Moratoire interesten;vrijstelling;procedure;bevoegdheden van de gewestelijke directeur, moratoriuminterest · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen 27 januari 2006

Zoeken

Moratoire interesten;vrijstelling;procedure;bevoegdheden van de gewestelijke directeur, moratoriuminterestmoratoire interesten;vrijstelling;procedure;bevoegdheden van de gewestelijke directeur

https://juriel.be/nl/rechtspraak/moratoire-interesten-vrijstelling-procedure-bevoegdheden-rechtbank-antwerpen-2006-01-27-db68

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Antwerpen
Datum
27 januari 2006

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
ongunstig voor de Belgische Staat

Tekst

82 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen dd

Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen dd. 27.01.2006, Zaak 04/4615/A

De Fiscale Koerier 2006/417

Moratoire interesten?

Vrijstelling.

Procedure.

Bevoegdheden van de gewestelijke directeur.

Samenvatting

Een belastingplichtige betaalt in maandelijkse schijven een oude BTW-schuld af. Hij dient bij de gewestelijke directeur een verzoekschrift in tot kwijtschelding van nalatigheidsinteresten. Het verzoekschrift wordt door de gewestelijke directeur zonder enige motivering afgewezen.

De belastingplichtige besluit de beslissing van de gewestelijke directeur aan te vechten voor de rechtbank.

In haar verweer voor de rechtbank voert de Administratie aan dat de rechtbank niet bevoegd is om de beslissing van de gewestelijke directeur te vernietigen. De Administratie voert ook aan dat de rechtbank in geen geval vrijstelling van interesten kan verlenen omdat het recht om een dergelijke vrijstelling te verlenen, bij toepassing van artikel 84bis van het WBTW tot de exclusieve bevoegdheid van de gewestelijke directeur behoort.

Volgens de rechtbank is een geschil m.b.t. een verzoek tot vrijstelling van nalatigheidsinteresten onmiskenbaar een geschil betreffende de toepassing van een belastingwet. Een dergelijk geschil behoort tot de bevoegdheid van de rechtbank.

Overeenkomstig artikel 84bis van het WBTW mag de gewestelijke directeur van de BTW in bijzondere gevallen vrijstelling verlenen van nalatigheidsinteresten. De mogelijkheid om een dergelijke vrijstelling te bekomen is een gunstmaatregel die enkel kan worden verleend door de gewestelijke directeur. De rechtbanken kunnen niet in de plaats treden van de gewestelijke directeur.

De nalatigheidsinteresten die inzake BTW worden aangerekend, hebben geen strafrechtelijk karakter in de zin van artikel 6.1 van het EVRM. Als gevolg hiervan hebben de rechtbanken geen volle rechtsmacht over de verschuldigdheid van nalatigheidsinteresten inzake BTW.

De rechtbank stelt vast dat de gewestelijke directeur het verzoek van de belastingplichtige zonder enige motivering heeft afgewezen. Aldus is de beslissing strijdig met de motiveringsvereiste in de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen.

Een beslissing omtrent kwijtschelding van nalatigheidsinteresten die niet gemotiveerd is, is onwettig en moet worden vernietigd.

Volledige tekst

Tekst van de beslissing

V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op zevenentwintig januari tweeduizend en zes

in openbare zitting van de 1F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden:

P. W., enig rechter,

N. D., adjunct-griffier.

__________________________________

In zake: A.R.NR. 04/4615/A

K. E.,

wonende te ... .

EISENDE PARTIJ

- verschijnende bij meester F. J. loco meester L. V., advocaat, kantoorhoudende te ... .

tegen:

DE BELGISCHE STAAT.

Federale Overheidsdienst Financiën Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de heer Gewestelijk Directeur van de Gewestelijke Directie te Antwerpen, waarvan de burelen gevestigd zijn te ... .

VERWERENDE PARTIJ

- verschijnende bij meester D. V. loco meester R. L., advocaat, kantoorhoudende te ... .

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer:

- het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 4 augustus 2004,

- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, §2 van het Gerechtelijk Wetboek op 20 oktober 2004,

- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 13 januari 2006.


Gelet op het verzoekschrift van 3 juli 2003 tot vrijstelling van nalatigheidsintresten bij de bevoegde directeur.

Gelet op de bestreden beslissing van de gewestelijke directeur, directie BTW Antwerpen, van 14 juli 2004 en op dezelfde datum verzonden aan de belastingplichtige, waarbij geen vrijstelling van nalatigheidsintresten werd verleend.

Gelet op het verzoekschrift tijdig neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 4 augustus 2004 waarbij een afschrift van de bestreden beslissing was gevoegd.

De vordering beoogt de directorale beslissing teniet te doen, dienvolgens eiser vrijstelling van nalatigheidsintresten te verlenen met betrekking tot de BTW schuld gekend onder RCIV nr. ..., verweerder te gelasten om de reeds betaalde intresten over te boeken voor aanzuivering van de verschuldigde BTW en om de eventueel teveel betaalde bedragen terug te betalen en verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding.

Relevante feiten

Bij kennisgeving van dwangbevel werd eiser op 25 november 1998 medegedeeld dat hij in gebreke blijft de volgende sommen te voldoen, namelijk:

- BTW 510.001,-BEF

- wettelijke intresten 240.720,-BEF

Op 3 juli 2003 heeft eiser een verzoekschrift tot vrijstelling van nalatigheidsintresten ingediend bij de bevoegde directeur van BTW; bij beslissing van 14 juli 2004 werd eiser echter geen vrijstelling van nalatigheidsintresten verleend inzake deze BTW schuld.

Inzake personenbelasting werd eiser daarentegen bij beslissing van 18 april 2001 van de gewestelijke directeur te Antwerpen, afdeling invordering, wel vrijstelling van nalatigheidsintresten verleend en werden de reeds aangerekende intresten overgeboekt voor aanzuivering van de nog verschuldigde belastingen.

Beoordeling

Betreffende de bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens artikel 569,lid 1,32° Ger. W. is de rechtbank van eerste aanleg exclusief bevoegd om kennis te nemen van de geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet.

Bijgevolg is de rechtbank van eerste aanleg bevoegd om uitspraak te doen over de wettelijkheid van om het even welke individuele toepassing van een belastingnorm, terwijl de Raad van State sedert 6 april 1999 enkel nog bevoegd is om uitspraak te doen over normatieve fiscale rechtshandelingen of in de gevallen waarin de wet de beoordelingsbevoegdheid expliciet aan de Raad van State heeft toegewezen (Gedr. St. Kamer 1997-98, nummer 1341/1, 35: "Sommige individuele fiscale rechtshandelingen - zoals het (niet-) vrijstellen van de betaling van nalatigheidsintresten (artikel 417 WIB92) - konden tot dusver, bij gebreke aan bijzondere bevoegdheid van de rechterlijke macht, slechts bij de Raad van State worden aangevochten").

De vordering van eiser tot vrijstelling van nalatigheidsintresten is onmiskenbaar een geschil betreffende de individuele toepassing van een belastingwet, waarvan de beoordelingsbevoegdheid niet expliciet is toegewezen aan de Raad van State, zodat de rechtbank bevoegd is en de vordering derhalve toelaatbaar is.

Betreffende de omvang van de rechtsmacht van de rechtbank

Krachtens artikel 84bis W.BTW mag de bevoegde gewestelijke directeur van de BTW, registratie en domeinen, onder door hem bepaalde voorwaarden, in bijzondere gevallen, vrijstelling verlenen voor alle in artikel 91§1 en 2 bedoelde intresten of voor een deel ervan.

Uit artikel 84bis W.BTW volgdt dat eiser geen subjectief recht heeft te worden vrijgesteld van zijn wettelijke verplichting om nalatigheidsintresten te betalen en dat de mogelijkheid om deze vrijstelling te bekomen een gunstmaatregel is die, volgens de tekst van dit artikel, enkel kan verleend worden door de gewestelijke directeur.

Alles wat onder de beoordelingsbevoegdheid van de gewestelijke directeur valt, valt met volle rechtsmacht onder de controle van de rechtbank, behoudens wanneer een bijzondere bepaling uitdrukkelijk aan de gewestelijke directeur een discretionaire bevoegdheid toekent omtrent een te nemen beslissing, in welk geval de rechtbank de gewestelijke directeur zijn beoordelingsvrijheid niet mag ontnemen en niet in zijn plaats mag treden (vergelijk Cass. 4 maart 2004 inzake rolnummer C030346N, http://www.cass.be, Cass. 17 april 2000, Arr.Cass, 2000, 258 en Cass. 2 februari 1998, R.W. 1998-99, 1142).

Nu eiser geen subjectief recht heeft te worden vrijgesteld van zijn wettelijke verplichting om nalatigheidsintresten te betalen en nu artikel 84bis W.BTW uitdrukkelijk aan de gewestelijke directeur een discretionaire bevoegdheid toekent omtrent de vrijstelling van de nalatigheidsintresten, mag de rechtbank niet in de plaats treden van de gewestelijke directeur.

Bovendien dient te worden opgemerkt dat de verschuldigdheid van nalatigheidsintresten een loutere schadeloosstelling is wegens de vertraging in de betaling van de BTW schuld zodat deze verschuldigdheid geenszins een straf is en aldus geen strafrectelijk karakter heeft in de zin van artikel 6.1 EVRM.

Aangezien fiscale geschillen geen geschillen zijn over burgerlijke rechten en verplichtingen in de zin van artikel 6.1 EVRM en aangezien de verschuldigdheid van nalatigheidsintresten evenmin een strafrechtelijk karakter heeft in de zin van artikel 6.1 EVRM, heeft de rechtbank over deze verschuldigdheid geen controle met volle rechtsmacht op grond van artikel 6.1 EVRM (en EHRM 14 september 2004, F.J.F. 2005/126, EHRM 12 juli 2001, T.F.R. 2001/94 en Cass., 23 jan. 1992, Pas., 1992,I,nr. 269,p. 453).

Bijgevolg heeft de rechtbank geen rechtsmacht om vrijstelling van nalatigheidsintresten te verlenen en heeft zij enkel rechtsmacht om te oordelen over de wettelijkheid van de bestreden beslissing van de gewestelijke directeur.

Betreffende de wettelijkheid van de bestreden beslissing van de gewestelijke directeur.

De beslissing van de gewestelijke directeur dient te beantwoorden aan de motiveringsvereiste van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen.

De bestreden beslissing beantwoordt aan deze motiveringsvereiste wanneer deze beslissing door haar inhoud geen twijfel laat omtrent de juridische en feitelijke overwegingen die hieraan ten grondslag liggen en die op voldoende wijze aan de belastingschuldige kenbaar moeten worden gemaakt teneinde hem toe te laten de gegrondheid ervan te beoordelen.

Bij de motiveringsverplichting wordt een onderscheid gemaakt naargelang de administratie een gebonden bevoegdheid dan wel een discretionaire bevoegdheid uitoefent:

- gebonden bevoegdheid, dit is wanneer de wet de inhoud of het voorwerp van de beslissing bepaalt die het bestuur moet nemen zodra de gestelde voorwaarden vervuld zijn, zodat er van beleidsvrijheid geen sprake is: de motivering speelt hierbij slecht een ondergeschikte rol (P. V. O., De uitdrukkelijke motivering van administratieve rechtshandelingen, R.W. 1991-92, 488),

- discretionaire bevoegdheid, dit is wanneer de administratie op grond van haar eigen appreciatie al da niet kan optreden, of de keuze heeft van de maatregel die het meest geschikt voorkomt om het gestelde doel te bereiken: de motivering heeft vooral hierbij belang en de administratie dient dan ook meer uitleg te verschaffen dan bij een gebonden bevoegdheid.

De gewestelijke directeur beschikt met betrekking tot de "bijzondere gevallen" bedoeld in artikel 84bis W.BTW over een zeer ruime beoordelingsbevoegdheid en hij dient zich niet te voegen naar de ministeriële toelichtingen of circulaires, welke slecht als aanbeveling gelden; de beslissing van de gewestelijke directeur moet berusten op rechtens aanvaardbare motieven die steun vinden in werkelijk bestaande feiten.

Uit artikel 84bis W.BTW volgt aldus dat de gewestelijke directeur een discretionaire bevoegdheid uitoefent zodat de motivering van zijn beslissing dan ook van belang is en er dan ook meer uitleg moet worden verschaft dan bij een gebonden bevoegdheid.

In de bestreden beslissing werd het verzoek tot vrijstelling van nalatigheidsintresten louter afgewezen zonder enige motivering.

De veronachtzaming van de motiveringsplicht heeft de onwettigheid van de bestreden beslissing tot gevolgd zodat deze beslissing dan ook dient te worden vernietigd.

Beschikkend gedeelte

OM DIE REDENEN

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Verklaart de vordering toelaatbaar en als volgt gegrond.

Vernietigt de bestreden beslissing van de gewestelijke directeur, directie BTW Antwerpen, van 14 juli 2004.

Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding tot op heden door eiser begroot op 349,54 EUR rechtsplegingsvergoeding en door de rechtbank ambtshalve vereffend op 178,48 EUR rechtsplegingsvergoeding.

Wijst het meer en / of anders gevordere af.

N. D.

P. W.

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 84bis2 voorkomens

Vergelijkbare beslissingen

8