Laattijdig ingediende aangifte, Bijzondere rekening, Recht op aftrek · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brussel 22 september 2022

Zoeken
Tekst in het Frans

Laattijdig ingediende aangifte, Bijzondere rekening, Recht op aftrekBelasting over de toegevoegde waarde – Laattijdig ingediende aangifte – Bijzondere rekening – Recht op aftrek – Facturen voor werken in onderaanneming – Werkelijkheid van de handelingen – Bewijslast - Belasting over de toegevoegde waarde - Proportionele geldboeten - Geldboeten verminderd tot 10 % - Geen strafrechtelijk karakter - Schadeloosstellend karakter - Niet-proportionele geldboeten- Strafrechtelijk karakter

https://juriel.be/nl/rechtspraak/laattijdig-ingediende-aangifte-bijzondere-rekening-rechtbank-brussel-2022-09-22-016f

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brussel
Datum
22 september 2022

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Frans
Nederlandse versie
niet door de FOD gepubliceerd

De tekst van dit document is in het Frans. De FOD publiceert er geen Nederlandse versie van.

Tekst

152 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg van Brussel d.d. 22.09.2022 – (RG 2020/1697/A)

WF 702-15-20/018597 – FINALITI 5503370901

[ Gunstig voor de Belgische Staat ]

Belasting over de toegevoegde waarde – Laattijdig ingediende aangifte – Bijzondere rekening – Recht op aftrek – Facturen voor werken in onderaanneming – Werkelijkheid van de handelingen – Bewijslast

Belasting over de toegevoegde waarde - Proportionele geldboeten - Geldboeten verminderd tot 10 % - Geen strafrechtelijk karakter - Schadeloosstellend karakter - Niet-proportionele geldboeten- Strafrechtelijk karakter

Samenvatting van het vonnis

Voorafgaande feiten

Eiseres was onderworpen aan de btw voor een aangegeven activiteit als "Boekhoudkantoor".

Ingevolge een controle stelde de controleur vast dat eiseres niet in het bezit was van de wettelijk vereiste documenten om het recht op aftrek uit te oefenen op de diensten van boekhoudkundige onderaanneming. Naast de regularisatie werden tevens proportionele geldboeten opgelegd (1920 EUR).

Daarnaast heeft de administratie een bijzondere rekening betekend, waarin geldboeten werden opgelegd voor het niet-indienen van de driemaandelijkse btw-aangiften van het eerste en tweede kwartaal van 2019. Aangezien deze aangiften uiteindelijk toch werden ingediend, werden de geldboeten verminderd tot het verschuldigd bedrag voor laattijdige indiening (700 EUR).

Ten slotte heeft de fiscale administratie een geldboete opgelegd (150 EUR) omdat eiseres de jaarlijkse lijst van btw-plichtige klanten voor 2018 (nihil-aangifte) te laat heeft ingediend.

Vonnis

Het recht op aftrek van belastingen vermeld op de inkomende facturen, uitgereikt door de leveranciers (de boekhouders-onderaannemers), wordt geregeld door artikel 45 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (WTVA) en door de artikelen 2, 3 en 5 van Koninklijk Besluit nr. 3.

Om recht op aftrek te hebben, moet de belasting wettelijk verschuldigd zijn; het recht op aftrek geldt niet voor belasting die uitsluitend verschuldigd is omdat die op de factuur staat vermeld (Hof van Justitie van de EU, 13 december 1989, Genius Holding B.V.). Naast het bezit van een factuur moet de belastingplichtige dus de werkelijkheid van de leveringen of diensten die hem zijn gefactureerd, aantonen (Gent, 24 juni 1988, BTW-revue, nr. 84, p. 39).

Facturen vormen slechts een begin van bewijs van de geleverde handelingen en moeten worden gestaafd met andere bewijselementen, die door de belastingplichtige moeten worden voorgelegd. Met andere woorden, om btw in aftrek te kunnen brengen, moet men niet alleen beschikken over een correcte factuur, die moet helpen om de werkelijkheid en de juistheid van de handelingen die zij zou moeten vaststellen, te controleren, maar ook door middel van alle andere documenten of elementen (bestelbon, aankoopbon, leveringsbon, contract, bankdocument, betalingsbewijs, correspondentie, telex, offerte, notulen van de algemene vergadering, besluiten van de raad van bestuur, "time sheet", enz.), de werkelijkheid van de uitgevoerde handelingen en het gebruik ervan voor economische doeleinden aantonen.

In onderhavig geval stelt de rechtbank echter vast dat de facturen inzake onderaanneming, die het recht op aftrek zouden ondersteunen:

- pas meer dan twee jaar na de afsluiting van de fiscale controle voor het eerst zijn overgelegd;

- onnauwkeurig zijn, aangezien zij enkel verwijzen naar "boekhoudkundige prestaties", zonder verdere preciseringen, waardoor het niet mogelijk is vast te stellen welke werkzaamheden zijn uitgevoerd: zij geven geen informatie over de aard en hoeveelheid van de uitgevoerde handelingen, waardoor het onmogelijk is de werkelijkheid van de handelingen en hun gebruik voor economische doeleinden te controleren;

- niet zijn ondertekend door de onderaannemer (leverancier);

- niet zijn gestaafd door enig ander stuk dat de werkelijkheid van de gefactureerde handelingen rechtvaardigt (contract, offerte, time sheet, enz.).

De enkele e-mails van twee leveranciers, overgelegd door eiseres, zijn onvoldoende om de werkelijkheid van de gefactureerde handelingen te rechtvaardigen.

Bovendien, naast het gebrekkige karakter van de facturen:

- is er geen enkel spoor van de betaling van de facturen;

- staan de twee eerder genoemde leveranciers niet op de leverancierslijst van verzoekster;

- hebben de twee eerder genoemde leveranciers de gefactureerde handelingen niet opgenomen in de lijst van btw-plichtige klanten die zij hebben ingediend.

Bijgevolg zijn de voorwaarden voor het recht op aftrek niet vervuld.

Wat betreft de drie opgelegde geldboeten, oordeelt de rechtbank dat:

- de opgelegde proportionele geldboeten die werden verlaagd tot 10% (1920 EUR) een compensatie vormen voor de schade die voortvloeit uit het niet naleven van fiscale verplichtingen, en geen echte straf zijn in de zin van artikel 6 EVRM, waardoor ze geen strafrechtelijk karakter hebben;

- dat de niet-proportionele geldboeten voor laattijdige indiening duidelijk een strafrechtelijk karakter hebben, maar dat ze niet onevenredig zijn in verhouding tot de ernst van de begane overtredingen door eiseres. De rechtbank ziet geen redenen die uitstel zouden rechtvaardigen, indien de wet daarin zou voorzien.

Opmerkingen

Wat betreft de opgelegde proportionele geldboeten en die verlaagd zijn tot 10% (1920 EUR), oordeelt de rechtbank dat deze in onderhavig geval geen strafrechtelijk karakter hebben, aangezien ze dienen als compensatie voor de schade die voortvloeit uit niet naleven van fiscale verplichtingen en geen echte straf vormen in de zin van artikel 6 EVRM. Het gaat dus niet om een strafrechtelijke sanctie, waardoor eiseres niet de mogelijkheid heeft om de rechtmatigheid ervan voor te leggen aan een onafhankelijke en onpartijdige rechtbank met volledige bevoegdheid.

In dit verband moet worden verwezen naar uitspraken van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg in Brussel van 22.09.2022 (RG 2020/1696/A), 07.11.2024 (RG 22/5791/A), en 14.11.2024 (RG 22/5900/A), gepubliceerd op fisconetplus met opmerkingen en verwijzingen naar een overvloedige jurisprudentie in dezelfde zin.

Daarentegen, en opmerkelijk genoeg, oordeelt de rechtbank in deze zaak dat de twee niet-proportionele geldboeten voor laattijdige indiening (700 en 150 EUR) wel een strafrechtelijk karakter hebben, maar dat ze in onderhavig geval redelijk blijven en gehandhaafd kunnen worden.

Volledige tekst :

Het vonnis wordt enkel gepubliceerd in de oorspronkelijke taal.

Tekst van de beslissing

Tribunal de première instance FR de Bruxelles du 22.09.2022

(RG 2020/1697/A)

Jugement définitif

Contradictoire

TVA

EN CAUSE DE :

La SRL B.G., dont le siège social est établi à …, inscrite à la BCE sous le numéro …,

Demanderesse,

Représentée par Me M.G., avocat dont le cabinet est établi à …,

CONTRE :

L'ÉTAT BELGE, représenté par le ministre des Finances, poursuites et diligences du conseiller général —directeur régional de Centre PME de Bruxelles Il, dont les bureaux sont établis à 1000 Bruxelles, boulevard du Jardin Botanique, 50, bte 3408,

Défendeur,

Comparaissant en personne, à l'intervention de M. P.V., attaché,


En cette cause, tenue en délibéré le 9 juin 2022, le tribunal prononce le jugement suivant.


Vu les pièces de la procédure, et notamment :

 la requête contradictoire déposée au greffe du tribunal le 11 mars 2020 ;

 les conclusions de synthèse déposées par la demanderesse le 14 mars 2022 ;

 les conclusions de synthèse déposées par le défendeur le 27 mai 2022 ;

Entendu les parties ou leur conseil en leurs dires et moyens à l'audience publique du 9 juin 2022 ;


I. Objet de la demande

1.-

La demande est dirigée contre :

- le procès-verbal de régularisation du 21 mai 2019, suivi de l'avis de paiement du 24 mai 2019 (article 500.21048.9265), puis d'un avis de perception et recouvrement TVA du 10 juillet 2019, pour les montants suivants :

 TVA : 19.201,65 €

 Amende : 1.920,00 €

 Intérêts : 3.686,40 €

- le compte spécial notifié le 16 septembre 2019, suivi d'un procès-verbal du 17 octobre 2019, suivi d'un avis de paiement du 24 octobre 2019 (article 500.21505.1093), puis d'un avis de perception et recouvrement n°2019.11.FR.008 pour le montant suivant :

 Amendes : 700,00 €

- le procès-verbal du 5 décembre 2019, précédé d'un avis de paiement du 2 décembre 2019 (article 500.2205.22095), d'un avis de perception et recouvrement n°2020.01.FR.016 pour le montant suivant :

 Amende : 150,00 €

2.-

La demanderesse invite le tribunal à :

«

A titre principal :

D'entendre dire non fondée en fait et en droit les régularisations ainsi que les amendes et intérêts y relatifs ;

- D'ordonner le dégrèvement total de la taxe réclamée en principal, intérêts et amendes et ordonner l'annulation du compte spécial faisant l'objet de cette taxe ;

- Dire pour droit que la TVA portée en compte par le prestataire est déductible dans le chef de la concluante à dater de l'émission des factures conformément à l'article 22 du Code TVA ;

A titre subsidiaire :

- De mettre à néant de l'ensemble des amendes portées à charge de la concluante, ou à tout le moins une réduction de celles-ci ;

A titre infiniment subsidiaire :

- Accorder le sursis des amendes ;

Dans tous les cas :

- Condamner la partie défenderesse aux dépens de l'instance, en ce compris l'indemnité de procédure et à la restitution de toutes les sommes indûment perçues par voie de retenue ou autrement, ainsi qu'aux intérêts moratoires. »

3.-

Le défendeur conclut au non fondement de la demande.

4.-

La demande, formulée dans les formes prévues par la loi, sera déclarée recevable.

Il. Faits

5.-

La demanderesse était assujettie à la TVA sous le numéro BE… pour une activité

déclarée de « Fiduciaire comptable ».

6.-

A la suite d'un contrôle, pour la période du 1 er janvier 2016 au 31 janvier 2017, l'agent a relevé des infractions qu'il a consignées dans un procès-verbal du 21 mai 2019 sur lequel la demanderesse a marqué son désaccord.

Pour les opérations à l'entrée, l'agent a constaté que la demanderesse n'était pas en possession des documents (deux factures) prévus légalement pour pouvoir déduire la TVA sur les supposés honoraires de sous-traitance comptable, pour la somme de 19.201,65 € en sus d'amendes fixées à 10 % de ce montant, arrondi à la somme de 1.920,00 €.

7.-

Parallèlement, l'administration a notifié un compte spécial le 16 septembre 2019, appliquant des amendes pour le non-dépôt des déclarations trimestrielles TVA des premier et deuxième trimestres 2019, soit deux fois 1.000,00 €.

Ces déclarations ayant finalement été déposées le 9 octobre 2019, par procès-verbal du 17 octobre 2019, les amendes ont été réduites au montant dû pour dépôt tardif, soit une amende de 500,00 € pour le retard (5 mois) de dépôt de la première déclaration précitée et de 200,00 € (2 mois) pour la seconde.

8.-

Enfin, comme la demanderesse a déposé tardivement la liste annuelle des clients assujettis à la TVA pour l'année 2018 et qu'il s'agissait d'une liste néant, l'administration fiscale a notifié un procès-verbal le 5 décembre 2019, pour une amende de 150,00 €.

III. Discussion

Quant au droit à déduction

9.-

Le droit à déduction des taxes portées en compte sur les factures d'entrée délivrées par les fournisseurs (les sous-traitants comptables) est réglé par l'article 45 CTVA et par l'arrêté royal n°3 du 10 décembre 1969, relatif aux déductions pour l'application de la TVA.

Conformément à l'article 45 §1er du Code TVA, << tout assujetti peut déduire de la taxe dont il est redevable, les taxes ayant grevé les biens et les services qui lui ont été fournis, (...), dans la mesure où il les utilise pour effectuer (...) des opérations taxées >>.

L'article 2 de l'arrêté royal n°3 stipule que << le droit à déduction prend naissance (...) pour la taxe grevant les biens et les services fournis à l'assujetti, à la date à laquelle la taxe est exigible en vertu des articles 17 et 22 du Code >>.

Pour pouvoir être déduite, la taxe doit être légalement due, la déduction ne s'étendant pas à la taxe qui est due exclusivement parce qu'elle est mentionnée sur la facture (CJCE, 13 décembre 1989, Genius Holding B.V.). Outre la possession d'une facture, l'assujetti doit donc démontrer la réalité des livraisons ou prestations qui lui ont été facturées (Gand, 24 juin 1988, Revue de la TVA, n°84, p. 37). Les factures ne constituent qu'un commencement de preuve des prestations, qui doit être étayé par d'autres éléments probatoires, que le contribuable doit apporter.

Autrement dit, pour pouvoir déduire de la TVA, il faut non seulement détenir une facture régulière, qui doit aider à contrôler la réalité et l'exactitude des opérations qu'elle est censée constater, mais également démontrer, par tous autres documents ou éléments (bon de commande, bordereau d'achat, bon de livraison, contrat, document bancaire, preuve de paiement, correspondance, télex, devis, P.V. des assemblées générales, des décisions du conseil d'administration, << time sheet >>, etc.), la réalité des opérations réalisées et leur utilisation à des fins économiques.

Par ailleurs, en vertu de l'article 3, §1er, 1 ° de l'Arrêté royal n°3 du 10 décembre 1969 << pour pouvoir exercer son droit à déduction, l'assujetti doit pour la taxe grevant les biens et les services qui lui ont été fournis, détenir une facture émise conformément aux articles 53, §2 et 53octies, du Code et contenant les mentions visées à l'article 5, §1er, de l'Arrêté royal n°1 relatif aux mesures tendant à assurer le paiement de la taxe sur la valeur ajoutée >>.

L'article 5, §1er de l'Arrêté royal re1 dispose que << La facture et le document en tenant lieu visé à l'article 2 portent les mentions suivantes : [...]

6° Les éléments nécessaires pour déterminer l'opération et le taux de la taxe, notamment la dénomination usuelle des biens livrées et des services fournis et leur quantité >>.

10.-

Or, en l'espèce, le tribunal relève que les factures de sous-traitance, censées fonder le droit à

déduction :

- ont été produites pour la première fois plus de deux ans après la clôture du contrôle fiscal ;

- sont imprécises car elles ne visent que des << prestations comptables >>, non autrement précisées, si bien qu'elles ne permettent pas de déterminer quels travaux ont été réalisés : elles ne donnent aucune information sur la nature et la quantité des prestations effectuées, si bien qu'il est impossible de contrôler la réalité des prestations et leur utilisation à des fins économiques ;

- ne sont pas signées par le sous-traitant (fournisseur) ;

- ne sont étayées par aucune autre pièce, de nature à justifier la réalité des prestations facturées (contrat, offre, time sheet, etc.)

Les quelques courriels émis par MM. D. et H., produits par la demanderesse, ne suffisent pas à justifier la réalité des prestations facturées.

11.-

De plus, outre le caractère lacunaire des factures, l'administration fiscale relève :

- qu'il n'y a aucune trace du paiement des factures litigieuses ;

- que MM. D. et H. n'ont pas repris les prestations facturées dans la liste des clients assujettis qu'ils ont déposées.

12.-

Par conséquent, les conditions du droit à déduction ne sont pas rencontrées.

Quant aux amendes

13.-

Les amendes litigieuses sont :

une amende de 1.920,00 € (amende proportionnelle de 10 %) ;

- une amende de 150,00 € (dépôt tardif du listing client)

- une amende de 700,00 € (dépôt tardif des déclarations trimestrielles)

14.-

La demanderesse sollicite la remise de ces amendes, en invoquant leur caractère pénal et le

contrôle de pleine juridiction du tribunal.

Or, à l'estime du tribunal, une amende proportionnelle, réduite à 10 %, constitue la réparation du préjudice lié au non-respect des obligations fiscales, et non une véritable peine au sens de l'article 6 CEDH. Il ne s'agit donc pas d'une sanction de nature pénale, dont la demanderesse devrait pouvoir soumettre le bien-fondé à un tribunal indépendant et impartial, armé du pouvoir de pleine juridiction.

uant aux amendes pour dépôts tardifs, qui ont manifestement un caractère pénal, elles ne sont pas disproportionnées par rapport à la gravité des infractions commises par la demanderesse.

15.-

Le tribunal n'aperçoit pas de motifs pouvant justifier un sursis, s'il était prévu par la loi.

Beschikkend gedeelte

PAR CES MOTIFS,

LE TRIBUNAL, siégeant en premier ressort,

Statuant contradictoirement,

Vu la loi du 15 juin 1935 sur l'emploi des langues en matière judiciaire ;

Déclare la demande recevable, mais non fondée ;

En déboute la demanderesse ;

Condamne la demanderesse aux dépens de l'instance, mais constate l'absence de dépens dans le chef du défendeur ;

Laisse à la demanderesse la charge de la contribution au fonds budgétaire pour l'aide juridique de deuxième ligne de 20,00 € ;

Ainsi jugé et prononcé à l'audience publique de la 34ème chambre du tribunal de première instance francophone de Bruxelles du 22 septembre 2022,

Où étaient présents et siégeaient :

M. J. D., juge unique,

Mme N. C., greffier délégué

Nota van de FOD Financiën

Opmerkingen of commentaar

Wettelijke bepalingen

Artikelen 45 § 1, 70 en 84 WBTW

Artikelen 2, 3, §1, 1° d) en 5, § 1 van koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde

Koninklijk besluit nr. 41

Koninklijk besluit nr. 44

Referentie WF

WF 702-15-20/018597 – FINALITI 5503370901

Aangehaalde teksten

8
WBTW art. 454 voorkomens
KB nr. 3 art. 23 voorkomens
KB nr. 3 art. 32 voorkomens
KB nr. 3 art. 52 voorkomens
WBTW art. 222 voorkomens
KB nr. 1 art. 51 voorkomen
WBTW art. 171 voorkomen
WBTW art. 531 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8
Recht op aftrek6 gemeenschappelijke bepalingen
Recht op aftrek5 gemeenschappelijke bepalingen
Fictieve factuur, recht op aftrek van Btw5 gemeenschappelijke bepalingen
Recht op aftrek, Facturen van management fees5 gemeenschappelijke bepalingen
Intracommunautair handelsverkeer, Btw-boete5 gemeenschappelijke bepalingen