Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel d.d. 01.09.2021
WF 700-15-15/018956
[Gunstig voor de Belgische Staat]
Belasting over de toegevoegde waarde – leasingnemer – niet in België gevestigde belastingplichtige – rechtstreekse btw-identificatie – geen erkende aansprakelijke vertegenwoordiger – onroerende handelingen – Veralgemeende verlegging van de heffing niet toepasselijk
Belasting over de toegevoegde waarde – Proportionele geldboeten – Schending van een duidelijke regel – Geen buitensporig percentage – Vermindering op grond van strafrechtelijk karakter (verwerping)
Wettelijke bepalingen
Artikelen 51, § 2, 5° en 70, § WBTW
Artikel 812 Ger.W.
Samenvatting
In deze zaak weigert de FOD Financiën de toepassing van de regeling voor de verlegging van de heffing van artikel 51, §2, 5°, WBTW ("veralgemeende verlegging van de heffing") op grond van het feit dat de begunstigde van de diensten, die niet in België is gevestigd, voor btw-doeleinden is geïdentificeerd zonder aansprakelijk vertegenwoordiger.
Eiseres, een Oostenrijkse btw-belastingplichtige, heeft in België onroerende handelingen verricht en heeft facturen uitgereikt aan haar Italiaanse klant. Zij had een Belgisch identificatienummer gekregen, zonder vertegenwoordiger in België net zoals de klantvennootschap naar Italiaans recht ("rechtstreekse btw-identificatie" voor beide belastingplichtigen).
De vennootschap naar Italiaans recht werd gedagvaard in tussenkomst en gemeenverklaring. Zij is aanwezig noch vertegenwoordigd.
Volgens eiseres kan het voordeel van de regeling van de verlegging van de heffing van de belasting niet geldig worden onderworpen aan het vereiste van een vertegenwoordiger ter plaatse voor de ontvanger van de diensten. Voorts betoogt eiseres dat de Italiaanse klantvennootschap de betwiste btw heeft betaald en dat de Staat een dubbele betaling nastreeft.
De rechtbank analyseert de wettelijke voorwaarden voor de toepassing van artikel 51, §2, 5° WBTW.
Het is noodzakelijk dat de betrokken handeling niet is vrijgesteld en in België plaatsvindt, hetgeen niet wordt betwist. Circulaire E.T.103.925 van 4 maart 2003, waarnaar de Staat verwijst, verduidelijkt de bewoordingen van artikel 51, § 2 WBTW.
Artikel 51, §2, 5° WBTW is niet van toepassing wanneer de ontvanger van de handeling een niet in België gevestigde belastingplichtige is, die :
· hetzij voor de btw is geïdentificeerd in België onder een individueel nummer, zonder erkende aansprakelijke vertegenwoordiger (rechtstreekse identificatie);
· hetzij vertegenwoordigd is door een vooraf erkende persoon, onder een globaal btw-identificatienummer (z. art. 55, § 3, 2e lid, WBTW).
· Hetzij niet voor btw-doeleinden geïdentificeerd , noch vertegenwoordigd is in België.
Hieruit volgt dat het statuut van de klant van eiseres, zijnde een niet in België gevestigde persoon die voor btw-doeleinden is geïdentificeerd zonder erkende aansprakelijk vertegenwoordiger ("rechtstreeks geïdentificeerd"), in de weg staat aan de gevraagde regeling.
De Staat beroept zich ook op richtlijn 2006/112/EG van de Raad van de Europese Unie, op grond waarvan zij kan stellen dat de Belgische regeling hiermee in overeenstemming is, gelet op de mogelijkheid die deze richtlijn de lidstaten in dit opzicht laat. Eiseres heeft in dit verband geen argumenten aangevoerd.
Eiseres stelt dat de btw daadwerkelijk door haar Italiaanse klant is betaald. De Belgische Staat heeft documenten overgelegd waaruit het tegendeel blijkt. De tegenpartij heeft met betrekking tot deze documenten geen argumenten aangevoerd.
Inzake de bij toepassing van artikel 70, § 1 opgelegde proportionele geldboete, die is verminderd tot 20 %, is de rechtbank van oordeel dat dit percentage, gelet op de schending van een duidelijke regel, niet buitensporig lijkt en evenmin een verlaging rechtvaardigt wegens het strafrechtelijke karakter van deze geldboete.
Inzake de vordering tot dagvaarding in tussenkomst en gemeenverklaring, heeft verweerster zich in de procedure niet kenbaar gemaakt. Niets staat in dit opzicht aan de vordering in de weg.
Opmerkingen
Eiseres heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis.
De in artikel 51, §2, 5° WBTW voorziene regeling voor de verlegging van de heffing is van toepassing op alle leveringen van goederen en diensten die worden geacht in België plaats te vinden en die door een niet in België gevestigde belastingplichtige (dat wil zeggen een belastingplichtige die in een andere EU-lidstaat of buiten de EU is gevestigd) worden verricht aan een in België gevestigde afnemer die daar periodieke btw-aangiften indient, of die niet in België is gevestigd maar voor btw-doeleinden in België is geïdentificeerd en een fiscaal vertegenwoordiger heeft aangewezen.
Betreffende de verplichte aanwijzing van een fiscaal vertegenwoordiger betreft, wordt in de circulaire van 2003 verwezen naar Richtlijn 2000/65/EG tot wijziging van de Zesde Richtlijn met betrekking tot de bepaling van degene die tot voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde gehouden is.
Wat betreft richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006, waarop het HvJ zich in zijn arrest van 15 december 2011, C-624/10, heeft gebaseerd, laat deze richtlijn het aan de lidstaten over om in de artikelen 194 en 204 ervan de voorwaarden en procedures vast te stellen betreffende de tot voldoening van de belasting gehouden persoon en de mogelijkheid om al dan niet een fiscaal vertegenwoordiger als gehouden persoon aan te wijzen.
Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde bepaalt in de artikelen 193, 194 en 204 dat:
- Artikel 193:
De BTW is verschuldigd door de belastingplichtige die een belastbare goederenlevering of een belastbare dienst verricht, behalve in de gevallen waarin de belasting uit hoofde van de artikelen 194 tot en met 199 en artikel 202 door een andere persoon verschuldigd is.
- Artikel 194:
1. In het geval dat de belastbare goederenlevering of de belastbare dienst wordt verricht door een belastingplichtige die niet gevestigd is in de lidstaat waar de BTW verschuldigd is, kunnen de lidstaten bepalen dat de tot voldoening van de belasting gehouden persoon degene is voor wie de goederenlevering of de dienst wordt verricht.
2. De lidstaten stellen de voorwaarden voor de toepassing van lid 1 vast.
- Artikel 204:
“1. Wanneer bij de toepassing van de artikelen 193 tot en met 197 en de artikelen 199 en 200 de tot voldoening van de belasting gehouden persoon een belastingplichtige is die niet is gevestigd in de lidstaat waar de BTW verschuldigd is, kunnen de lidstaten hem de mogelijkheid geven een fiscaal vertegenwoordiger aan te wijzen als tot voldoening van de belasting gehouden persoon.
(…)
2. De in lid 1, eerste alinea, bedoelde mogelijkheid is onderworpen aan de door de respectieve lidstaten vastgestelde voorwaarden en uitvoeringsbepalingen.”
Tekst van het vonnis
Het vonnis wordt enkel gepubliceerd in de oorspronkelijke taal
Tekst van de beslissing
Tribunal de première instance francophone de Bruxelles – Section Civile, 34ème chambre du 01.09.2021
Jugement du 01/09/2021
Rôle : 2015/1951/A
TVA
Jugement contradictoire définitif
EN CAUSE DE:
La société de droit autrichien G. K. E. Gmbh.,
...
partie demanderesse et partie demanderesse en déclaration de jugement commun, ni présente ni représentée mais ayant pour conseil l'avocat X. H., ... ou ... -...
CONTRE:
L'ETAT BELGE, SPF Finances, Centre Assujettis Etrangers, dont les bureaux sont situés bld. du Jardin Botanique, 50 / 3412 à 1000 Bruxelles,
partie défenderesse, ayant comparu en personne, à l'intervention de M. Attaché Conseiller - ...
EN PRÉSENCE DE:
La société de droit italien G. I. sri., IT026...18, dont le siège est situé ...,
partie citée en déclaration de jugement commun, Ni présente, ni représentée.
Cause prise en délibéré le 30 juin 2021,
Vu les pièces de la procédure, et notamment
- la requête contradictoire, et annexes, déposées au greffe le 10 mars 2015;
- l'ordonnance rendue sur pied de l'article 747 CJ;
- les ultimes conclusions déposées les 3 juin 2016 (pour la partie demanderesse) et 1er mars 2018 (pour la partie défenderesse) ;
- la citation en déclaration de jugement commun signifiée à la requête de la demanderesse K. E. Gmbh, le 27 juin 2018.
Entendu les parties comparaissant à l'audience publique du 30 juin 2021.
La Procédure.
La demanderesse est une assujettie à la TVA autrichienne ayant effectué en Belgique des prestations immobilières soumises à la taxe, pour le compte d'une autre assujettie étrangère : une société de droit italien G. I. .
Le litige a trait à la décision de régularisation de la situation TVA de la demanderesse, prise le 21 août 2014 sur la base d'un PV du même jour, portant sur trois factures établies par la demanderesse à charge de cette cliente italienne pour le montant hors taxe de 2.156.708,80 €.
Ces factures ont été établies en mettant la taxe à charge du cocontractant
(« reverse charge ») 1.
L'administration fonde sa décision de régularisation sur le fait que la demanderesse avait obtenu pour ces prestations un numéro d'immatriculation belge, au titre de déposant mensuel sans représentant en Belgique, de même que la société de droit italien qui était sa cliente.
1 Art. 51 CTva § 1er. La taxe est due:
1° par l'assujetti qui effectue une livraison de biens ou une prestation de services imposable qui a lieu en Belgique;
<...>
§ 2. Par dérogation au§ 1er, 1°, la taxe est due:
1° par le preneur de services lorsque le prestataire de services est un assujetti qui n'est pas établi en Belgique et que la prestation de services est réputée avoir lieu en Belgique conformément à l'article 21,§ 2;
2° par le cocontractant qui conformément à l'article 50, est identifié à la taxe sur la valeur ajoutée, lorsqu'il s'agit de livraisons <...> ;
3° par le cocontractant lorsqu'il s'agit de livraisons de biens ou de prestations de services visées aux articles 39,§ 2, et 39quater;
4° par la personne qui fait sortir les biens placés sous un des régimes visés aux articles 39,§ 2, et 39quater;
5° par le cocontractant établi en Belgique qui est tenu au dépôt d'une déclaration visée à l'article 53, § 1er, alinéa 1er, 2°, ou par le cocontractant gui, n'étant pas établi en Belgique, y a fait agréer un représentant responsable conformément à l'article 55, § 1er ou§ 2, lorsque l'opération, livraison de biens ou prestation de services, est effectuée par un assujetti qui n'est pas établi en Belgique, que cette opération est imposable dans le pays et qu'elle n'est pas visée aux 1°, 2° et 6° de ce paragraphe, ni exemptée ou effectuée en exemption de la taxe en vertu des articles 39 à 44bis;
6° par le cocontractant qui est identifié à la taxe sur la valeur ajoutée sous un numéro comprenant les lettres BE, lorsque l'opération est effectuée par un assujetti qui n'est pas établi en Belgique et que cette opération est imposable dans le pays, en vertu de l'article 14bis.
Pour l'application de l'alinéa 1er, 1°, 5° et 6°, un assujetti qui dispose d'un établissement stable en Belgique est considéré comme un assujetti qui n'est pas établi en Belgique, lorsque cet établissement ne participe pas à la livraison de biens ou à la prestation de services.
Sur réclamation de la demanderesse, une décision administrative fut rendue le 10 décembre 2014, rejetant cette réclamation.
La demande telle que formulée en conclusions, tend à entendre :
« mettre à néant la décision du Directeur régional de la Direction TVA de Bruxelles 2 prise en date du 10 décembre 2014 et notifiée ultérieurement à la requérante, dans la mesure où cette décision n'a pas fait droit à la réclamation de la requérante,
mettre à néant la décision de régularisation rendue le 21 août 2014 dans la mesure où cette décision a été maintenue par la Direction régionale TVA Bruxelles 2 dans sa décision du 10 décembre 2014,
remettre intégralement les amendes et intérêts portés en compte, et
condamner l'État belge à procéder au remboursement de la TVA déductible constatée à son profit,
mettre l'ensemble des frais de la présente procédure à charge du défendeur, indemnité de procédure comprise fixée à 15.400,- € »
L'État sollicite le débouté de la demanderesse.
Discussion.
1- La demanderesse estime que le bénéfice du mécanisme de report de taxe ne peut valablement être soumis à l'exigence d'un représentant sur place pour le bénéficiaire des services soumis à la taxe.
Elle avance en outre le fait que la société italienne qui était sa cliente, a payé la taxe litigieuse et que l'État poursuit un double paiement.
2- Conditions légales.
2-1. Il est nécessaire que l'opération concernée ne soit pas exemptée et qu'elle soit localisée en Belgique, ce qui n'est pas contesté.
2-2. Au surplus, l'État se réfère à la circulaire E.T. 103.925 du 4 mars 2003,
(en son article 3/3-1. n°49), dont il est utile de reproduire le texte car il
éclaire les termes de l'article 51-§2 CTva.
« 49. L'article 51, § 2, 5° , du Code de la TVA < ...> reporte le paiement de la taxe dans le chef de la personne qui reçoit l'opération lorsque les conditions suivantes sont réunies:
1 ° L'assujetti qui effectue l'opération n'est pas établi en Belgique
Cette condition implique que l'assujetti qui effectue l'opération n'ait aucun établissement stable en Belgique, tel que défini au n° 9.
2 ° La personne qui recoit l'opération est :
soit un assujetti établi en Belgique et tenu au dépôt d'une déclaration visée à l'article 53, alinéa 1er, 3 ° du Code de la TVA (déclaration périodique à la TVA);
soit un assujetti non établi en Belgique, qui est identifié à la TVA en Belgique sous un numéro individuel , avec agrément d'un représentant responsable dans le pays (article 55, § 1er ou§ 2, du Code de la TVA).
= > L'article 51, § 2, 5 °, du Code de la TVA n'est pas applicable lorsque la personne qui reçoit l'opération est : < …>
un assujetti non établi en Belgique, qui
soit est identifié à la TVA en Belgique sous un numéro individuel, sans représentant responsable agréé (identification directe);
soit est représenté par une personne préalablement agréée sous un numéro global d'identification à la TVA en Belgique;
soit n'est pas identifié à la TVA ni représenté en Belgique. »
Il en résulte que le statut de la cliente de la demanderesse, étant une personne non établie en Belgique et identifiée à la tva belge sans responsable agréé (et, partant, 'identifiée directement'), s'oppose au mécanisme revendiqué.
2-3. L'État cite en outre la directive européenne 2006/112/CE du conseil lui permettant d'affirmer que le régime légal belge est conforme, compte tenu de l'option laissée en la matière aux États par cette directive.
2-4. La partie demanderesse n'a produit aucun argumentaire en réponse.
3- Double paiement.
La demanderesse lance l'idée que la taxe aurait effectivement été payée par sa cliente italienne
L'État produit des pièces (inventoriées 15 et 16) extraites du dossier fiscal de cette société démontrant le contraire.
La partie demanderesse n'a produit aucun argumentaire relativement à ces pièces.
4- Quant à l'amende.
L'avis de régularisation réclame une amende proportionnelle sur la base de l'article 70-§1 CTva avec réduction par application de l'article 4-§1 et de l'AR n.41 (tableau rubrique IV et V) ; soit le montant de 92.460 € pour une dette de taxe de 462.308,66 € - soit le taux de 20 %.
Au regard de la violation d'une règle claire, ce taux n'apparaît pas excessif ni justifiant une réduction au nom du caractère pénal de cette amende.
5- Quant à la demande en déclaration de jugement commun.
La partie défenderesse en déclaration de jugement commun ne s'est pas manifestée à la procédure.
Rien ne s'oppose à la demande à cet égard.
Beschikkend gedeelte
PAR CES MOTIFS, LE TRIBUNAL,
Vu les dispositions de la loi du 15 juin 1935 sur l'emploi des langues en matière judiciaire ;
Statuant contradictoirement et écartant toutes conclusions contraires,
Déclare la demande principale recevable, mais non fondée ;
En déboute la demanderesse G. K. E. Gmbh et la condamne aux dépens, liquidés pour l'heure à « 0 » euro dans le chef de l'État·,
Déclare la demande en déclaration de jugement commune recevable et fondée, et dit pour droit que la présente décision est prononcée en présence de la G. I. srl., dûment citée par la demanderesse.
Ainsi jugé et prononcé à l'audience publique de la 34ème chambre du Tribunal de première instance Francophone de Bruxelles, le 1er septembre 2021.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.