om zich over de grenzen heen te verplaatsen en kan bijgevolg niet als vervoermiddel worden beschouwd.

Bijgevolg valt de verhuur van de in het geding zijnde rallywagen onder artikel 21, derde paragraaf, 7°, littera h, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, en wordt als plaats van de dienst beschouwd de plaats waar de ontvanger van de dienst is gevestigd, in deze Italië.

Op de factuur van 30 april 2001 ten bedrage van 44.620,83 EUR dient geen Belgische B.T.W. te worden aangerekend.

De vordering is gegrond.

Beschikkend gedeelte

OP DEZE GRONDEN

DE RECHTBANK

gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, rechtsprekend op tegenspraak, alle andersluidende en meer omvattende conclusies van de hand wijzende als niet terzake en/of overbodig, verklaart de vordering ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond, vernietigt het dwangbevel van 23 augustus 2004 in de mate dat de factuur werd onderworpen aan de Belgische B.T.W., beveelt de terugbetaling van alle bedragen die wederrechtelijk op grond van het dwangbevel werden geïnd, veroordeelt verweerder in de kosten, aan de zijde van iedere partij begroot op de rechtsplegingsvergoeding van 364,40 EUR.

Dit vonnis is uitgesproken in eerste aanleg tijdens de openbare vakantiezitting

an de twaalfde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op dinsdag 29 augustus 2006.

De rechtbank bestond uit:

De heer P. V., alleenzetelend rechter.

Mevrouw J. C., griffier.

J. C., P. V..

Aangehaalde teksten

2

Vergelijkbare beslissingen

8