De tekst van dit document is in het Frans. De FOD publiceert er geen Nederlandse versie van.
Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Luik d.d. 20.04.2020
WF 704-15-09/078438
[Gunstig voor de Belgische Staat]
Nieuw gebouw - Maatstaf van heffing - Normale waarde - Deskundige schatting - Verjaring - Overschrijding van de aanvaardbare termijn
Wettelijke bepalingen
Artikelen 32, 36, 59, §2, 64, §4, 70, §5, en 81bis, §2 WBTW
Samenvatting
1. Feiten en voorafgaande procedure
Voor de rechtbank van eerste aanleg van Luik, afdeling Luik, betwistte verweerster de btw die werd toegepast op het verschil tussen de bepaalde normale waarde van de ruwbouw van een woning ingevolge de deskundige schatting bedoeld in artikel 59, § 2, van het btw-wetboek en de gegevens van de aangifte voorgeschreven in artikel 64, § 4, van het btw-wetboek die hij op 23 maart 1983 had ingediend.
In zijn arrest van 21 december 2017 heeft de rechter in eerste aanleg verklaard dat de vordering tot voldoening van de aanvullende btw-toeslag is verjaard. De Belgische Staat ging in beroep.
2. Betreffende de verjaring
De geïntimeerde heeft de in artikel 64, lid 4, van het btw-wetboek voorgeschreven aangifte op 23 maart 1983 ingediend. Bij gebrek aan een akkoord over de normale prijs van het gebouw, heeft de administratie op 14 december 1984 kennis gegeven van het beroep op de deskundige schatting ingevolge de toepassing van artikel 59, § 2, WBTW.
De deskundige heeft zijn verslag op 23 juli 1985 ingediend en een kopie van dit verslag is op 25 juli 1985 betekend. Bij dagvaarding van 23 augustus 1985 heeft verweerster de rechtbank van eerste aanleg te Hoei verzocht om de deskundige schatting nietig te verklaren. De rechter heeft het verzoekschrift in het vonnis van 21 oktober 1999 ontvankelijk maar ongegrond verklaard.
Dit vonnis is bij deurwaardersexploot van 28 februari 2000 aan de geïntimeerde betekend.
Artikel 81bis, § 2, van het btw-wetboek bepaalt dat : " Indien de in artikel 59, § 2, bedoelde procedure uitwijst dat de belasting over een ontoereikende maatstaf werd voldaan, verjaart de vordering tot voldoening van de aanvullende belasting, van de interesten, van de administratieve geldboeten en van de procedurekosten, door verloop van twee jaar te rekenen van de laatste daad in die procedure.”
De laatste handeling in de procedure als bedoeld in artikel 59, lid 2, van het btw-wetboek is niet het deskundigenverslag, wanneer daartegen beroep is ingesteld zoals in het onderhavige geval, maar de laatste handeling waarmee dat beroep wordt afgesloten.
Volgens het hof wijst de Belgische Staat er terecht op dat het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Hoei op 28 februari 2000 is betekend en dat de verjaringstermijn vanaf die datum begon te lopen, zodat het op 10 oktober 2001 uitgevaardigde dwangbevel, dat op 11 oktober 2001 uitvoerbaar was geworden, de op dat moment nog niet verstreken verjaringstermijn van twee jaar op geldige wijze heeft gestuit.
Bovendien is de verjaringstermijn overeenkomstig artikel 83, 2de lid, WBTW opgeschort vanaf de inleidende akte, dat wil zeggen de dagvaarding door verweerster van 12 april 2002.
Bijgevolg is het hof van beroep van oordeel dat de vordering tot voldoening van de belastingen, boetes, interesten en kosten die in de dwangmaatregel zijn opgenomen, niet verjaard is.
3. Ten gronde
De normale waarde van de werken werd bepaald door middel van een expertise op grond van artikel 59, § 2, WBTW, volgens hetwelk met name de minimale maatstaf van heffing wordt bepaald door de normale waarde van de goederen of diensten zoals die middels een deskundige schatting wordt vastgesteld.
De geldigheid van de deskundige schatting kan niet langer in twijfel worden getrokken, aangezien het beroep tegen de deskundige schatting ongegrond is verklaard door het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Huy van 21 oktober 1999, dat in kracht van gewijsde is gegaan.
Bovendien levert geïntimeerde niet het bewijs dat de prijzen van de aan hem gefactureerde werken of materialen lager waren dan hun normale waarde als gevolg van aan hem verleende kortingen of prijsverminderingen.
Hieruit volgt dat de belastingen in kwestie die voortvloeien uit de ontoereikende gefactureerde werkzaamheden en materialen ten opzichte van de normale waarde die middels de deskundige schatting is vastgesteld, verschuldigd zijn.
4. Betreffende de redelijke termijn
De geïntimeerde beweert dat de redelijke termijn is overschreden vanwege de tijd tussen het beëindigen van de opdracht van de deskundige in 1985 en het opstellen van het dwangbevel in 2001. De eis om de redelijke termijn in acht te nemen kan enkel betrekking hebben op geldboetes met een strafrechtelijke karakter, met uitzondering van de heffing van de belasting, in dit geval de boete die wordt opgelegd op grond van artikel 70, § 5, van het Wetboek.
Na te hebben vastgesteld dat de duur van die termijn het gevolg was van het door geïntimeerde ingestelde beroep in rechte tegen het rapport van de deskundige schatting, verwijst het hof van beroep naar de rechtspraak van het EHRM: "De redelijkheid van de duur van de procedure wordt beoordeeld naar gelang van de omstandigheden van de zaak en met inachtneming van de in de rechtspraak vastgestelde criteria, met name de complexiteit van de zaak, het gedrag van de verzoeker en van de bevoegde autoriteiten alsook het belang van het geschil voor de betrokken personen" (zie EHRM, Jouan tegen België, 12 februari 2008, verzoekschrift nr. 5950/05, punt 37).
"Alleen vertragingen die te wijten zijn aan de Staat kunnen leiden tot de vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden" (zie EHRM, Vendittelli tegen Italië, 18 juli 1994, verzoekschrift nr. 14804/89, punt 25).
"De betrokkene is slechts gehouden de hem betreffende handelingen met de nodige zorgvuldigheid te verrichten, geen vertragingstactieken te gebruiken en gebruik te maken van de mogelijkheden die het nationale recht biedt om de procedure in te korten" (zie EHRM, 8 juni 2004, Clinique Mozart SARL v. Frankrijk, verzoekschrift nr. 46098/99, punt 35).
In casu oordeelt het hof van beroep dat aanzienlijke vertraging te wijten is aan het eigen optreden van geïntimeerde tegen het deskundigenrapport, dat verweerster geen blijk heeft gegeven van zorgvuldigheid in de gerechtelijke procedure en dat zij geen bewijs heeft geleverd dat de vertraging aan de Belgische Staat kan toegeschreven worden.
Het hof oordeelt dat verweerster ten onrechte stelt dat de redelijke termijn is overschreden.
Opmerkingen
Dit arrest van het hof van beroep moet worden gelezen in het licht van de wettelijke en reglementaire bepalingen (zie koninklijk besluit nr. 15), in de versie die van toepassing was op het ogenblik van de feiten.
De tekst van Koninklijk Besluit nr. 15 omschrijft niet duidelijk wat wordt bedoeld met "laatste handeling van de procedure".
Artikel 12 van het Koninklijk Besluit nr. 15, zoals dat ten tijde van deze procedure van toepassing was, bepaalde dat: "Tegen de beslissing van de deskundigen kan geen enkel rechtsmiddel worden aangewend. De ontvanger of de tegenpartij kan echter de nietigverklaring van de schatting vorderen wegens overtreding van de wet, wegens stoffelijke vergissing of wegens schending van de hoofdzakelijke vormen. De rechtsvordering dient op straffe van verval te worden ingeleid binnen de termijn van één maand na de betekening van het verslag; ze wordt gebracht voor de volgens de gewone regelen bevoegde rechtbank van de in artikel 5 bepaalde plaats. Wordt de nietigheid uitgesproken, dan wordt door de rechtbank van ambtswege, bij hetzelfde vonnis, een nieuwe schatting bevolen.”
Aangezien de betrokkene binnen de maand van de betekening van het deskundigenverslag (23 augustus 1985) een beroep tot nietigverklaring heeft ingesteld, moet overeenkomstig artikel 12 van het koninklijk besluit nr. 15 worden aangenomen dat de laatste handeling van de deskundigenbeoordeling niet op 25 juli 1995 heeft plaatsgevonden, maar op 28 februari 2000, de datum van betekening van het vonnis van 21 oktober 1989 waarin de rechtbank van eerste aanleg het beroep tot nietigverklaring heeft verworpen.
Zolang de rechtbank geen vonnis had geveld, bleef de mogelijkheid bestaan dat er een nieuwe expertise werd bevolen, waardoor het niet mogelijk was om de betekening van 25 juli 1985 te beschouwen als de laatste handeling in de schattingsprocedure.
Het hof van beroep bevestigt in haar arrest het standpunt van de Belgische Staat namelijk dat de laatste handeling van de procedure niet ipso facto de neerlegging van het deskundigenverslag bij de vrederechter is wanneer, zoals in dit geval, de deskundige schatting voor de rechtbank wordt aangevochten.
In dit geval is de datum van betekening van het vonnis waarbij de rechtbank van eerste aanleg het beroep tot nietigverklaring heeft verworpen, de laatste procedurehandeling.
Tekst van het arrest
Het arrest wordt enkel gepubliceerd in de oorspronkelijke taal
Tekst van de beslissing
Arrêt de la Cour d’appel de Liège de la NEUVIEME B chambre du 20 avril 2020
Rôle : 2018/RG/376
EN CAUSE DE:
ETAT BELGE. représenté par le ministre des Finances, rue de la Loi, 12 à 1000 Bruxelles, poursuites et diligence du Conseiller général, Directeur du Centre PME Liège, dont les bureaux sont établis à 4000 LIEGE, rue de Fragnée, 2 bte 73 partie appelante, comparaissant par Maître ..., avocat à ....
CONTRE:
D.L. domicilié à ..., partie intimée, comparaissant personnellement.
Vu les feuilles d'audiences des 23 avril 2018, 7 janvier 2019, 18 février 2019, 9 mars 2020 et de ce jour.
APRÈS EN AVOIR DÉLIBÉRÉ:
Vu le dossier de procédure en forme régulière et notamment :
le jugement du tribunal de première instance de Liège, division Liège, du 21 décembre 2017;
la requête d'appel reçue au greffe de la cour le 30 mars 2018; les conclusions et les dossiers des parties.
L'appel a été interjeté dans les formes et délai légaux, sa recevabilité n'est pas contestée et il n'existe aucun moyen d'irrecevabilité à soulever d'office par la cour.
En conséquence, l'appel doit être déclaré recevable.
I- Les faits et l'objet du litige
Sur ces points, la cour se réfère à l'exposé du premier juge tel qu'il figure au jugement déféré sous le titre « EXPOSE DES FAITS ET ANTECEDENTS DE PROCEDURE ».
Il suffit de préciser que la contestation concerne les taxes, amendes, intérêts et frais repris dans la contrainte TVA portant le numéro 300.... décernée à charge de l'intimé et de son conjoint le 10 octobre 2001, visée et rendue exécutoire le 11 octobre 2001 et établie sur la base du procès-verbal du 12 septembre 2001 (cf. pièces 2 et 3 du dossier de l'appelant).
La contestation porte sur les taxes établies sur la différence entre l'évaluation de la valeur normale du gros-œuvre d'une maison d'habitation située à Clavier, r•• S•• l•• C•••••••, •• réalisée dans le cadre de l'expertise visée à l'article 59, § 2 du Code de la TVA et les données de la déclaration de l'intimé prescrite à l'article 64, § 4 du Code de la TVA.
L'intimé a formé opposition à la contrainte par citation du 12 avril 2002 (cf. pièce 1 du des dossier de procédure d'instance).
Par jugement du 21 décembre 2017, le premier juge a dit l'action recevable et fondée, a constaté que l'action en recouvrement du supplément de TVA est prescrite, a dit l'Etat belge sans titre ni droit pour procéder au recouvrement du supplément de TVA et amendes de 4512,36 euros et a condamné l'Etat belge aux dépens liquidés à zéro euro.
L'appelant conclut à la mise à néant des dispositions du jugement entrepris, demande à la cour de déclarer la demande originaire de l'intimé non fondée et, en conséquence, de confirmer la contrainte n°300.... et de condamner l'intimé aux dépens des deux instances liquidés à 480 euros par instance, soit 960 euros.
L'intimé demande à titre principal la production de l'ensemble du dossier administratif qui a conduit à l'insuffisance de la valeur de construction et à titre subsidiaire, demande la confirmation du jugement déféré et la condamnation de l'Etat belge à la restitution de toutes sommes indûment perçues, aux intérêts moratoires et aux dépens liquidés à 960 euros.
Il- Discussion
Quant à la demande de production de pièces
L'Etat belge produit notamment le procès-verbal du 12 septembre 2001 qui repend les différentes phases de la procédure d'expertise.
L'intimé était du reste partie à cette procédure et dispose de toutes ces pièces.
Le demande de production de pièces n'est pas précise quant aux pièces déterminées à produire et la cour n'aperçoit pas la nécessité de faire produire des pièces en possession de l'intimé relatives à l'expertise sur laquelle il a été statué de manière définitive.
Quant à la prescription
En vertu de l'article 59,§ 2 du Code de la TVA,§ 2 en sa version applicable,
« Sans préjudice des autres moyens de preuve prévus au § 1er, le fonctionnaire désigné par le Roi ou l'assujetti a la faculté de requérir l'expertise pour fixer la valeur normale des biens et des services visés à l'article 36, § 1er et 2.
Cette faculté existe également en ce qui concerne les biens visés à l'article 12, § 2, et les services visés à l'article 19, § 2, lorsque ceux-ci portent sur l'érection d'un bâtiment.
La base minimale d'imposition est déterminée par la valeur normale du bien ou du service telle qu'elle est fixée par l'expert.
Le Roi arrête la procédure d'expertise. li détermine le délai dans lequel cette procédure doit être introduite et indique la personne qui doit en supporter les frais».
En vertu de l'article 36 du Code de la TVA en sa version applicable,« § 1er. La base d'imposition ne peut être inférieure à la valeur normale, telle qu'elle est déterminée par l'article 32, alinéa 2, en ce qui concerne :
a) les bâtiments visés à l'article 9, § 3;
b) les prestations de services avant pour objet des travaux immobiliers, lorsqu'elles portent sur des bâtiments à ériger.
§ 2.Lorsque le maître de l'ouvrage conclut plusieurs contrats pour l'érection d'un bâtiment , le total des bases d'imposition applicables à ces contrats ne peut être inférieur à la valeur normale cumulée des travaux.
Quand des travaux immobiliers sont relatifs à l'achèvement d'un bâtiment qui a été acquis avec paiement de la taxe, le total des bases d'imposition ne peut être inférieur au minimum indiqué à l'alinéa précédent.( ...) ».
En vertu de l'article 32, alinéa 2 du Code de la TVA en sa version applicable
« La valeur normale est représentée par le prix pouvant être obtenu à l'intérieur du pays pour chacune des prestations, au moment où la taxe est due, dans des conditions de pleine concurrence entre un fournisseur et un preneur indépendants, se trouvant au même stade de commercialisation».
L'intimé a déposé la déclaration prescrite à l'article 64, § 4 du Code de la TVA le 23 mars 1983 pour une maison d'habitation située à Clavier, r•• S•• l•• C•••••••, •• (cf. PV 12.09.2001- pièce 2 du dossier de l'appelant).
A défaut d'accord sur le prix normal de la construction de 1.780.000 FB selon l'administration révélant une insuffisance à taxer de 400.982 FB (cf. relevé de régularisation- pièce 1 du dossier de l'appelant), l'administration a notifié en date du 14 décembre 1984 le recours à l'expertise en application de l'article 59, § 2 du Code de la TVA.
L'expert a déposé son rapport le 23 juillet 1985 et une expédition de ce rapport a été notifiée le 25 juillet 1985 (cf. PV du 12 septembre 2001- pièce 2 du dossier de l'appelant).
En vertu de l'article 12 de l'arrêté royal n°15 du 3 juin 1970 qui organise la procédure d'expertise visée par l'article 59, § 2 du code de la TVA, en sa version applicable, « La décision des experts n'est susceptible d'aucun recours. Toutefois, le receveur ou la partie adverse, peut demander la nullité de l'expertise pour contravention à la loi, pour erreur matérielle ou pour violation des formes substantielles. L'action est intentée, à peine de déchéance, dans le délai d'un mois à dater de la signification du rapport ; elle est portée devant le tribunal compétent d'après les règles ordinaires - du lieu indiqué à l'article 5. Si la nullité est prononcée, le tribunal par le même jugement, ordonne d'office une nouvelle expertise ».
Par citation du 23 août 1985, l'intimé a sollicité l'annulation de l'expertise devant le tribunal de première instance de Huy, lequel, par jugement du 21 octobre 1999, a reçu la demande et l'a déclarée non fondée (cf. PV du 12 septembre 2001-pièce 2 du dossier de l'appelant).
Ce jugement a été signifié à l'intimé par exploit du 28 février 2000 (cf. conclusions de l'appelant et pièce 4 du dossier déposé par l'intimé au greffe de la cour le 18 octobre 2018).
En vertu de l'article 81bis, § 2 du Code de la TVA, « Lorsqu'il résulte de la procédure visée à l'article 59, § 2, que la taxe a été acquittée sur une base insuffisante, l'action en recouvrement de la taxe supplémentaire, des intérêts, des amendes fiscales et des frais de procédure se prescrit par deux ans à compter du dernier acte de cette procédure ».
Le dernier acte de la procédure visée à l'article 59 § 2 du Code de la TVA n'est pas le rapport d'expertise, lorsque celui-ci fait l'objet comme en l'espèce d'un recours, mais le dernier acte clôturant ce recours.
L'appelant relève à juste titre que le jugement tribunal de première instance de Huy a été signifié le 28 février 2000 et que la prescription a pris cours à partir de cette date de sorte que la contrainte décernée le 10 octobre 2001 et rendue exécutoire le 11 octobre 2001 a valablement interrompu la prescription de deux ans qui n'était pas échue à ce moment.
Par ailleurs, en application 83, alinéa 2 du Code de la TVA, la prescription est suspendue depuis l'acte introductif d'instance, soit la citation de l'intimé du 12 avril 2002 (cf. pièce 1 du dossier de procédure d'instance).
Il s'ensuit que l'action en recouvrement des taxes, amendes, intérêts et frais repris dans la contrainte n'est pas prescrite.
Quant au fond
En vertu de l'article 36 du Code de la TVA précité, la base d'imposition de la TVA due sur les travaux immobiliers qui concourent à l'érection d'un bâtiment ne peut être inférieure à la valeur normale de ces travaux.
Ce régime particulier est à mettre en relation avec la présomption de l'article 64, § 4 du CIR 92 selon laquelle« Tout bâtiment nouvellement construit est réputé avoir été livré par un assujetti en exécution d'une ou de plusieurs prestations de services ayant pour objet des travaux immobiliers, sauf lorsqu'il est prouvé qu'il a été cédé dans les prévisions de l'article 9, § 3... », cette présomption impliquant que, pour chaque bâtiment nouvellement construit, il doit en principe exister des factures à concurrence de la valeur normale des prestations de service (cf. Circulaire n°l6 du 28 juin 1973, point 16).
Ce régime est clairement destiné à prévenir et rectifier certaines formes de fraude fiscale.
La valeur normale des travaux a été déterminée par l'expertise conformément à l'article 59, § 2 du Code de la TVA selon lequel notamment« La base minimale d'imposition est déterminée par la valeur normale du bien ou du service telle qu'elle est fixée par l'expert ».
En outre, en vertu de l'article 10 de l'arrêté royal n°15 du 3 juin 1970 qui organise la procédure d'expertise visée par l'article 59, § 2 du code de la TVA, l'évaluation de l'expert détermine la valeur pour la perception de la taxe.
La validité de l'expertise ne peut plus être mise en cause, dès lors que le recours introduit contre celle-ci a été déclaré non fondé par le jugement du tribunal de première instance de Huy du 21 octobre 1999 coulé en force de chose jugée.
Il est déduit de la valeur normale des travaux les factures relatives aux travaux immobiliers et aux matériaux de construction que le propriétaire doit conserver et déclarer en application de l'article 64, § 4 du Code de la TVA , ce qui n'exclut pas que soit déduite la valeur normale des travaux ou matériaux facturés si elle est supérieure au prix des travaux et matériaux facturés {cf. en ce sens Q.P. n°1102 de Mme Pieters du 23.01.2006, Questions et Réponses, Chambre, 2005- 2006, n°110, p. 20582-20585) mais l'intimé ne justifie en rien que les prix des travaux ou matériaux lui facturés pris en compte seraient inférieurs à leur valeur normale en raison de ristournes ou réductions de prix qui lui auraient été accordées.
Ce régime n'apparaît pas contraire au droit européen, ce que l'intimé n'établit pas.
L'arrêt du 10 avril 1984 de la Cour de justice invoqué par l'intimé a considéré qu' « En maintenant, dans le secteur des voitures, comme base d'imposition de la TVA le prix de catalogue en tant que mesure particulière dérogatoire à l'article 11 de la sixième directive, sans que les conditions prévues dans l'article 27, paragraphe 5, de ladite directive soient réunies, le royaume de Belgique a manqué aux obligations qui lui incombent en vertu du traité CEE. » {cf. Affaire n°324/82), ce qui est étranger aux travaux immobiliers qui concourent à l'érection d'un bâtiment et par ailleurs, l'arrêt du 30 mars 1988 qui n'est pas publié sur le site de la Cour de justice épingle selon l'intimé l'absence de prise en compte de ristourne ou diminution de prix, ce qui n'est pas en cause en l'espèce, dès lors que celles-ci peuvent être déduites de la valeur normale des travaux à condition de les établir, ce que l'intimé ne fait pas.
Il s'ensuit que les taxes en cause qui découlent de l'insuffisance des travaux et matériaux facturés par rapport à la valeur normale déterminée par l'expertise sont dus.
Quant au délai raisonnable
L'intimé invoque le dépassement du délai raisonnable en raison du temps séparant la fin de la mission de l'expert en 1985 et l'établissement de la contrainte en 2001.
Ce délai s'explique par le recours contre l'expertise introduit par l'intimé qui donnera lieu au jugement du tribunal de première instance de Huy du 21 octobre 1999 qui sera signifié le 28 février 2000.
Les garanties prévues à l'article 6 § 1er de la Convention européenne des droits de l'homme ne sont pas applicables aux contestations relatives à l'établissement de l'impôt proprement dit (cf. Cass. 21 septembre 2018, F.15.0005.N, www. jure.juridat.just.fgov.be; M. Moris, « La Convention européenne des droits de l'homme et le droit fiscal : perspective et évolution », RGCF 2009/6 p. 483 ; C.E.D.H., 23 juillet 2002, Janosevic c. Suède, point 64) et l'exigence du délai raisonnable ne peut concerner en l'espèce que les amendes à caractère pénal, soit en l'espèce l'amende de 91.014 FB établie en application de l'article 70, § 5 du Code de la TVA.
Le délai raisonnable prend cours au moment où la personne concernée est « accusée », soit le jour où elle se trouve dans l'obligation de fait de se défendre (cf. D. Vandermeersch, "Le contrôle et la sanction du dépassement du délai raisonnable aux différents stades du procès pénal", Rev. Dr.Crim. 2010, p. 981 et références citées).
e caractère raisonnable de la durée d'une procédure s'apprécie suivant les circonstances de la cause et eu égard aux critères consacrés par la jurisprudence de la Cour européenne des droits de l'homme et en particulier, la complexité de l'affaire, le comportement de la personne concernée et celui des autorités compétentes ainsi que l'enjeu du litige pour les intéressés (cf. Cour. Eur. D.H., Jouan c. Belgique, 12 février 2008, Requête n°5950/05, point 37 et référence citée, décision publiée sur le site Hudoc.echr.coe.int).
Seules des lenteurs imputables à l'Etat peuvent du reste amener à constater un dépassement du délai raisonnable (cf. Cour eur. D.H., Vendittelli/ltalie, 18 juillet 1994, Requête n°14804/89, point 25, décision publiée sur le site Hudoc.echr.coe.int).
La Cour européenne considère en outre à propos du dépassement du délai raisonnable à juste titre que « l'intéressé est tenu seulement d'accomplir avec diligence les actes le concernant, de ne pas user de manœuvres dilatoires et d'exploiter les possibilités offertes par le droit interne pour abréger la procédure (...) » (Union Alimentaria Sanders S.A. c. Espagne, arrêt du 7 juillet 1989, série A n° 157, p. 13, § 35) (cf. CEDH, 8 juin 2004, AFFAIRE CLINIQUE MOZART SARL c. France, (Requête n°46098/99), point 35).
L'intimé omet en l'espèce de tenir compte de ce que le délai important relevé est lié au recours qu'il a lui-même introduit contre l'expertise et qu'il disposait de moyens procéduraux pour faire trancher ce litige devant le tribunal de première instance de Huy plus tôt qu'il ne l'a été, moyens qu'il ne justifie pas avoir utilisé, l'intimé n'établissant pas la responsabilité de l'appelant dans le délai séparant le dépôt de l'expertise de la date de la contrainte qui fait suite à la signification du jugement du tribunal de Huy en date du 28 février 2000.
Par ailleurs, c'est l'Etat belge qui a dû faire refixer la cause devant le premier juge, l'intimé ne diligentant pas son action et ne justifiant pas non plus avoir exploité les possibilités offertes par le droit interne pour abréger la procédure.
Il s'ensuit que c'est à tort que l'intimé invoque le dépassement du délai raisonnable.
Beschikkend gedeelte
PAR CES MOTIFS
Vu l'article 24 de la loi du 15 juin 1935 sur l'emploi des langues en matière judiciaire,
La Cour, statuant contradictoirement, Dit l'appel recevable et fondé.
Réforme le jugement déféré en toutes ses dispositions.
Dit l'action de l'intimé recevable mais non fondée et confirme la contrainte litigieuse portant le n° C.T.R.I. 300.... décernée le 10 octobre 2001, visée et rendue exécutoire le 11 octobre 2001.
Condamne l'intimé aux dépens des deux instances liquidés à 960 euros.
Ainsi jugé et délibéré par la NEUVIEME chambre B de la cour d'appel de Liège, où siégeait le président de chambre ... comme juge unique et prononcé en audience publique du 20 avril 2020 par le président ..., avec l'assistance du greffier ....
Signatures
De gegevens van een partij die de FOD Financiën leesbaar liet (privéadres) zijn hier door punten vervangen. De tekst is nergens anders gewijzigd.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.