Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 17.01.2023
WF 711-15-20/011477
[Gunstig voor de Belgische Staat]
Belasting over de toegevoegde waarde – Paarden – Recht op aftrek
Wettelijke bepalingen
Samenvatting
1) Feiten en voorgaande procedure
Er werd vastgesteld dat de belastingplichtige aankoopfacturen in aftrek nam die betrekking hebben op kosten voor paarden die geen eigendom zijn van haar. Deze zijn eigendom van haar zaakvoerder. De administratie is van oordeel dat de belastingplichtige er niet in slaagt om een verband tussen deze kosten en mogelijke uitgaande handelingen aan te tonen. Daarnaast werden er ook nog andere inbreuken met betrekking tot het uitgeoefende recht op aftrek vastgesteld. Aangezien er hierover geen minnelijk akkoord kon worden bereikt met de belastingplichtige werd er een proces-verbaal opgesteld.
Hiertegen legde tegenpartij een verzoekschrift neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt op 12 februari 2020. De rechtbank verklaarde op 1 juli 2021 de vordering van de belastingplichtige ontvankelijk en deels gegrond, meer bepaald voor wat betreft het recht op aftrek van de kosten voor de paarden die geen eigendom zijn van tegenpartij. Tegen dit vonnis ging de administratie in hoger beroep.
2) Het arrest van het hof van beroep
* Kosten met betrekking tot de privépaarden
Het hof stelt net zoals de administratie vast dat met betrekking tot de specifieke kosten voor de privépaarden van de zaakvoerder uit niets blijkt dat er een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat tussen deze kosten en één of meer handelingen in een later stadium door de belastingplichtige.
Daarnaast blijkt uit geen enkel stuk dat bij de deelname aan wedstrijden door de dochter van de zaakvoerder promotie zou zijn gemaakt voor de belastingplichtige. De naam van de belastingplichtige wordt in geen enkel persartikel vermeld en de dochter van de zaakvoerder was op geen enkele manier aan de vennootschap verbonden. Bijgevolg is niet aangetoond dat er aan wedstrijden werd deelgenomen om binnen het milieu naamsbekendheid te verwerven.
Tenslotte blijkt aangaande de coaching en opleiding van de paarden niet aan wie deze zou zijn gegeven. De dochter van de zaakvoerder was zoals reeds eerder vermeld niet verbonden aan de belastingplichtige en het is ook niet duidelijk op welke paarden de opleiding en coaching betrekking had.
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Hof van beroep Antwerpen, zesde kamer, burgerlijke zaken
Arrest van 17/01/2023
Rol: 2021/AR/1428
DE BELGISCHE STAAT - FOD FINANCIËN, ON 0308.357.159, in persoon van de minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de ADVISEUR-GENERAAL-DIRECTEUR VAN HET KMO CENTRUM HASSELT, ON 0308.357.159,
met diensten te 3500 HASSELT, Voorstraat 43,
eiser in hoger beroep,
vertegenwoordigd door mr. B. B., advocaat te ... (ref.: ...)
tegen het vonnis van de 11A kamer van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt van 01 juli 2021, gekend onder rolnummer 20/381/A
tegen
H. B., ON 081...07, met zetel te ...,
verweerster in hoger beroep,
vertegenwoordigd door mr. S. B., advocaat te ...
Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt van 1 juli 2021, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 27 augustus 2021, waarbij een tijdig hoger beroep wordt ingesteld.
1. Voorafgaande feiten en procedure
1.1. Voorwerp van de betwisting.
De betwisting betreft de aftrek inzake BTW voor wat betreft de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2017.
B. H. is als BTW-plichtige geregistreerd voor de activiteit van ‘advies en consultancy' en er wordt niet betwist dat de vennootschap actief is in de opfok van paarden. De BTW met betrekking tot kosten in verband met de opfok van paarden werd in aftrek gebracht.
1.2. Aanslag en bezwaar.
Op 25 februari 2019 vond een controle plaats op de maatschappelijke zetel voor wat betreft de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2017.
Voordien waren er al een aantal gegevens opgevraagd bij en bekomen van de belastingplichtige.
Op 1 maart 2019 werden bijkomende vragen gesteld, waarop werd geantwoord. Dat gebeurde nadien nogmaals. Er vonden ook besprekingen plaats.
Volgens de administratie brachten de antwoorden op al de gestelde vragen en de besprekingen geen uitsluitsel over het werkelijk gebruik van de door de vennootschap gemaakte kosten waarvoor recht op aftrek van BTW was toegepast, waaronder kosten die betrekking hadden op diverse paarden.
Er werd op 7 november 2019 een correctie-opgave opgesteld (stuk 1 Belgische Staat), waarin melding wordt gemaakt van een aantal inbreuken die werden vastgesteld:
- Zo was er volgens de administratie een inbreuk op de aftrekregeling ten aanzien van goederen en/of diensten die volledig bestemd waren voor privé-doeleinden of voor andere doeleinden dan die van de economische activiteit. B. H. gaf te kennen dat men in voormelde jaren de intentie had tot het opstarten van een activiteit met betrekking tot de opfok van paarden. Er werd evenwel geen omzet gerealiseerd in de betrokken jaren en er werd vastgesteld dat de zaakvoerder eveneens paarden bezat in eigen naam.
Het recht op aftrek voor de kosten met betrekking tot de paarden werd verworpen, in de gevallen waarin geen bewijs werd geleverd dat deze kosten gelinkt konden zijn aan de paarden van B. H. . Het betrof onder meer de kosten voor veulenopfok, de huur van boxen, de reiniging van beroepslinnen, sponsormateriaal, kosten dierenarts, coaching, onderhoud voortuin, ...
- Er werden ook inbreuken vastgesteld op de aftrekregeling ten aanzien van leveringen en intracommunautaire verwervingen van tabaksfabrikaten en geestrijke dranken, ten aanzien van kosten van logies, spijzen en dranken en ten aanzien van kosten van onthaal.
- Volgens de administratie was er ook sprake van een overdreven aftrek ten gevolge van materiële vergissingen (foutieve inschrijvingen, optellingen, transporten, enz.). Er waren volgens de administratie ook inbreuken op artikel 25ter en 51, §1, W.BTW. Voor wat betreft de aankoop van een fitness loopband werd noch BTW betaald, noch afgetrokken.
- Volgens de administratie werden een aantal ontvangen intracommunautaire diensten niet aangegeven en werd hiervoor de BTW niet voldaan.
Overeenkomstig deze correctie-opgave waren aldus verschuldigd:
- Als BTW: 19.031,88 EUR
- Als proportionele boete, afgerond: 1.900,00 EUR Als niet-proportionele boete: 500,00 EUR
- Nalatigheidsinteresten op 19.030,00 EUR vanaf 21 januari 2018.
Er werd niet gereageerd op deze correctie-opgave binnen de opgelegde termijn.
Op 9 december 2019 werd proces-verbaal opgesteld (stuk 2 Belgische Staat), waarin de inbreuken van de correctie-opgave werden hernomen, alsook de bedragen die volgens de administratie verschuldigd waren.
Op 19 december 2019 werd een fiscale schuld uitvoerbaar verklaard in het innings- en invorderingsregister BTW voor een totaal bedrag van 24.434,00 EUR:
- BTW: 19.031,00 EUR
- Boeten: 1.890,00 EUR
- Nalatigheidsinteresten tot 19 december 2019: 3.512,00 EUR
Dit bedrag was verder te verhogen met de interesten vanaf 21 januari 2018.
Een innings- en invorderingsbericht werd verstuurd op 19 december 2018 (stuk 4 Belgische Staat).
1.3. Procedure voor de eerste rechter.
B. H. legde op 12 februari 2020 een verzoekschrift neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt. De vennootschap verzocht om haar vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en om dienvolgens de bestreden opname in het innings- en invorderingsregister onder artikelnummer 201...13 te vernietigen en te zeggen voor recht dat de vennootschap de BTW-wetgeving niet had overtreden, zodat er uit dien hoofde geen BTW, boeten, interesten en kosten verschuldigd waren. De vennootschap vorderde om de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding, in de loop van het geding begroot op 1.440,00 EUR en de bijdrage aan het slachtofferfonds van 20,00 EUR. De vennootschap vorderde eveneens om het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal, zonder borgstelling en met uitsluiting van kantonnement.
De eerste rechter stelde vast dat de bewijslast voor wat betreft artikel 45, §1 W.BTW op de belastingplichtige rustte en dat niet betwist werd dat de paardenactiviteit tot de economische activiteit van de vennootschap behoorde.
De eerste rechter oordeelde dat voor het recht op aftrek van de voorbelasting geen eigendomsvereiste werd gesteld zodat de aftrek ook kon worden toegepast voor kosten van paarden die niet behoorden tot de eigendom van de vennootschap, doch wel door haar werden aangewend.
Voor wat betreft de kosten die werden verworpen wegens het ontbreken van een beroepsmatig karakter, oordeelde de eerste rechter dat geen stukken werden overgelegd, zodat deze kosten verworpen bleven.
Voor wat betreft de kosten van onthaal, oordeelde de eerste rechter dat de belastingplichtige voor de aftrekbaarheid ervan diende aan te tonen dat ze de directe verkoop beoogden of werden gemaakt met het oog op de publiciteit voor welbepaalde producten of dat een ander doel werd nagestreefd dan het creëren van een algemene gunstige atmosfeer ten overstaan van de onderneming. De eerste rechter stelde vast dat geen bijkomende stukken dit konden aantonen en dat het niet ging om een publiciteitskost, zodat deze vordering ongegrond was.
De eerste rechter verklaarde de vordering ontvankelijk en in de volgende mate gegrond: "Stelt dat het recht op aftrek dat werd toegepast op de kosten van paarden die niet behoren tot de eigendom van eiseres maar die door eiseres werden aangewend in het kader van haar beroepsuitoefening, terecht is en dienaangaande ontheft de bestreden opnamen in het innings- en invorderingsregister onder artikelnummer 201...13 met deze bedragen.,,
De Belgische Staat werd veroordeeld tot de helft van de kosten, aan de zijde van de vennootschap begroot op 1.430,00 EUR rechtsplegingsvergoeding en 20,00 EUR bijdrage juridische tweedelijnsbijstand.
1.4. Procedure voor het hof van beroep.
De Belgische Staat, thans eiser in hoger beroep vordert om het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en om het bestreden vonnis aldus te vernietigen voor wat betreft het toestaan van het recht op aftrek van de kosten van paarden die niet de eigendom van de vennootschap zijn. De Belgische Staat vordert om te zeggen voor recht dat het recht op aftrek van de kosten van paarden die niet de eigendom van B. H. zijn terecht werd verworpen en dat de oorspronkelijke vordering van de vennootschap dus integraal ongegrond is. De Belgische Staat vordert om B. H. te veroordelen tot de kosten van het geding, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding.
B. H., thans verweerster in hoger beroep vordert om het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en om haar incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren. De vennootschap vordert dienvolgens te willen oordelen dat ze recht op aftrek van de BTW heeft met betrekking tot de kosten opgenomen onder titel 4.2 van haar laatste besluiten. Ze vordert om het vonnis van de eerste rechter te willen bevestigen, behoudens wat betreft de kosten opgenomen onder titel 4.2 van deze besluiten en om de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, begroot op een rechtsplegingsvergoeding van 2.800,00 EUR per aanleg en de bijzondere bijdrage aan het fonds voor juridische tweedelijnsbijstand van 20,00 EUR.
Ter zitting van 6 december 2022 verklaart de Belgische Staat de kosten van het geding in haren hoofde te begroten op een rechtsplegingsvergoeding hoger beroep van 3.000,00 EUR.
Het hof stelt vast dat B. H. aldus ook in verband met de rechtsplegingsvergoeding incidenteel beroep instelt, vermits de rechtsplegingsvergoeding door de eerste rechter slechts werd begroot op een bedrag van 1.430,00 EUR.
2. Bespreking
2.1. Kosten met betrekking tot de paardenactiviteit.
2.1.1. Argumenten van partijen.
De Belgische Staat benadrukt dat de bewijslast dat de goederen en diensten gebruikt worden voor het verrichten van handelingen die recht geven op de aftrek van BTW op de belastingplichtige rust. Een rechtstreeks en onmiddellijk verband is vereist.
De Belgische Staat betwist niet dat men de intentie had voor de activiteit van 'opfok van paarden' en er wordt geen eigendomsvereiste gesteld. De administratie stelt enkel vast dat er geen link kon worden gelegd tussen de kosten voor de paarden die eigendom waren van de zaakvoerder van de vennootschap enerzijds en de voorgenomen BTW-plichtige activiteit anderzijds. Zo maakten die kosten geen deel uit van de prijs van de later door de vennootschap verkochte paarden. De vennootschap had geenszins baat bij het feit dat de dochter van de zaakvoerder met diens paarden deelnam aan wedstrijden. Die dochter was op geen enkele manier verbonden aan de vennootschap. Zij was geen werknemer en toen zelfs nog geen aandeelhouder. In de pers en sociale media in verband met de wedstrijden werd de naam van de vennootschap zelfs niet vermeld.
Ondergeschikt stelt de Belgische Staat dat geen enkel verband kan worden gelegd tussen de kosten voor opleiding en coaching en de uitgaande handelingen die recht op aftrek verlenen. In verband met de aankoopkosten voor de vrachtwagen stelt de administratie dat niet aangetoond werd wat er vervoerd werd, wanneer en naar waar dit gebeurde en wie het vervoer heeft gedaan. Er wordt ook niet aangetoond waarom transport moest gebeuren voor N. P. P. T. . B. H. beschikt trouwens niet over een vergunning om vervoer te verrichten voor derden. Er wordt verwezen naar een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Limburg, afdeling Hasselt van 10 maart 2022 terzake.
Volgens de vennootschap stelt artikel 45, §1 W.BTW geen eigendomsvereiste en is er een rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen de paarden die geen eigendom zijn van de vennootschap en de uitgaande handelingen die recht geven op aftrek.
De vennootschap verwachtte in 2020 de eerste grote opbrengsten te realiseren, doch ondervond de negatieve gevolgen van de coronacrisis. Meer bepaald was de internationale verkoop van paarden daardoor stilgevallen en konden geen internationale wedstrijden plaatsvinden. In 2021 en 2022 werden paarden verkocht en er kunnen nog verkopen met meerwaarde worden verwacht.
Volgens de vennootschap voegt de Belgische Staat een voorwaarde toe aan de wet door te eisen dat de paarden eigendom moeten zijn van de vennootschap opdat recht op aftrek kan worden genoten. Om naambekendheid te verkrijgen in de paardensector heeft men deelgenomen aan wedstrijden met privépaarden, vooraleer effectief een economische activiteit werd opgestart. Het fokken, opleiden en trainen van een veulen duurt ongeveer vijf jaar en voor de dressuursport komt een paard pas in aanmerking vanaf de leeftijd van 6 tot 8 jaar. Deze activiteit kan aldus niet onmiddellijk inkomsten genereren. Het verwerven van naambekendheid is in de sector van essentieel belang, zodat privépaarden gratis ter beschikking werden gesteld aan de vennootschap om deel te nemen aan wedstrijden.
De kosten werden bijgevolg gedragen door de vennootschap en ook het prijzengeld werd als opbrengst in de vennootschap geboekt.
Ondergeschikt benadrukt de vennootschap dat de paarden pas interessant zijn voor verkoop als ze behoorlijk zijn opgeleid. De kosten voor opleiding en coaching kunnen niet worden toegewezen aan een specifiek paard maar houden dus wel rechtstreeks verband met de uitgaande handelingen van de vennootschap. Het feit dat de dochter van de zaakvoerder, die de opleiding van de paarden voor haar rekening neemt, geen werknemer van de vennootschap is belet niet dat deze kosten aftrekbaar zijn. Minstens is er recht op aftrek van de kosten voor opleiding en coaching, verzorgd door B. P. l. S. .
De vrachtwagen werd volgens de vennootschap aangewend voor met BTW belaste activiteiten, zodat de kosten ervan aftrekbaar zijn. Deze vrachtwagen wordt gebruikt voor het vervoer van de paarden naar klanten en wedstrijden en voor publiciteitsdoeleinden, vermits hij bestickerd is. De vrachtwagen wordt ook verhuurd voor events, georganiseerd door N. P. P., de vennootschap waarvoor de zaakvoerder destijds consultingactiviteiten uitoefende.
2.1.2. Beoordeling.
De administratie verwierp de aftrek van de voorbelasting met betrekking tot een aantal kosten, die volgens haar betrekking hadden op goederen en/of diensten die volledig of gedeeltelijk bestemd waren voor privé-doeleinden of voor andere doeleinden dan die van de economische activiteit van de belastingplichtigen. De administratie stelde vast dat, hoewel er nog geen omzet was in verband met de opfok van paarden, B. H. blijkbaar wel de intentie had voor de opstart van een activiteit met betrekking tot de opfok van paarden.
De zaakvoerder bezat eveneens paarden in eigen naam en in een tabel, opgenomen in de correctie-opgave werd melding gemaakt van kosten met betrekking tot paarden waarvoor geen bewijs werd geleverd dat deze kosten gelinkt waren aan de paarden van B. H. .
Overeenkomstig artikel 45, §1 W. BTW mag elke belastingplichtige op de belasting die hij verschuldigd is, de belasting in aftrek brengen, geheven op de aan hem geleverde goederen en verleende diensten in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen, handelingen vrijgesteld van belasting krachtens de artikelen 39 tot 42 W. BTW, handelingen in het buitenland waarvoor recht op aftrek zou ontstaan indien zij in het binnenland zouden plaatsvinden, handelingen bedoeld in artikel 44, §3, 4° tot 10° W.BTW of diensten als makelaar bij voorgaande handelingen.
De belastingplichtige die het recht op aftrek inroept, dient het bewijs te leveren dat hij zich in de vereiste voorwaarden bevindt om het recht op aftrek te kunnen uitoefenen. Het feit dat hij een BTW-belastingplichtige is en dus een geregelde economische activiteit uitoefent volstaat daartoe niet, vooral nu niet wordt betwist dat de zaakvoerder van B. H. paarden bezit in eigen naam en dat zijn dochter actief is in de paardensport.
De administratie stelt terecht dat niet vereist is dat de goederen, waarvoor aftrek wordt geclaimd eigendom zijn van de belastingplichtige. Wel dient voldaan te zijn aan de vereiste dat er een rechtstreeks en onmiddellijk verband moet bestaan tussen de BTW waarvan de aftrek geclaimd wordt en de BTW-activiteit waarvoor die uitgave gebruikt wordt (zie o.m. HvJ, 29 oktober 2009, C-29/08, HvJ, 14 september 2017, C-132/16, Cass., 26 april 2019, F.18.0046.N).
Wanneer de kosten voor de betrokken diensten deel uitmaken van de algemene kosten en als zodanig zijn opgenomen in de prijs van de door de belastingplichtige geleverde goederen of verrichte diensten is er ook recht op aftrek, zelfs indien er geen rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat tussen een bepaalde handeling in een eerder stadium en een of meer handelingen in een later stadium waarvoor recht op aftrek bestaat (HvJ, 1 oktober 2020, C-405/19, TBO, 2020, afl.6, 487).
Wanneer de kosten niet behoren tot de algemene kosten, doch toewijsbaar zijn aan welbepaalde handelingen in een later stadium, kan dat deel van de uitgaven dat geen verband houdt met de handelingen van de belastingplichtige maar met die van een derde geen recht op aftrek doen ontstaan, vermits het rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen die diensten en de belastbare handelingen van de belastingplichtige in dat geval wordt doorbroken (Ibid.).
In onderhavig geval betreft de aftrek van de voorbelasting enkel algemene kosten voor wat betreft de kosten voor sponsoring/sponsormateriaal en onderhoud en herstelling van een kampeerwagen, dakwerken, mazout, gordijnen en onderhoud van de voortuin.
Voor wat de gordijnen en de kosten voor het onderhoud van de voortuin betreft werd een akkoord gesloten in verband met de vennootschapsbelasting voor de aanslagjaren 2017 en 2018 en aanvaarden partijen nu ook inzake BTW dat de kosten voor het tuinonderhoud voor 20% en de kosten voor de gordijnen voor het bureau voor 100% aftrekbaar zijn.
Van de kosten voor sponsoring/sponsormateriaal wordt geen nadere omschrijving gegeven, zodat niet wordt aangetoond dat er een rechtstreeks en onmiddellijk verband is tussen deze kosten en de economische activiteit van de vennootschap. Er wordt niet aangetoond dat deze kosten deel uitmaken van de prijs van de door de belastingplichtige geleverde goederen of diensten. In de mate dat door H. B. werd deelgenomen aan wedstrijden valt op dat uit geen enkel stuk blijkt dat daarbij promotie zou zijn gemaakt voor B. H.. H. B. was in de betrokken periode noch werknemer noch zaakvoerder of aandeelhouder van de vennootschap. De naam van B. H. komt in de persartikelen aangaande deze wedstrijden zelfs niet voor, doch wel de naam van G. V., fokker van het deelnemend paard C. en mevrouw B. vermeldt dat haar paarden op stal staan bij P. L. . Dat de deelname aan deze wedstrijden bedoeld was om aan B. H. naambekendheid te verlenen binnen het milieu blijkt aldus uit geen enkel gegeven.
Dat H. B. sindsdien wel aandeelhouder is van B. H. en dat alle paardenactiviteiten thans uitgeoefend worden binnen de vennootschap, doet aan het voorgaande in verband met de litigieuze periode dan ook geen afbreuk.
Voor wat de dakwerken betreft blijkt dat het BTW-tarief van 6% werd toegepast, hetgeen impliceert dat het kosten betreft aan een privéwoning (rubriek XXXVIII van tabel A van de bijlage bij KB nr.20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven).
Ook van de mazoutkosten blijkt niet dat ze betrekking hebben op de verwarming van gebouwen die voor de economische activiteit van de vennootschap worden aangewend.
In welke zin de kampeerwagen verband houdt met de activiteit van de vennootschap blijkt evenmin. In tegenstelling tot wat in conclusies wordt voorgehouden blijkt uit geen enkel stuk dat het voertuig waarvan de kosten voor onderhoud en herstelling werden verworpen een vrachtwagen betrof die ook voor het vervoer van paarden kon worden gebruikt. Er werden geen kosten verworpen met betrekking tot de aankoop van een vrachtwagen, zodat de bezwaren van de vennootschap dienaangaande zonder voorwerp zijn.
De overige kosten (toeslag stro, veeartskosten, huur boxen, reiniging van beroepslinnen, coaching) betreffen specifieke kosten met betrekking tot privépaarden van de zaakvoerder van B. H. . Het hof stelt samen met de administratie vast dat uit geen enkel gegeven blijkt dat er een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat tussen deze kosten en een of meer handelingen in een later stadium van B. H. .
Er blijkt niet aan wie B. P. l. S. coaching zou gegeven hebben in de betrokken periode. In de mate dat deze coaching betrekking had op H. B. wijst de administratie er terecht op dat er in de betrokken jaren geen enkel aanwijsbaar verband bestaat tussen H. B. en B. H. . Zij was in de litigieuze periode noch werknemer, noch zaakvoerder of aandeelhouder van de vennootschap en dat zij zou hebben ingestaan voor de opleiding van de veulens van B. H. betreft een loutere bewering die op geen enkele wijze hard wordt gemaakt. In de mate dat B. P. l. S. coaching gegeven zou hebben aan de paarden zelf, is niet duidelijk aan welke paarden. In de mate dat deze coach privépaarden van de zaakvoerder van B. H. zou hebben opgeleid blijkt niet op welke manier dit deze vennootschap ten goede zou zijn gekomen.
Samengevat oordeelt het hof aldus dat het hoger beroep van de Belgische Staat in deze gegrond is en het incidenteel beroep van B. H. voor het overgrote deel ongegrond.
2.2. Boete.
Volgens de vennootschap moet de boete worden kwijtgescholden vermits het een principiële discussie betreft.
Volgens de administratie is de boete terecht.
Het hof oordeelt dat er terzake geen sprake is van een principiële kwestie maar van een beoordeling of wel of niet voldaan is aan de voorwaarden van artikel 45, §1 W.BTW in dit concreet geval. In de mate dat de aftrek van de voorbelasting werd verworpen is de opgelegde boete niet onevenredig ten aanzien van de gepleegde overtreding, zodat er geen reden is om tot vermindering of kwijtschelding ervan over te gaan.
2.3. Kosten van het geding.
De Belgische Staat liet zich in eerste aanleg niet bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, zodat ze voor die aanleg geen aanspraak kan maken op een rechtsplegingsvergoeding.
Partijen zijn het erover eens dat betwistingen inzake belastingen geen onbepaalde waarde hebben, doch dat ze kunnen gewaardeerd worden naar het bedrag van de betwiste aanslag. De rechtsplegingsvergoeding dient dan ook bepaald te worden volgens het pecuniair bedrag van de vordering (Cfr. Cass., 12 maart 2010, F.J.F., nr.2010/183, p.720).
Gelet op het bedrag van de betwiste aanslagen, bedraagt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding op datum van de uitspraak in eerste aanleg 2.600,00 EUR (zie Cass. 1 maart 2019, C.18.0129.N, juportal.be) en op datum van de uitspraak in hoger beroep 3.000,00 EUR. Er is geen reden om van dit basisbedrag af te wijken.
B. H. betaalde in eerste aanleg een bijdrage van 20,00 EUR aan het fonds voor juridische tweedelijnsbijstand en de Belgische Staat betaalde dergelijk bedrag in hoger beroep.
Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht in hoger beroep overeenkomstig artikel 279 1, 1°, juncto 162, 4° W.Reg. .
Gelet op het deels gelijk en ongelijk van elk der partijen past het om de kosten om te slaan zoals hierna bepaald.
Beschikkend gedeelte
3. Beslissing
Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.
De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.
Het hof verklaart het hoger beroep van de Belgische Staat toelaatbaar en gegrond.
Het hof verklaart het incidenteel beroep van B. H. toelaatbaar en in de volgende mate gegrond.
Het hof hervormt het bestreden vonnis.
Het hof zegt voor recht dat B. H. recht heeft op de aftrek van de voorbelasting voor wat betreft 20% van de kosten voor tuinonderhoud (G. M.) en 100% van de kosten voor de gordijnen bureau (S. W.) en verklaart de vordering van B. H. voor het overige toelaatbaar doch ongegrond.
Het hof begroot de kosten van het geding in hoofde van de Belgische Staat op een rechtsplegingsvergoeding hoger beroep van 3.000,00 EUR en een bijdrage aan het begrotingsfonds juridische tweedelijnsbijstand in hoger beroep van 20,00 EUR en in hoofde van B. H. op een rechtsplegingsvergoeding van 2.600,00 EUR in eerste aanleg en 3.000,00 EUR in hoger beroep en een bijdrage aan het begrotingsfonds juridische tweedelijnsbijstand in eerste aanleg van 20,00 EUR.
Het hof slaat de kosten van het geding om en veroordeelt de Belgische Staat tot 1/20ste en B. H. tot 19/20ste van de kosten, zoals hierboven begroot.
Op het ogenblik van de uitspraak van huidig arrest, waarover plaatsvervangend raadsheer L. M. mede beraadslaagd heeft, en die thans, wettelijk verhinderd zijnde, in de onmogelijkheid verkeert om dit arrest mede te ondertekenen, handelend volgens art. 785 van het Ger. W., tekenen de overige raadsheren, die mede hebben beraadslaagd, en de griffier, en aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het hof van beroep te Antwerpen van 17 januari 2023.
Door de FOD bijgevoegde beslissing
Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg
Rechtbank van eerste aanleg LIMBURG, Afdeling Hasselt, sectie burgerlijk llA-kamer
Vonnis van 01/07/2021
Rol: 20/381/A
INZAKE:
H. B. met maatschappelijke zetel te ..., ondernemingsnummer 081...07
Eiseres, ter zitting van 10.06.2021 vertegenwoordigd door mr. L. A. loco mr. S. B., advocaat te ...
tegen:
DE BELGISCHE STAAT. FOD Financiën (ondernemingsnummer Belgische staat 0252.796.351 en ondernemingsnummer FOD Financiën 0308.357.159}, in de persoon van de Minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de adviseur-generaal centrumdirecteur van het KMO Centrum Hasselt, met kantoor te 3500 Hasselt, Voorstraat 43, postbus 106.
Verweerder, ter zitting van 10.06.2021 vertegenwoordigd door zijn gevolmachtigde mevrouw X, attaché bij een fiscaal bestuur, verbonden aan de afdeling expertise van het KMO-Centrum Hasselt.
VOLGT HET VONNIS
Gelet op:
het verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 12.02.2020;
- de beschikking overeenkomstig art. 747, § 1 Ger.W. van 11.03.2020;
- de besluiten, syntheseconclusies en stukken van verweerder;
- de conclusie en stukken van eiseres.
1. FEITEN EN VOORGAANDEN:
Eiseres is ingevolge de door haar uitgeoefende economische activiteit "advies en consultancy." geregistreerd als belastingplichtige onder BTW-nummer BE081...07. Zij is dan ook onderworpen aan de bepalingen van het BTW-wetboek en aan de ter uitvoering ervan genomen besluiten.
Er vond bij eiseres een BTW-controle plaats met betrekking tot de periode 01.01.2016 tot en met 31.12.2017.
Onder meer werden er vragen gesteld naar een omschrijving van de economische activiteiten en naar het "beroepsmatige" karakter van diverse facturen en dit teneinde na te gaan of het gerechtvaardigd was dat recht op aftrek van BTW werd toegepast. Het betrof o.m. kosten die betrekking hadden op diverse paarden.
Op 07.11.2019 werd er een correctieopgave overgemaakt aan eiseres op basis van de vermeende inbreuken op de BTW-aftrekregeling; hierop werd niet gereageerd (zie stuk 1, bundel administratie).
Vervolgens werden de door de fiscus weerhouden overtredingen opgenomen in het proces verbaal van 09.12.2019. Uit het proces-verbaal bleek dat de belastingplichtige volgende bedragen verschuldigd is:
- 19.031,88 euro aan BTW;
- 1.891,29 euro aan wettelijke geldboete ingevolge art. 70 § 1 en 70, §bis WBTW en het KB nr. 41 van 30.01.1987
- de op grond van artikel 91 § 1 WBTW van rechtswege verschuldigde intresten aan 0,8 % per maand te rekenen vanaf 21.01.2018 over de som van 19.030,00 euro.
(zie stuk 2, bundel administratie)
Bij verzoekschrift op tegenspraak, ter griffie neergelegd door eiseres op 12.02.2020 stelde eiseres een vordering in rechte in.
ll. BEOORDELING:
1. Ontvankelijkheid:
Er worden door verweerder geen middelen van ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.
De vordering is dan ook ontvankelijk.
2. Ten gronde:
2.1. Inbreuken op de aftrekregeling: art. 45, § 1 WBTW
Krachtens het op huidig geschil van toepassing zijnde art. 45, § 1 WBTW waarin het beginsel van het recht op aftrek is vastgelegd, mag de belastingplichtige, op de belasting die hij verschuldigd is, in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten.
De belastingplichtige dient dus enerzijds aan te tonen dat de levering van het goed of de aan hem verleende dienst werkelijk heeft plaatsgevonden en anderzijds dat deze levering of dienst werd gebruikt in het kader van het verrichten van een in artikel 45, §1, l0 t/m 5° van het WBTW bedoelde handeling.
De bewijslast ligt bij de belastingplichtige.
De administratie heeft de aftrek niet verworpen omdat ze van oordeel zou zijn dat de paardenactiviteit niet tot de economische activiteit van eiseres behoort. De administratie aanvaardt dat de paardenhouderij een economische activiteit is in hoofde van eiseres.
De administratie is de mening toegedaan dat voor bepaalde kosten, waaronder kosten met betrekking tot paarden waarvoor geen bewijs werd geleverd dat deze kosten gelinkt zijn aan de paarden van eiseres of aan haar activiteit, niet wordt aangetoond aan de hand van objectieve bewijsstukken dat deze kosten gemaakt zijn om belastbare handelingen te stellen.
Terecht stelt eiseres dat er geen eigendomsvereiste is en dat het recht op aftrek dat werd toegepast op de kosten van paarden die niet behoren tot de eigendom van eiseres maar die door eiseres werden aangewend, ten onrechte verworpen werden.
Deze kosten zijn aftrekbaar.
In de tabel gevoegd bij het proces-verbaal van 09.12.2019 van de verworpen kosten (p.7 proces-verbaal) wordt enerzijds het recht op aftrek van kosten m.b.t. de paarden die geen eigendom zijn van eiseres verworpen en anderzijds worden kosten waarvan niet werd aangetoond dat ze beroepsmatig zijn verworpen.
De rechtbank stelt vast dat haar geen stukken worden overlegd over het beroepsmatige karakter, zodat deze kosten verworpen blijven.
2.2. Inbreuken op de aftrekregeling: art. 45, § 3 WBTW
Art. 45, § 1 WBTW bevat het principe dat elke belastingplichtige de belasting die geheven werd op aan hem geleverde goederen en verleende diensten in aftrek mag brengen op de belasting die hij verschuldigd is, voor zover hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van handelingen onderworpen aan de belasting (bestemmingsbeginsel).
Art. 45, § 3 WBTW houdt een uitzondering in op art. 45, § 1 WBTW en stelt:
"Voor aftrek komt niet in aanmerking de belasting ter zake van:
1° (...)
2° (...)
3° kosten van logies, spijzen en dranken in de zin van art. 18, § 1, tweede lid, 10° en 11 °
daaronder niet begrepen de kosten die worden gedaan:
voor het personeel dat buiten de onderneming belast is met een levering van goederen of een dienstverrichting;
door belastingplichtigen die op hun beurt dezelfde diensten onder bezwarende titel verstrekken"
4° kosten van onthaal
In een arrest van 08.04.2005 heeft het Hof van Cassatie zich uitgesproken over de kwalificatie van kosten van ontspanning en vermaak die worden gemaakt in het kader van een feestelijke bijeenkomst die hoofdzakelijk en rechtstreeks tot doel heeft kopers in te lichten over het bestaan en de hoedanigheid van een product of dienst met de bedoeling de verkoop ervan te bevorderen.
De administratie heeft beslist om dergelijke kosten, die worden gemaakt met het oog op de publiciteit voor welbepaalde producten en het derhalve om publiciteit en uitgaven gaat met een strikt professioneel karakter, niet aan te merken als kosten van onthaal in de zin van art. 45, §3, 4° WBTW.
Wederom is het aan de belastingplichtige om aan te tonen dat de gedane kosten de directe verkoop beogen of worden gemaakt met het oog op de publiciteit voor welbepaalde producten of dat een ander doel werd nagestreefd dan het creëren van een algemene gunstige atmosfeer ten overstaan van de onderneming.
Eiseres legt geen bijkomende stukken voor die dit aantonen. De factuur op zich leent zich overigens niet tot de kwalificatie van een publiciteitskost.
Deze vordering is ongegrond.
Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat {B.S., 31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008 (zie art 13 en 14).
Partijen hebben ter zake standpunt ingenomen.
De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.
OM DEZE REDENEN:
De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak,
Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en in de volgende mate gegrond,
Stelt dat het recht op aftrek dat werd toegepast op de kosten van paarden die niet behoren tot de eigendom van eiseres maar die door eiseres werden aangewend in het kader van haar beroepsuitoefening, terecht is en dienaangaande ontheft de bestreden opnamen in het innings- en invorderingsregister onder artikelnummer 201...13 met deze bedragen.
Veroordeelt verweerder tot de helft van de kosten en begroot deze kosten aan de zijde van eiseres op 1.430,00 euro rechtsplegingsvergoeding en 20,00 euro bijdrage juridische tweedelijnsbijstand.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de 11A-kamer, in het gerechtshof te Hasselt, op 1 juli 2021.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.