Uitvoer, bewijs Gerechtelijk recht, Nietigheid · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Gent 27 september 2022

Zoeken

Uitvoer, bewijs Gerechtelijk recht, Nietigheid

https://juriel.be/nl/rechtspraak/uitvoer-bewijs-gerechtelijk-recht-nietigheid-hof-van-beroep-gent-2022-09-27-1161

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Gent
Datum
27 september 2022

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

Tekst

161 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 27.09.2022

WF 714-15-19/014985

[Gunstig voor de Belgische Staat]

Belasting over de toegevoegde waarde – uitvoer – bewijs

Gerechtelijk recht – Nietigheid

Wettelijke bepalingen

Artikel 39, § 1 WBTW

Artikelen 2, 3, 5 en 6 van Koninklijk besluit nummer 18 van 29 december 1992, met betrekking tot de vrijstellingen ten aanzien van de uitvoer van goederen en diensten naar een plaats buiten de Gemeenschap, op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde.

Artikel 20 Ger.W.

Samenvatting

1. Feiten en voorgaande procedure

De appellante is als btw-belastingplichtige geregistreerd voor de activiteit van het fokken van paarden. Tijdens een controle stelt de administratie vast dat op drie verkoopfacturen geen btw werd gerekend. Appellante beroept zich hiervoor op de vrijstelling wegens uitvoer van artikel 39, § 1 WBTW.

De administratie oordeelde dat het in KB nr. 18 vermelde bewijs van echtheid van de uitvoer niet werd geleverd en dat de levering van goederen niet met vrijstelling van btw op grond van artikel 39, §1 WBTW kon worden gefactureerd als gevolg waarvan de leveringen onderworpen werden aan de Belgische btw aan het tarief van 21%.

Na een administratieve procedure waarbij het bezwaar van appellante werd afgewezen, legde appellante een verzoekschrift neer voor de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge. In het vonnis van 23 maart 2021 heeft de tiende kamer van deze rechtbank de vordering ontvankelijk verklaard doch afgewezen als ongegrond. Het is tegen dat vonnis dat de appellante hoger beroep heeft ingesteld.

2. Het arrest van het hof van beroep

a. Aangaande de motivering van het vonnis

Waar de appellante het bestreden vonnis een gebrekkige motivering verwijt, wijst het hof er op dat een eventueel gebrek in de motivering door de eerste rechter geen zelfstandige grond tot nietigheid van het bestreden vonnis kan opleveren. Middelen van nietigheid kunnen niet worden aangewend tegen vonnissen. Deze kunnen alleen worden vernietigd door de rechtsmiddelen bij de wet bepaald (artikel 20 Ger.W.). Dat wil zeggen dat het hof de middelen ten gronde zelf op gemotiveerde wijze moet ontmoeten.

b. Ten gronde

Een verkoper van goederen die zich beroept op de vrijstellingsregeling voorzien in artikel 39, § 1, 1° dan wel 2° WBTW moet bewijzen dat de voorwaarden voor toepassing van die bepaling, in het bijzonder dat de uitvoer daadwerkelijk is gebeurd, vervuld zijn. Het bewijs van echtheid van de uitvoer zowel in het kader van artikel 39, lid 1, 1° WBTW als artikel 39, lid 1, 2° WBTW, dient geleverd te worden door de appellante. De administratie voegt terzake geen voorwaarden toe aan de wet. Dat de kwestieuze transacties een occasioneel karakter zouden hebben, doet geen afbreuk aan deze bewijslast.

Het hof volgt de administratie waar zij stelt dat de appellante onvoldoende bewijs voorlegt dat de goederen naar een plaats buiten de Unie werden verzonden of vervoerd en deze goederen ten gevolge van deze verzending of dit vervoer daadwerkelijk het grondgebied van de Unie fysiek hebben verlaten.

Dat de kopers desgevallend de vervoersdocumenten hebben vervalst teneinde invoerrechten in Oekraïne te ontlopen en dat er andere gegevens dan de daadwerkelijke gegevens werden vermeld op de vervoersdocumenten, doet in dit geschil geen afbreuk aan de verplichtingen van de appellante als verkoper. Immers, een verkoper die, niettegenstaande hij te goeder trouw is, geen enkele zorgvuldigheid aan de dag legt teneinde te verifiëren of daadwerkelijk aan de vrijstellingsvoorwaarden is voldaan, kan niet op de rechtmatigheid van de uitvoerhandeling vertrouwen en louter verwijzen naar de (contractuele) verplichtingen van de afnemer.

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Hof van beroep Gent, Arrest, vijfde kamer

Arrest van 27/09/2022

Rol: 2021/AR/1395

In de zaak van:

C. H. B., ON 089...18,

met maatschappelijke zetel te ...,

appellante,

hebbende als raadsman mr. U. E., advocaat te ...

tegen

BELGISCHE STAAT/FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, ON 0308.357.159,

Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Adviseur-generaal, Centrumdirecteur K MO K ortrijk, met burelen te 9050 LEDEBERG (GENT), G. Crommenlaan 6 bus 742,

geïntimeerde,

hebbende als raadsman mr. D. C., advocaat te ... en mr. B. T., advocaat te ...

wijst het hof het volgend arrest:

1. De procedure voor het hof

Bij verzoekschrift neergelegd op 15 juli 2021 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, tiende kamer, op 23 maart 2021 werd uitgesproken in de zaak met rolnummer 20/352/A.

De partijen hebben vervolgens hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 28 juni 2022. Daarna werd het debat gesloten en nam het hof de zaak in beraad.

De appellante stelt dat het bestreden vonnis werd betekend op 15 juni 2021. Er is geen betwisting over de tijdigheid van het hoger beroep.

Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

2. De relevante feiten en de voorafgaande procedure

De appellante is als btw-belastingplichtige geregistreerd onder het nummer BE089...18 voor de activiteit van het fokken van paarden.

Midden 2018 werd bij de appellante een controle opgestart betreffende de handelingen die werden uitgevoerd tijdens de periode vanaf 1 januari 2015 tot 31 december 2017 in het kader van verkopen van paarden en andere goederen naar het buitenland. De administratie stelde het volgende vast:

"1) Verkoopfactuur met nummer 140405 {22/01/2015) maakt melding van de verkoop van een RTX-toestel voor 15.000 euro exclusief BTW. Er wordt geen btw-gerekend op deze factuur. Volgens de verkregen verklaringen is dit toestel vervoerd vanuit België naar Zwitserland met eigen vervoer om daarna vanuit Zwitserland via privé-jet van de koper te vertrekken naar [Ukraïne}. Hier werden geen douane-documenten (exemplaar 3 enig document) aangeleverd ter staving van de vrijstelling.

2) Verkoopfactuur met nummer 140589 {16/03/2015) maakt melding van de verkoop van paard U. Z. voor 60.000 euro exclusief BTW. Er wordt geen btw-gerekend op deze factuur. Volgens de verkregen verklaringen is dit paard vervoerd door de koper vanuit België naar Ukraïne met eigen vervoer. Hier werden geen douane-documenten (exemplaar 3 enig document) aangeleverd ter staving van de vrijstelling.

3) Verkoopfactuur met nummer 140522 {24/02/2015) maakt melding van de verkoop van paar W. d. d. n. voor 120.000 euro exclusief BTW. Er wordt geen btw­ gerekend op deze factuur. Volgens de verkregen verklaringen is dit paard vervoerd door de koper vanuit België naar Ukraïne met eigen vervoer. Hier werden geen douane-documenten (exemplaar 3 enig document) aangeleverd ter staving van de vrijstelling."

De administratie oordeelde dat het in KB nr. 18 vermelde bewijs van echtheid van de uitvoer niet werd geleverd en dat de levering van goederen niet met vrijstelling van btw op grond van artikel 39, §1 WBTW kon worden gefactureerd als gevolg waarvan de leveringen onderworpen werden aan de Belgische btw aan het tarief van 21%. De vastgestelde inbreuken werden opgenomen in een correctieopgave opgemaakt op 22 november 2018 waaruit een verschuldigde btw bleek van 40.950,00 euro en een (verminderde) boete van 10%.

Op 11 december 2018 werd een proces-verbaal opgesteld conform de correctieopgave, waarna een dwangbevel werd uitgevaardigd overeenkomstig de in het proces-verbaal opgenomen vaststellingen op 13 december 2018 voor de volgende bedragen:

- 40.950,00 euro aan verschuldigde btw,

- 4.090,00 euro aan proportionele geldboete, en

11.466,00 euro aan nalatigheidsinteresten (berekend tot 20 december 2018).

De appellante tekende hiertegen bezwaar aan. Na verzoek van de administratie om bijkomende stukken voor te leggen, vulde de appellante haar bezwaar aan bij brief van 3 juni 2019. De administratie wees dit bezwaar af bij beslissing van 8 januari 2020. De administratie oordeelde o.m. als volgt: "Er werd niet aangetoond dat de paarden en het RX toestel werden uitgevoerd. De voorgelegde documenten zowel in taxatiefase als in bezwaarfase tonen op geen enkele manier aan dat de betreffende goederen zoals vermeld op de verkoopfacturen werden uitgevoerd. Bijgevolg zijn de leveringen onderworpen aan de Belgische BTW."

Met een verzoekschrift neergelegd op 5 februari 2020 stelde de appellante haar vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge. In het vonnis van 23 maart 2021 heeft de tiende kamer van deze rechtbank de vordering ontvankelijk verklaard doch afgewezen als ongegrond, met veroordeling van de appellante tot de gedingkosten.

Het is tegen dat vonnis dat de appellante hoger beroep heeft ingesteld.

3. De vorderingen van de partijen

3.1. De vordering van de appellante

De appellante vraagt in hoger beroep aan het hof om:

het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, dienvolgens,

het vonnis waartegen hoger beroep teniet te doen, en nadat dit teniet zal zijn gedaan,

het oorspronkelijk verzet van appellante ontvankelijk en gegrond te verklaren, de aanslagen van am btswege gekend onder het kenmerk 714...85, m. b.t. de gecontroleerde periode 1/2015-12/2015 te vernietigen en te zeggen voor recht dat appellante geen BTW is verschuldigd op de verkoop van de paarden U. Z. en W. d. d. n.; dienvolgens: het bestreden dwangbevel uitgevaardigd door De Belgische Staat, Algemene administratie van de inning en de invordering van de FOD Financiën, vertegenwoordigd door haar Adviseur Invordering-Ontvanger van het Team Invordering rechtspersonen Kortrijk, met kantoren gevestigd te 8500 Kortrijk, Hovenierstraat 31 in datum van 13 decem ber 2018 met Nr. 50...577 en uitvoerbaar verklaard door de e.a. inspecteur van de B. T.W. te Kortrijk in datum van 14 december 2018 en zoals op 16 januari 2020 betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder W. H., met standplaats te …, teniet te doen; en nadat dit teniet zal zijn gedaan, geïntimeerde te veroordelen tot terugbetaling van alle sommen die appellante heeft betaald of die ten laste van appellante werden ingehouden, verhoogd met de moratoire rente, geïntimeerde te veroordelen tot de kosten, begroot in hoofde van appellante op

rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg 3.250 €

rechtsplegingsvergoeding hoger beroep 3.250 €

3.2. De vordering van deuïntimeerde

De geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:

Het hoger beroep van appellante ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren;

Het bestreden vonnis a quo van de rechtbank van eerste aanleg West- Vlaanderen, afdeling Brugge van 23.03.2021, dat gewezen werd in de zaak met rolnummer 20/352/A te bevestigen;

Appellante te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, aan de zijde van geïntimeerde in graad van hoger beroep begroot op een bedrag van 3.500,00 euro.

Gezien geïntimeerde in eerste aanleg optrad zonder advocaat, kan zij in graad van eerste aanleg geen recht laten gelden op een rechtsplegingsvergoeding.

4. De betwistingen en hun beoordeling

4.1. Waar de appellante het bestreden vonnis een gebrekkige motivering verwijt, wijst het hof er op dat een eventueel gebrek in de motivering door de eerste rechter geen zelfstandige grond tot nietigheid van het bestreden vonnis kan opleveren. Middelen van nietigheid kunnen niet worden aangewend tegen vonnissen. Deze kunnen alleen worden vernietigd door de rechtsmiddelen bij de wet bepaald (artikel 20 Ger.W.). Dat wil zeggen dat het hof de middelen ten gronde zelf op gemotiveerde wijze moet ontmoeten.

4.2. Artikel 39, § 1 WBTW bepaalt dat van de BTW zijn vrijgesteld:

"1 ° de leveringen van goederen die door of voor rekening van de verkoper worden verzonden of vervoerd naar een plaats buiten de Gemeenschap;

2 ° de leveringen van goederen die door of voor rekening van een niet in België gevestigde koper worden verzonden of vervoerd naar een plaats buiten de Gemeenschap, met uitzondering van de door de koper zelf vervoerde goederen bestemd voor de uitrusting of de bevoorrading van pleziervaartuigen en sportvliegtuigen of van andere vervoermiddelen voor privé-gebruik, en van de door een reiziger in zijn persoonlijke bagage meegenomen goederen;

3° (...);

4° (...). IJ

Krachtens artikel 39, §3 WBTW worden de voorwaarden voor de toepassing van de vrijstelling voor uitvoer van goederen bij koninklijk besluit vastgelegd. Overeenkomstig KB nr. 18 van 29 december 1992 is voor de toepassing van de vrijstellingsregeling van artikel 39,

§1 WBTW vereist dat de volgende voorwaarden vervuld zijn, de volgende formaliteiten worden nagekomen en de volgende bewijzen worden geleverd:

- voor de vrijstelling opgenomen in artikel 39, §1, 1 ° WBTW:

o een kopie van de verkoopfactuur of, bij ontstentenis van een verkoopfactuur, een verzendingsstuk dat alle gegevens van een verkoopfactuur bevat, moet worden afgegeven op het douanekantoor waar, overeenkomstig de douanereglementering inzake uitvoer, een aangifte ten uitvoer moet worden ingediend (artikel 2);

o de verkoper van de goederen moet te allen tijde in het bezit zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de uitvoer blijkt; hij moet ze op ieder verzoek van de met de controle belaste ambtenaren overleggen. Die stukken zijn, onder meer, de bestelbons, de vervoerdocumenten, de betalingsstukken alsmede de aangifte ten uitvoer bedoeld in artikel 2 (artikel 3);

- voor de vrijstelling opgenomen in artikel 39, §1, 2° WBTW:

o de niet in België gevestigde koper die zelf in België goederen in bezit neemt, moet bij de inbezitneming aan zijn in België gevestigde verkoper een ontvangstbewijs afleveren. Het aan de verkoper af te leveren ontvangstbewijs moet, benevens de datum van afgifte en de omschrijving van de goederen, het land van bestemming vermelden (artikel 5, §2, lid 1);

o hetzelfde document moet worden afgeleverd aan de verkoper wanneer de goederen in België in bezit worden genomen door een derde die handelt voor rekening van de niet in België gevestigde koper. Het bedoelde document moet in dat geval worden afgeleverd door deze persoon die erin verklaart te handelen voor rekening van zijn opdrachtgever (artikel 5, §2, lid 2);

o het bewijs van uitvoer moet door de verkoper worden geleverd overeenkomstig artikel 3 onafhankelijk van het stuk voorgeschreven door artikel 5, §2 (artikel 6).

Het bewijs van echtheid van de uitvoer kan evenwel worden geleverd aan de hand van een geheel van gebruikelijke en overeenstemmende documenten. De opsomming in het KB nr. 18 is een niet-limitatieve opsomming van bewijselementen waarvan geen enkel op zich voldoende of noodzakelijk is. De verkoper kan de echtheid van de uitvoer bewijzen aan de hand van andere dan de in artikel 3 van het KB nr. 18 vermelde stukken, door alle middelen van gemeen recht.

Voormelde bepalingen zijn een omzetting van artikel 146 van de BTW-richtlijn, die aan de lidstaten de verplichting oplegt om vrijstelling te verlenen voor leveringen van goederen die voldoen aan de in die bepaling opgesomde voorwaarden. Deze vrijstelling strekt ertoe te waarborgen dat de betrokken leveringen van goederen worden belast op de plaats van hun bestemming, namelijk de plaats waar de producten zullen worden verbruikt (zie ook HvJ, 28 maart 2019, arrest V., C-275/18, punt 23). Volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof van Justitie wordt de uitvoer van een goed pas vrijgesteld wanneer de macht om als een eigenaar over dit goed te beschikken op de afnemer is overgegaan, de verkoper aantoont dat dit goed naar een plaats buiten de Unie is verzonden of vervoerd, en dit goed ten gevolge van deze verzending of dit vervoer het grondgebied van de Unie fysiek heeft verlaten (zie ook HvJ, 28 februari 2018, arrest P.i, C-307/16, punt 25, te raadplegen op www.curia.eu).

Een verkoper van goederen die zich beroept op de vrijstellingsregeling voorzien in artikel 39, lid 1, 1 ° dan wel 2° WBTW moet bewijzen dat de voorwaarden voor toepassing van die bepaling, in het bijzonder dat de uitvoer daadwerkelijk is gebeurd, vervuld zijn. Het bewijs van echtheid van de uitvoer zowel in het kader van artikel 39, lid 1, 1 ° WBTW als artikel 39, lid 1, 2° WBTW, dient geleverd te worden door de appellante. De administratie voegt terzake geen voorwaarden toe aan de wet. Dat de kwestieuze transacties een occasioneel karakter zouden hebben, doet geen afbreuk aan deze bewijslast. De appellante betwist niet dat zij btw-belastingplichtige is en aldus onderworpen is zowel aan de rechten als aan de verplichtingen van de btw-regelgeving.

4.3. Het hof volgt de administratie waar zij stelt dat de appellante onvoldoende bewijs voorlegt dat het RX-toestel en de beide paarden naar een plaats buiten de Unie werden verzonden of vervoerd en deze goederen ten gevolge van deze verzending of dit vervoer daadwerkelijk het grondgebied van de Unie fysiek hebben verlaten.

Wat het RX-toestel betreft, blijkt uit niets dat het goed het grondgebied van de Unie fysiek heeft verlaten. Er worden geen vervoerdocumenten voorgelegd en geen douanedocumenten. De factuur, opgemaakt door de verkoper die de bewijslast draagt, toont geenszins aan dat het toestel werd vervoerd naar een plaats buiten de Unie en alzo het grondgebied van de Unie fysiek heeft verlaten. Hetzelfde geldt voor het betalingsbewijs: dit stuk toont het feit van de betaling aan doch niet de uitvoer van het goed. De appellante beweert dit wel maar toont dit niet aan. De omstandigheid dat het RX-toestel desgevallend met het privé-voertuig van de appellante naar Zwitserland werd gebracht, doet geen afbreuk aan de bewijslast die op de appellante rust.

Wat de paarden betreft, stelt de appellante dat deze door de kopers naar Oekraïne werden vervoerd. De appellante als verkoper beroept zich op de vrijstelling opgenomen in artikel 39,§1, 2° WBTW. Niettegenstaande de kopers van de paarden contractueel instonden voor verzending dan wel vervoer van de paarden, dient de appellante als verkoper aan te tonen dat de paarden naar een plaats buiten de Unie werden verzonden of vervoerd en dat deze paarden ten gevolge van deze verzending of dit vervoer het grondgebied van de Unie hebben verlaten. De appellante kan haar verantwoordelijkheid terzake niet afschuiven op de kopers. De bewijslast dat de levering van goederen voldoet aan de vrijstellingsvoorwaarden opgenomen in artikel 39, §1, 2° WBTW rust op de appellante.

Ook hier geldt dat noch uit de facturen noch uit het betalingsbewijs kan worden afgeleid dat de paarden werden vervoerd naar een plaats buiten de Unie, en dat zij ten gevolge van dit vervoer het grondgebied van de Unie fysiek hebben verlaten. Het betalingsbewijs toont het feit van de betaling aan doch niet de daadwerkelijke uitvoer van de paarden. Er liggen geen douanedocumenten voor en geen vervoersdocumenten waarop de gegevens die relevant zijn in het kader van de kwestieuze transacties (zoals vermeld op de facturen; zie stukken 1 en 8, bundel appellante) staan vermeld. De bevestiging van vervoer (stuk 7, bundel appellante) opgesteld door ene C. K. betreft een paard met een ander chipnummer, toont de effectieve uitvoer aldus niet voldoende aan en wordt niet ondersteund door andere objectieve overeenstemmende documenten. Evenmin bewijst de Oekraïense nationaliteit van de paarden (die blijkt uit hun FEi paspoort) dat de paarden ten gevolge van het vervoer het grondgebied van de Unie fysiek hebben verlaten. Dit blijkt evenmin uit de betaling van 7.500,00 euro commissie op 9 juni 2015 (stuk 6, bundel appellante). Dat deze commissie betrekking zou hebben op de transactie zoals vermeld op de factuur, wordt overigens niet aangetoond. Nogmaals, ongeacht de (contractuele) verantwoordelijkheid van de kopers inzake het vervoer is het aan de verkoper om ten aanzien van de belastingadministratie het bewijs te leveren van het feit dat de paarden naar een plaats buiten de Unie werden verzonden of vervoerd, en dat deze paarden ten gevolge van deze verzending of dit vervoer het grondgebied van de Unie fysiek hebben verlaten.

Dat de kopers desgevallend de vervoersdocumenten hebben vervalst teneinde invoerrechten in Oekraïne te ontlopen en dat er andere gegevens (verkoper, bedragen) dan de daadwerkelijke gegevens werden vermeld op de vervoersdocumenten, doet in dit geschil geen afbreuk aan de verplichtingen van de appellante als verkoper. Immers, een verkoper die, niettegenstaande hij te goeder trouw is, geen enkele zorgvuldigheid aan de dag legt teneinde te verifiëren of daadwerkelijk aan de vrijstellingsvoorwaarden is voldaan, kan niet op de rechtmatigheid van de uitvoerhandeling vertrouwen en louter verwijzen naar de (contractuele) verplichtingen van de afnemer. Gelet op de afwezigheid van documenten die bewijzen dat de paarden naar een plaats buiten de Unie werden verzonden of vervoerd en dat deze paarden ten gevolge van deze verzending of dit vervoer het grondgebied van de Unie fysiek hebben verlaten, waarvan de appellante niet aantoont dat dit bewijs onmogelijk is bij te brengen, kan het hof enkel besluiten dat de appellante zich geen enkele moeite heeft getroost om te verzekeren dat aan de voorwaarden voor vrijstelling was voldaan. Om die reden is noch de rechtspraak opgenomen in Circulaire 2020/C/50 noch deze circulaire zelf dienend.

4.4. De appellante toont niet aan dat voldaan is aan de vrijstellingsvoorwaarden opgenomen in artikel 39, lid 1 WBTW, als gevolg waarvan de administratie terecht, op grond van de artikelen 14 en 51, §1, 1° WBTW, Belgische BTW heeft nagevorderd in hoofde van de appellante. Het bestreden vonnis wordt bevestigd. De vordering van de appellante is ongegrond.

5. De gerechtskosten

De appellante wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van het hoger beroep dragen.

Overeenkomstig het eerste lid van artikel 1022 Ger. W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, heeft slechts de partij die in het gelijk gesteld wordt recht op een rechtsplegingsvergoeding.

Voor de vaststelling van die rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger. W., uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moet, bij gebrek aan redenen tot afwijking ervan, het basisbedrag gehanteerd worden. Vermits de waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger. W., zich in de schijf tussen 40.000,01 euro en 60.000,00 euro bevindt, is het basisbedrag van 3.500,00 euro toepasselijk.

Beschikkend gedeelte

BESLISSING VAN HET HOF

Het hof doet recht op tegenspraak; Het hof beslist als volgt:

• het hoger beroep is ontvankelijk doch ongegrond;

• het bestreden vonnis wordt bevestigd;

• het hof veroordeelt de appellante tot het betalen van de gerechtskosten van het hoger beroep, vastgesteld als volgt:

- aan de kant van de appellante (doch te haren laste blijvend):

• bijdrage begrotingsfonds hoger beroep: 20,00 EUR

- aan de kant van de geïntimeerde:

• rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 3.500,00 EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in de openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, VIJFDE KAMER, recht doende in fiscale zaken, op 27 september 2022.

Door de FOD bijgevoegde beslissing

Tekst van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg

Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie burgerlijke rechtbank, Tiende Kamer,

Vonnis van 23/03/2021

Rol: 20/352/A

De b. C. H. (KBO: 089...18), met maatschappelijke zetel te ...,

eisende partij,

voor wie optreedt meester U. E., advocaat te ... (ref.: advocatenkantoor…),

tegen:

de BELGISCHE STAAT, F.O.D. FINANCIËN, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, sector BTW, vertegenwoordigd door mevrouw X, Centrumdirecteur van het Centrum KMO KORTRIJK, met kantoren te 8500 KORTRIJK, Hoveniersstraat 31,

verwerende partij,

voor wie optreedt mevrouw X, attaché, verbonden aan KMO Expertise 2, met kantoor te 8800 ROESELARE, Rondekomstraat 30, (ref.: ...).

I. RECHTSPLEGING.

Gelet op het tegensprekelijk verzoekschrift de dato 5.02.2020.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting van 23.02.2021.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK.

2.1. Eiseres is voor haar economische activiteit van fokken van paarden en andere paardachtigen geregistreerd onder het BTW-nummer BE 089...18.

Op 21.06.2018 werd een toezicht verricht met het oog op de juiste toepassing van de BTW-wetgeving over de periode van 1.01.2015 tot 30.06.2016.

Naar aanleiding van dit toezicht werd een overtreding op de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde vastgesteld (inbreuk tegen de bepaling van artikel 39, § 1, 1° WBTW).

Bij gebrek aan een akkoordverklaring over de vastgestelde overtreding werd een proces-verbaal opgemaakt waarin de door eiseres begane overtreding werd geacteerd.

Op 13.12.2018 werd op basis van dit proces-verbaal door de bevoegde ontvanger van de BTW een dwangbevel uitgevaardigd.

Op 9.03.2019 werd bezwaar aangetekend. Op 8.01.2020 werd het bezwaar afgewezen.

Bij tegensprekelijk verzoekschrift van 5.02.2020 werd verzet aangetekend tegen voormeld dwangbevel.

2.2. Eiseres vraagt dat:

- Het verzet ontvankelijk en gegrond wordt verklaard.

- Het bestreden dwangbevel wordt vernietigd en dat dienvolgens verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling van alle sommen die zij aan verweerder heeft betaald of die te haren laste werden ingehouden, verhoogd met de moratoire rente.

- Verweerder wordt veroordeeld tot alle kosten van het geding, in haar hoofde begroot op 3.000,00 EUR rechtsplegingsvergoeding.

2.3. Verweerder vraagt dat het verzet ontvankelijk en ongegrond wordt verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in zijn hoofde begroot op de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 3.000,00 EUR.

III. BEOORDELING.

3.1. nopens de ontvankelijkheid.

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

3.2. nopens de grond.

3.2.1. Op grond van artikel 39 §1, 1° WBTW. zijn de leveringen van goederen die door of voor rekening van de verkoper worden verzonden of vervoerd naar een plaats buiten de Gemeenschap van belasting vrijgesteld.

Gezien de aard van de BTW-wetgeving is het de verkoper die verantwoordelijk is voor de aanrekening en doorstorting van de BTW en is hij ook verantwoordelijk voor de juiste toepassing van de vrijstellingen. Als de belastingplichtige deze vrijstelling inroept moet hij dan ook het bewijs leveren dat de goederen de Gemeenschap hebben verlaten.

Op grond van artikel 3 van het koninklijk besluit nr.18 van 29 december 1992 moet de verkoper ten allen tijde in het bezit zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de uitvoer blijkt. Hij moet ze op ieder verzoek van de met de controle van de belasting over de toegevoegde waarde belaste ambtenaren overleggen. Die stukken zijn onder meer de contracten, de bestelbonnen, de vervoerdocumenten, de betalingsstukken en de aangifte ten uitvoer.

Dit is geen limitatieve opsomming, waarbij geen enkel specifiek document op zichzelf voldoende of onontbeerlijk is. Het bestaan van de uitvoer kan dan ook bewezen worden door alle middelen van recht, uitgezonderd de eed.

Het is niet onredelijk dat de fiscus bij de beoordeling van de bewijzen enige gestrengheid betoont, nu sinds 1.01.1993 tevens alle grenscontroles op het goederenverkeer tussen de lidstaten werden afgeschaft en dit aanleiding heeft gegeven tot een grootschalige fraude die gepleegd wordt door malafide leveranciers en/of afnemers. (Antwerpen, 13 december 1999, F.J.F. nr. 2000/174, p. 458).

3.2.2. Eiseres stelt dat zij de nodige stukken hebben voorgelegd teneinde de echtheid van de uitvoer naar Oekraïne te bewijzen. Volgens eiseres heeft de administratie dan ook volledig ten onrechte en louter willekeurig de vrijstellingstoepassing geweigerd.

3.2.3. In casu heeft eiseres tijdens de gecontroleerde periode 2 paarden en een RX-toestel met vrijstelling van BTW verkocht aan Oekraïense klanten. De desbetreffende verkoopfacturen vermelden geen BTW­ nummer van de koper, noch een BTW-bedrag, noch een reden van vrijstelling.

Met betrekking tot die 2 paarden en het RX-toestel konden geen douanedocumenten, noch vervoersdocumenten worden voorgelegd m.b.t. de uitvoer uit de Europese Unie.

Ook werden geen stukken voorgelegd waaruit de echtheid van de invoer in Oekraïne blijkt.

Het feit dat de 2 paarden een Oekraïens paspoort hebben, bewijst nog niet dat zij effectief werden uitgevoerd.

De voorgelegde uitvoerdocumenten dewelke voorzien zijn van valse vermeldingen leveren evenmin voormeld bewijs.

Gelet op het voorgaande is het duidelijk dat eiseres geen geheel van overeenstemmende handelsdocumenten, zoals uitdrukkelijk vereist door het voormelde artikel 3 van het l<.B. nr. 18, kan voorleggen waaruit de echtheid van de uitvoer naar Oekraïne blijkt. De administratie was derhalve gerechtigd de vrijstelling te verwerpen.

3.3. nopens de kosten.

Eiseres wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het gerechtelijk wetboek moet zij de gerechtskosten dragen. Aangezien verweerder niet bijgestaan is door een advocaat, heeft hij geen recht op een rechtsplegingsvergoeding en zijn de gerechtskosten in hoofde van verweerder onbestaande.

OM DEZE REDENEN,

De rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend. Verklaart de vordering ontvankelijk doch wijst het af als ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven en aan de zijde van verweerder begroot op 0,00 EUR.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de rechtbank van eerste aanleg West­ Vlaanderen, afdeling Brugge, burgerlijke sectie, tiende kamer, op DINSDAG DRIEËNTWINTIG MAART TWEEDUIZEND EENENTWINTIG waar zitting hadden:

Aangehaalde teksten

7

Vergelijkbare beslissingen

8