Laattijdig ingediende aangifte, Bijzondere rekening, Recht op aftrek · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brussel 22 september 2022

Zoeken
Tekst in het Frans

Laattijdig ingediende aangifte, Bijzondere rekening, Recht op aftrekBelasting over de toegevoegde waarde – Laattijdig ingediende aangifte – Bijzondere rekening – Recht op aftrek – Facturen inzake onderaanneming – Echtheid van de handelingen – Bewijslast - Belasting over de toegevoegde waarde – Proportionele geldboeten – geldboeten verminderd tot % - Geen strafrechtelijk karakter – Schadeloosstellend karakter

https://juriel.be/nl/rechtspraak/laattijdig-ingediende-aangifte-bijzondere-rekening-rechtbank-brussel-2022-09-22-9de2

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brussel
Datum
22 september 2022

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Frans
Nederlandse versie
niet door de FOD gepubliceerd
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

De tekst van dit document is in het Frans. De FOD publiceert er geen Nederlandse versie van.

Tekst

137 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel d.d. 22.09.2022 (Rolnr. 2020/1696/A)

Belasting over de toegevoegde waarde – Laattijdig ingediende aangifte – Bijzondere rekening – Recht op aftrek – Facturen inzake onderaanneming – Echtheid van de handelingen – Bewijslast

Belasting over de toegevoegde waarde – Proportionele geldboeten – geldboeten verminderd tot % - Geen strafrechtelijk karakter – Schadeloosstellend karakter

[ Gunstig vonnis voor de Belgische Staat ]

Samenvatting van het vonnis / het arrest

Voorafgaande feiten

Verzoekster was btw-plichtig voor een aangegeven activiteit als "Boekhoudhoudkantoor".

Ingevolge een controle stelde de controleur vast dat verzoekster niet in het bezit was van de wettelijk vereiste documenten om het recht op aftrek uit te oefenen op de diensten van boekhoudkundige onderaanneming.

Voor de uitgaande handelingen, werd door de controleur vastgesteld dat een reeks facturen niet in de boekhouding was opgenomen. Er werd echter geen specifieke grief geformuleerd met betrekking tot dit deel van de btw-schuld.

Daarnaast heeft de administratie een bijzondere rekening betekend, waarin geldboeten werden opgelegd voor het niet-indienen van de driemaandelijkse btw-aangiften van het eerste en tweede kwartaal van 2019. Aangezien deze aangiften uiteindelijk op 22 november 2019 werden ingediend, werden de geldboeten ingevolge laattijdige indiening verminderd tot het verschuldigd bedrag.

Vonnis

Het recht op aftrek van belastingen vermeld op de inkomende facturen, uitgereikt door de leveranciers (de boekhouders-onderaannemers), wordt geregeld door artikel 45 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (WTVA) en door de artikelen 2, 3 en 5 van Koninklijk Besluit nr. 3.

Om recht op aftrek te hebben, moet de belasting wettelijk verschuldigd zijn; het recht op aftrek geldt niet voor belasting die uitsluitend verschuldigd is omdat die op de factuur staat vermeld (Hof van Justitie van de EU, 13 december 1989, Genius Holding B.V.). Naast het bezit van een factuur moet de belastingplichtige dus de werkelijkheid van de leveringen of diensten die hem zijn gefactureerd, aantonen (Gent, 24 juni 1988, BTW-revue, nr. 84, p. 39).

Facturen vormen slechts een begin van bewijs van de geleverde handelingen en moeten worden gestaafd met andere bewijselementen, die door de belastingplichtige moeten worden voorgelegd. Met andere woorden, om btw in aftrek te kunnen brengen, moet men niet alleen beschikken over een correcte factuur, die moet helpen om de werkelijkheid en de juistheid van de handelingen die zij zou moeten vaststellen, te controleren, maar ook door middel van alle andere documenten of elementen (bestelbon, aankoopbon, leveringsbon, contract, bankdocument, betalingsbewijs, correspondentie, telex, offerte, notulen van de algemene vergadering, besluiten van de raad van bestuur, "time sheet", enz.), de werkelijkheid van de uitgevoerde handelingen en het gebruik ervan voor economische doeleinden aantonen.

In onderhavig geval stelt de rechtbank echter vast dat de facturen inzake onderaanneming, die het recht op aftrek zouden ondersteunen:

• pas meer dan twee jaar na de afsluiting van de fiscale controle voor het eerst zijn overgelegd;

• onnauwkeurig zijn, aangezien zij enkel verwijzen naar "boekhoudkundige prestaties", zonder verdere preciseringen, waardoor het niet mogelijk is vast te stellen welke werkzaamheden zijn uitgevoerd: zij geven geen informatie over de aard en hoeveelheid van de uitgevoerde handelingen, waardoor het onmogelijk is de werkelijkheid van de handelingen en hun gebruik voor economische doeleinden te controleren;

• niet zijn ondertekend door de onderaannemer (leverancier);

• niet zijn gestaafd door enig ander stuk dat de werkelijkheid van de gefactureerde handelingen rechtvaardigt (contract, offerte, time sheet, enz.).

De enkele e-mails van twee leveranciers, overgelegd door verzoekster, zijn onvoldoende om de werkelijkheid van de gefactureerde handelingen te rechtvaardigen.

Bovendien, naast het gebrekkige karakter van de facturen:

• is er geen enkel spoor van de betaling van de facturen;

• staan de twee eerder genoemde leveranciers niet op de leverancierslijst van verzoekster;

• hebben de twee eerder genoemde leveranciers de gefactureerde handelingen niet opgenomen in de lijst van btw-plichtige klanten die zij hebben ingediend.

Bijgevolg zijn de voorwaarden voor het recht op aftrek niet vervuld.

Wat betreft de drie opgelegde geldboeten vraagt verzoekster kwijtschelding van de enige geldboete van 10%, waarbij zij verwijst naar het strafrechtelijke karakter ervan en het recht op een volledige rechterlijke toetsing.

Volgens de rechtbank vormt een proportionele geldboete, die werd verminderd tot 10%, echter een compensatie voor de schade die voortvloeit uit het niet naleven van fiscale verplichtingen en geen echte straf in de zin van artikel 6 EVRM. Het betreft dus geen strafrechtelijke sanctie, waarvan verzoekster het gegrond zijn zou moeten kunnen voorleggen aan een onafhankelijke en onpartijdige rechtbank met volledige bevoegdheid.

Opmerkingen

Wat betreft de reeds verlaagde proportionele geldboeten erkent de rechtbank in dit geval het strafrechtelijke karakter van de boetes niet, gezien de geringe bedragen van de opgelegde geldboeten.

Meerdere andere rechterlijke beslissingen hebben reeds geoordeeld dat lage btw-geldboeten, in verhouding tot de bedragen in geschil, een compenserend karakter hebben. Ze zijn vergelijkbaar met "boetebedingen" in burgerlijk en handelsrecht en hebben geen repressief of afschrikwekkend karakter in de zin van artikel 6 EVRM. Zie onder meer: Burg. Brussel, 1 maart 2012, RG 2003/2657; Burg. Brussel, 3 oktober 2012, RG 2007/9036/A (Fisconetplus); zie ook: Burg. Brussel, 25 februari 2009, RG 2003/15621 en 2006/986/A; Burg. Brussel, 25 februari 2009, RG 2006/1553 et 6176/A; Burg. Brussel, 12 september 2012, RG 2009/708/A; Burg. Brussel, 8 mei 2013, RG 2011/7615/A; Bergen, 18 juni 2014, 2013/RG/260; Burg. Brussel, 26 april 2014, RG 2009/8553/A; Burg. Brussel, 10 april 2020, 18/5244/A, Fisconetplus; Burg. Brussel, 7 oktober 2021, RG 19/7663/A, Fisconetplus; Burg. Brussel, 08 juni 2022, 2020/5265/A, Fisconetplus; Burg. Brussel, 8 februari 2023, RG 2021/3768/A (Fisconetplus); Burg. Brussel, 14 november 2024, RG 22/5900/A (Fisconetplus).

Volledige tekst

Het vonnis wordt enkel gepubliceerd in de oorspronkelijke taal.

Tekst van de beslissing

Tribunal de première instance francophone de Bruxelles du 22.09.2022

(rôle 2020/1696/A)

EN CAUSE DE :

B.I., dont le siège social est établi à …, inscrite à la BCE sous le numéro 05…63,

Demanderesse,

Représentée par Me M.G., avocat dont le cabinet est établi à …,

CONTRE :

L'ÉTAT BELGE, représenté par le ministre des Finances, poursuites et diligences du conseiller général — directeur régional de Centre PME de Bruxelles ll, dont les bureaux sont établis à 1000 Bruxelles, boulevard du Jardin Botanique, 50, bte 3408,

Défendeur,

Comparaissant en personne, à l'intervention de P.V., attaché,


En cette cause, tenue en délibéré le 9 juin 2022, le tribunal prononce le jugement suivant.


Vu les pièces de la procédure, et notamment :

 la requête contradictoire déposée au greffe du tribunal le 11 mars 2020 ;

 les conclusions de synthèse déposées par la demanderesse le 14 mars 2022 ;

 les conclusions de synthèse déposées par le défendeur le 27 mai 2022 ;

Entendu les parties ou leur conseil en leurs dires et moyens à l'audience publique du 9 juin 2022 ;


I. Objet de la demande

1.-

La demande est dirigée contre le procès-verbal de régularisation du 13 novembre 2019, suivi de l'avis de paiement du 2 décembre 2019 (article 500.2205.41293), puis d'un avis de perception et recouvrement TVA du 19 décembre 2019, pour les montants suivants :

 TVA : 36.593,47 €

 Amende : 5.630,00 €

 Intérêts : 4.130,92 €

2.-

La demanderesse invite le tribunal à :

A titre principal :

D'entendre dire non fondée en fait et en droit les régularisations ainsi que les amendes et intérêts y relatifs ;

D'ordonner le dégrèvement total de la taxe réclamée en principal, intérêts et amendes et ordonner l'annulation du compte spécial faisant l'objet de cette taxe ;

Dire pour droit que la TVA portée en compte par le prestataire est déductible dans le chef de la concluante à dater de l'émission des factures conformément à l'article 22 du Code TVA ;

A titre subsidiaire :

- De mettre à néant de l'ensemble des amendes portées à charge de la concluante, ou à tout le moins une réduction de celles-ci ;

A titre infiniment subsidiaire :

- Accorder le sursis des amendes ;

Dans tous les cas :

- Condamner la partie défenderesse aux dépens de l'instance, en ce compris l'indemnité de procédure et à la restitution de toutes les sommes indûment perçues par voie de retenue ou autrement, ainsi qu'aux intérêts moratoires. >>

3.-

Le défendeur conclut au non fondement de la demande.

4.-

La demande, formulée dans les formes prévues par la loi, sera déclarée recevable.

II. Faits

5.-

La demanderesse était assujettie à la TVA sous le numéro BE05…60 pour une activité

déclarée de « Fiduciaire comptable >>.

6.-

A la suite d'un contrôle, pour la période du l er janvier 2016 au 31 janvier 2017, l'agent a relevé des infractions qu'il a consignées dans un procès-verbal du 13 novembre 2019 sur lequel la demanderesse a marqué son désaccord.

Pour les opérations à l'entrée, l'agent a constaté que la demanderesse n'était pas en possession des documents prévus légalement pour pouvoir déduire la TVA sur les prestations de sous-traitance comptable, pour la somme de 16.814,05 € en sus d'amendes fixées à 10 % de ce montant, arrondi à la somme de 1.680,00 €.

Pour les opérations à la sortie, l'agent a constaté qu'une série de factures n'avaient pas été inscrites dans la comptabilité, si bien que la demanderesse restait devoir une TVA de 19.779,42 €. Il n'y a aucun grief précis formulé à l'encontre de cette partie de la dette TVA.

7.-

Parallèlement, l'administration a notifié un compte spécial pour la période du 31 mars 2019 au 31 juillet 2019, appliquant des amendes pour le non-dépôt des déclarations trimestrielles TVA des premier et deuxième trimestres 2019, soit deux fois 1.000,00 €.

Ces déclarations ayant finalement été déposées le 22 novembre 2019, par procès-verbal du 26 novembre 2019, les amendes ont été réduites au montant dû pour dépôt tardif, soit une amende de 700,00 € pour le retard (7 mois) de dépôt de la première déclaration précitée et de 400,00 € (4 mois) pour la seconde.

III. Discussion

Quant au droit à déduction

8.-

Le droit à déduction des taxes portées en compte sur les factures d'entrée délivrées par les fournisseurs (les sous-traitants comptables) est réglé par l'article 45 CTVA et par l'arrêté royal n°3 du 10 décembre 1969, relatif aux déductions pour l'application de la TVA.

Conformément à l'article 45 §ier du Code TVA, << tout assujetti peut déduire de la taxe dont il est redevable, les taxes ayant grevé les biens et les services qui lui ont été fournis, (...), dans la mesure où il les utilise pour effectuer (...) des opérations taxées >>.

L'article 2 de l'arrêté royal n°3 stipule que << le droit à déduction prend naissance (...) pour la taxe grevant les biens et les services fournis à l'assujetti, à la date à laquelle la taxe est exigible en vertu des articles 17 et 22 du Code >>.

Pour pouvoir être déduite, la taxe doit être légalement due, la déduction ne s'étendant pas à la taxe qui est due exclusivement parce qu'elle est mentionnée sur la facture (CJCE, 13 décembre 1989, Genius Holding B.V.). Outre la possession d'une facture, l'assujetti doit donc démontrer la réalité des livraisons ou prestations qui lui ont été facturées (Gand, 24 juin 1988, Revue de la TVA, n°84, p. 37). Les factures ne constituent qu'un commencement de preuve des prestations, qui doit être étayé par d'autres éléments probatoires, que le contribuable doit apporter.

Autrement dit, pour pouvoir déduire de la TVA, il faut non seulement détenir une facture régulière, qui doit aider à contrôler la réalité et l'exactitude des opérations qu'elle est censée constater, mais également démontrer, par tous autres documents ou éléments (bon de commande, bordereau d'achat, bon de livraison, contrat, document bancaire, preuve de paiement, correspondance, télex, devis, P.V. des assemblées générales, des décisions du conseil d'administration, << time sheet >>, etc.), la réalité des opérations réalisées et leur utilisation à des fins économiques.

Par ailleurs, en vertu de l'article 3, §1er, 1° de l'Arrêté royal n°3 du 10 décembre 1969 << pour pouvoir exercer son droit à déduction, l'assujetti doit pour la taxe grevant les biens et les services qui lui ont été fournis, détenir une facture émise conformément aux articles 53, §2 et

53octies, du Code et contenant les mentions visées à l'article 5, §ler, de l'Arrêté royal n°1 relatif aux mesures tendant à assurer le paiement de la taxe sur la valeur ajoutée >>.

L'article 5, §1er de l'Arrêté royal n°1 dispose que << La facture et le document en tenant lieu visé à l'article 2 portent les mentions suivantes : [...]

6° Les éléments nécessaires pour déterminer l'opération et le taux de la taxe, notamment la dénomination usuelle des biens livrées et des services fournis et leur quantité >>.

9.-

Or, en l'espèce, le tribunal relève que les factures de sous-traitance, censées fonder le droit à

déduction :

- ont été produites pour la première fois plus de deux ans après la clôture du contrôle fiscal ;

sont imprécises car elles ne visent que des << prestations comptables >>, non autrement précisées, si bien qu'elles ne permettent pas de déterminer quels travaux ont été réalisés : elles ne donnent aucune information sur la nature et la quantité des prestations effectuées, si bien qu'il est impossible de contrôler la réalité des prestations et leur utilisation à des fins économiques ;

- ne sont pas signées par le sous-traitant (fournisseur) ;

- ne sont étayées par aucune autre pièce, de nature à justifier la réalité des prestations facturées (contrat, offre, time sheet, etc.)

Les quelques courriels émis par MM. D. et H., produits par la demanderesse, ne suffisent pas à justifier la réalité des prestations facturées.

10.-

De plus, outre le caractère lacunaire des factures, l'administration fiscale relève :

- qu'il n'y a aucune trace du paiement des factures ;

- que MM. D. et H. ne sont pas repris sur la liste des fournisseurs de la demanderesse ;

- que MM. D. et H. n'ont pas repris les prestations facturées dans la liste des clients assujettis qu'ils ont déposées.

11.-

Par conséquent, les conditions du droit à déduction ne sont pas rencontrées.

Quant aux amendes

12.-

Les amendes reprises dans l'avis de paiement sont :

- Une amende de 1.680,00 € pour déduction à tort de la TVA grevant les frais de sous-traitance comptable, soit 10% du montant déduit de 16.814,05 €, en vertu du tableau H de l'annexe à l'AR n°41, qui prévoit que l'amende proportionnelle est réduite à 10% du montant des taxes erronément déduites si celui-ci est supérieur, pour une période contrôlée d'un an, à 1.250,00 € et est ramené à 5 % dans les autres cas. Si la période contrôlée est inférieure ou supérieure à un an, ce montant est diminué ou augmenté proportionnellement ;

- Une amende de 3.950,00 € pour chiffre d'affaires non déclaré, soit 20% de la TVA non déclarée d'un montant de 19.779,42 € en vertu du tableau G, section première, V de l'annexe de l'arrêté royal n°41, qui prévoit que l'amende proportionnelle due est réduite à 20 % du montant des taxes dues si celui-ci est supérieur à 1.250,00 € pour une période contrôlée d'un an. Ce pourcentage est ramené à 10 % dans les autres cas. Si la période contrôlée est inférieure ou supérieure à un an, ce montant est diminué ou augmenté proportionnellement ;

- Une amende de 700,00 € pour le dépôt tardif (7 mois) de la déclaration TVA relative aux opérations du premier trimestre 2019 et une amende de 400,00 € pour le dépôt tardif (4 mois) de celle relative aux opérations du deuxième trimestre 2019 en vertu de la section première, rubrique I, B de l'annexe de l'arrêté royal 44 du 9 juillet 2012 prévoyant une amende de 100,00 € par déclaration par mois de retard avec un maximum de 1.000,00 € par déclaration ;

13.-

La demanderesse sollicite la remise de la seule amende de 10 %, soit le montant de 1.680,00

€, en invoquant son caractère pénal et le contrôle de pleine juridiction du tribunal.Or, à l'estime du tribunal, une amende proportionnelle, réduite à 10 %, constitue la réparation du préjudice lié au non-respect des obligations fiscales, et non une véritable peine au sens de l'article 6 CEDH. Il ne s'agit donc pas d'une sanction de nature pénale, dont la demanderesse devrait pouvoir soumettre le bien-fondé à un tribunal indépendant et impartial, armé du pouvoir de pleine juridiction.

14.-

Il n'y a pas lieu de s'interroger sur le sursis sollicité à défaut de caractère pénal de l'amende.

Beschikkend gedeelte

PAR CES MOTIFS,

LE TRIBUNAL, siégeant en premier ressort,

Statuant contradictoirement,

Vu la loi du 15 juin 1935 sur l'emploi des langues en matière judiciaire ;

Déclare la demande recevable, mais non fondée ;

En déboute la demanderesse ;

Condamne la demanderesse aux dépens de l'instance, mais constate l'absence de dépens dans le chef du défendeur ;

Laisse à la demanderesse la charge de la contribution au fonds budgétaire pour l'aide juridique de deuxième ligne de 20,00 € ;

Ainsi jugé et prononcé à l'audience publique de la 34ème chambre du tribunal de première instance francophone de Bruxelles du 22 septembre 2022,

Où étaient présents et siégeaient :

J.D., juge unique,

N.C., greffier délégué

Nota van de FOD Financiën

Opmerkingen of commentaar

Wetgeving

Artikelen 45 & 1, 70 en 84 WBTW

Artikelen 2, 3 §1, 1d° en 5 § 1van KB nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde

Referentie WF

WF 702-15-20/018596 - FINALITI 5503337001

Aangehaalde teksten

7
KB nr. 3 art. 22 voorkomens
KB nr. 3 art. 32 voorkomens
WBTW art. 222 voorkomens
WBTW art. 452 voorkomens
KB nr. 1 art. 51 voorkomen
KB nr. 3 art. 51 voorkomen
WBTW art. 171 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8