Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 21.09.2010
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER, Rechtdoende in burgerlijke zaken, heeft het volgende arrest uitgesproken :
In zake: 2008/AR/1668
de BELGISCHE STAAT, in de persoon van de heer Minister van Financiën, waarvan het kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12;
Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de Rekenplichtige van het tweede BTW-Ontvangkantoor te Hasselt, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 3500 Hasselt, Thonissenlaan 20;
appellant,
tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 7 mei 2008;
vertegenwoordigd door Meester F. R., advocaat te …, …;
tegen :
I. BVBA, met zetel te …, …;
geïntimeerde,
vertegenwoordigd door Meester H. V., advocaat te …, …;
Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het eensluidend afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak tussen partijen gewezen op 7 mei 2008 door de Elfde Kamer D van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, en waartegen een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 24 juni 2008;
Gelet op het tussenarrest uitgesproken door dit Hof op 27 oktober 2009;
Gehoord het Openbaar Ministerie in zijn mondeling advies ter terechtzitting van 19 januari 2010;
Gehoord partijen in hun middelen en conclusies;
1. Retroacten
1.1. In het tussenarrest van 27 oktober 2009 heeft het Hof het voorwerp van de vordering, de procedurele antecedenten en de feitelijke gegevens ter zake reeds uiteengezet. Het Hof verwijst hiernaar. Deze uiteenzetting dient hier voor zoveel als nodig als hernomen te worden beschouwd.
1.2. In het tussenarrest heeft het Hof reeds geoordeeld dat de door geïntimeerde ingestelde vordering geen definitieve beoordeling van de grond van de zaak tot voorwerp kon hebben gezien er in de akte van inhouding nog geen definitieve belastingschuld werd vastgesteld. De inhouding kon dan ook evenmin als een betaling van enige belastingschuld gelden. Uit de bepalingen van artikel 1420 Ger. W. volgt dat het verzet bij dagvaarding dient te worden ingesteld. Bijgevolg, stelt het Hof de vraag of de vordering, al zou het Hof bij toepassing van artikel 643 Ger. W. eveneens volstrekt bevoegd zijn om kennis te nemen van het verzet, wel op rechtsgeldige wijze werd ingesteld. Anderzijds, stelt het Hof vast dat ernstig mag getwijfeld worden aan de werkelijkheid van de voorgehouden transacties en dat gebeurlijk mag worden afgeleid dat de door geïntimeerde voorgelegde facturen en CMR-vrachtbrieven, die nog steeds ter staving van de door haar aangevoerde middelen worden gebruikt, vals zijn in de zin van artikel 196 Sw. Het Hof verklaart het hoger beroep derhalve ontvankelijk en beveelt, alvorens over de gegrondheid hiervan uitspraak te doen, ambtshalve de mededeling van deze zaak aan het Openbaar Ministerie overeenkomstig de bepalingen van artikel 764, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek en beveelt te dien einde, alsook teneinde aan partijen de gelegenheid te geven om standpunt in te nemen over de ambtshalve opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid van de vordering ingeleid bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt op 1 september 2003, de heropening van de debatten.
1.3. Het Openbaar Ministerie werd in zijn mondeling advies gehoord ter terechtzitting van 19 januari 2010 en heeft hierbij gesteld dat er ernstige aanwijzingen bestaan dat de door geïntimeerde aangewende stukken om de betwiste BTW-aftrek te verrichten vals zijn. Het Openbaar Ministerie achtte het evenwel niet opportuun om een strafonderzoek te openen naar deze feiten gezien het tijdsverloop en het grensoverschrijdend karakter van de feiten.
1.4. In haar conclusies neergelegd op 13 januari 2010 volhardt geïntimeerde in haar stelling dat het vaartuig wel degelijk in België werd geleverd en besluit dan ook tot de ontvankelijkheid doch ongegrondheid van het hoger beroep en dienvolgens de bevestiging van het bestreden vonnis. Geïntimeerde begroot het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding zo in eerste aanleg als in hoger beroep op een bedrag van … EUR.
1.5. In zijn conclusies neergelegd op 19 april 2010 stelt appellant vooreerst dat geïntimeerde zich tot de beslagrechter had moeten wenden indien zij van oordeel was dat het beslag moet worden opgeheven en dat de rechtbank van eerste aanleg recht doende in burgerlijke zaken onbevoegd was om zich hieromtrent uit te spreken en dat zij haar vordering bovendien had moeten inleiden bij dagvaarding en niet bij verzoekschrift op tegenspraak. Voor het overige blijft appellant de echtheid van de verrichtingen betwisten. Volgens appellant bevond het betreffende jacht zich op 29 juni 2000 niet in België maar in Nederland. De levering van het betrokken jacht gebeurde niet hier te lande maar wel in Nederland zodat dan ook de BVBA B. op 29 jun 2000 ten onrechte aan geïntimeerde een factuur uitreikte met aanrekening van 21 % Belgische BTW. In casu voldeed de levering van het jacht door B. BVBA aan geïntimeerde niet aan de voorwaarden van de BTW-wetgeving om aan geïntimeerde een factuur met aanrekening van BTW uit te reiken. Door de BVBA B. werd ten onrechte BTW aangerekend aan geïntimeerde voor de levering van het jacht, zodat er ook niet is voldaan aan bepalingen van KB nr. 1 en 3. Er kon tot op heden geen bewijs van vervoer naar Nederland worden voorgelegd en de betaling van de factuur geschiedde contant bij aflevering op 29 juli 2000, zoals blijkt uit vermelding op de factuur.
Er ligt evenmin een bewijs voor dat de boot op een trailer in Antwerpen stond op het ogenblik van de aankoop ervan. Het gaat om een loutere bewering zonder staving. Uit inlichtingen vanwege de Nederlandse administratie blijkt overigens dat het jacht in Nederland bij D. W. BV is blijven liggen tot 21 april 2001. Gelet op voormelde feiten dient de factuur uitgereikt door geïntimeerde aan de Nederlandse firma ’T G. H. BV als vals te worden beschouwd en kan hiermee geen rekening te worden gehouden. De door geïntimeerde bijgebrachte stukken nr. 14, 15 en 16 betreffen twee Cranchi sportjachten Atlantic met rompnummer … en …. Uit het antwoord van 15 november 2005, pagina 2, eerste alinea, van de Nederlandse zusteradministratie blijkt dat Cantiere Nautico Cranchi s.r.l. te Italië, fabrikant van sportjachten Cranchi Atlantique 40, verklaard heeft dat de voormelde twee rompnummers niet bestaan en dat deze schepen nooit gebouwd zijn geweest. Met de door geïntimeerde bijgebrachte stukken nr. 14, 15 en 16 kan dan ook geen rekening gehouden worden gezien ze fictief zijn. Appellant wijst er verder op dat er een verschil van … EUR bestaat tussen de beweerde in contante betaalde som genoemd door de directeur van ’T G. H. voor notaris op 25 april 2005 (… Nederlandse Gulden of … EUR), en het factuurbedrag van … BEF of … EUR. Dit is totaal ongeloofwaardig en er dient dan ook te worden besloten dat de heer S. een valse verklaring heeft afgelegd. Appellant besluit derhalve tot de gegrond verklaring van zijn hoger beroep en dienvolgens de vernietiging van het bestreden vonnis. Appellant begroot het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding zo in eerste aanleg als in hoger beroep op een bedrag van … EUR.
2. Beoordeling
2.1. Over de ontvankelijkheid van de vordering ingesteld bij verzoekschrift neergelegd op 1 september 2003
In het tussenarrest van 27 oktober 2009 heeft het Hof vastgesteld dat uit de akte van inhouding van 25 juni 2003 blijkt dat de BTW-administratie in eigen handen een bewarend beslag onder derden ten laste van geïntimeerde heeft gelegd tot zekerheid van de betaling van het bedrag van … EUR en dat hierin vooralsnog geen definitieve belastingschuld werd vastgesteld, zodat de door geïntimeerde ingestelde vordering ook geen definitieve beoordeling van de grond van de zaak tot voorwerp kon hebben. De inhouding kon evenmin als een betaling van enige belastingschuld gelden.
Uit de vorenstaande vaststellingen volgt dat geïntimeerde overeenkomstig artikel 81 , § 3, tiende lid, van het Koninklijk Besluit nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde enkel verzet kon doen tegen de inhouding bedoeld in het vierde en het vijfde lid van artikel artikel 81 , §3, door toepassing te maken van artikel 1420 van het Gerechtelijk Wetboek.
Uit de bepalingen van artikel 1420 Ger. W. volgt dat het verzet bij dagvaarding dient te worden ingesteld.
Artikel 700 Ger. W. bepaalde ten tijde van het instellen van de vordering dat hoofdvorderingen bij dagvaarding voor de rechter worden gebracht, onverminderd de bijzondere regels inzake vrijwillige verschijning en rechtspleging op verzoekschrift. Deze regel ressorteerde onder de rechterlijke organisatie, zodat de artikelen 860 en 861 Ger. W. niet toepasselijk werden geacht op miskenning van deze regel (Cass. AR 8105, 27 mei 1994, Arr.Cass. 1994, 534, conclusie advocaat-generaal J. DU JARDIN, Bull. 1994, 519, De Gerechtsd. 1994 (verkort), 106, JLMB 1995, 8, noot G. DE LEVAL, Journ. proc. 1995, afl. 274, 29, Pas. 1994, I, 519, R. Cass. 1994, 317, noot K. SEYEN & R. DE CORTE, 'Terug naar af. Substantiële nietigheden in het gerechtelijk privaatrecht', (R. Cass. 1994, 313-317), RCJB 1995, 639, noot G. CLOSSET-MARCHAL, 'Exceptions de nullité, fins de non-recevoir et violation des règles touchant à l'organisation judiciaire', (RCJB 1995, 643-662), RW 1994-95, 1017, noot K. BROECKX, 'Nieuwe procesrechtelijke geluiden', (RW 1994-95, 1023-1026), TRD&I 1994, 785).
De vordering ingesteld bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd op 1 september2003 is dan ook niet-ontvankelijk.
2.2. Over de verjaring van de BTW-vordering
2.2.1. Naar luid van artikel 81 W.BTW begint de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten te verjaren vanaf de dag dat deze vordering ontstaat.
Krachtens artikel 81bis, § 1, van het Wetboek is er verjaring voor de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan.
Artikel 81bis, § 1, derde lid, W.BTW stipuleert dat, in afwijking van het eerste en tweede lid van dat artikel, er verjaring is na het verstrijken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan, wanneer :
• een inlichting, een onderzoek of een controle aantoont dat belastbare handelingen niet werden aangegeven in België of dat er onrechtmatige belastingaftrekken werden toegepast en de inlichting werd medegedeeld of verzocht of het onderzoek of de controle werd uitgevoerd of verzocht door, hetzij een andere Lidstaat van de Europese Unie overeenkomstig de regels daartoe bepaald in het Wetboek of in de regelgeving van deze Unie, hetzij een bevoegde overheid van enig ander land waarmee België een overeenkomst heeft gesloten tot het vermijden van dubbele belasting, in verband met de belasting waarop die overeenkomst van toepassing is;
• een rechtsvordering aantoont dat, in België, belastbare handelingen niet werden aangegeven of belastingaftrekken werden toegepast met overtreding van de wettelijke en verordeningsbepalingen die erop van toepassing zijn;
• bewijskrachtige gegevens, waarvan de administratie kennis heeft gekregen, aantonen dat belastbare handelingen niet werden aangegeven in België of dat er belastingaftrekken werden toegepast met overtreding van de wettelijke en verordeningsbepalingen die daarop van toepassing zijn.
Als bewijskrachtige gegevens gelden onder meer een controle, een onderzoek, een schatting, een scheidsrechterlijke uitspraak, een minnelijke schikking, e.d. waarmee de belastingplichtige heeft ingestemd, alsook vaststellingen van de opsporingsdiensten die de bekentenis van de belastingplichtige dragen, resultaten van onderzoekingen verricht door andere administraties en waarmee de belastingplichtige heeft ingestemd, een tot op het ogenblik van de ontdekking onbekend gebleven onderhandse akte of de resultaten van een controle uitgevoerd in een land waarmee België geen dubbelbelastingverdrag heeft afgesloten.
De verlenging van de verjaringstermijn tot zeven jaar is enkel mogelijk indien door de verkregen inlichtingen specifiek een bewijs kan worden geleverd dat een belastbare handeling niet werd aangegeven (inclusief het ten onrechte inroepen van een vrijstellingsbepaling) of dat er een onrechtmatige aftrek werd toegepast. Het bewijs van dit laatste ligt bij de administratie.
Het begrip van 'bewijskrachtige gegevens' dient aldus strikt geïnterpreteerd te worden. De overtreding moet aan het licht worden gebracht ten gevolge van bewijskrachtige gegevens, sterker dan aanwijzingen. De gegevens waarvan de administratie kennis heeft gekregen, dienen m.a.w. op zich voldoende bewijskrachtig te zijn. Het volstaat bijgevolg niet dat zij een louter vermoeden uitmaken waaruit de administratie nog verdere conclusies dient te trekken. De bewijskrachtige gegevens dienen tegenstelbaar aan de belastingplichtige te zijn en een onweerlegbaar bewijs te vormen. De belastingplichtige mag niet in staat zijn deze gegevens te weerleggen (G. DE WIT, 'De verjaringstermijnen inzake BTW', TFR 2004, afl. 269, (895-900), nr. 10 p. 896).
Het proces-verbaal van 26 mei 2003 bevatte slechts vermoedens en/of aanwijzingen van overtredingen inzake BTW, doch geenszins bewijskrachtige gegevens die de toepassing van de zevenjarige verjaringstermijn zouden kunnen hebben verantwoord. Hierin werden enkele vaststellingen geacteerd, te weten dat geïntimeerde een sportjacht had gekocht van een BVBA B. en de prijs contant zou hebben betaald, dat de verkoop niet werd opgenomen in de BTW-aangifte van de BVBA B., dat geïntimeerde het jacht intracommunautair met vrijstelling van BTW voor een identieke prijs aan de Nederlandse BV ’T G. H. zou hebben doorverkocht, dat geen bewijs kon worden voorgelegd van het vervoer naar Nederland en dat de Nederlandse koper zou ontkennen enig jacht te hebben gekocht. Uit voormelde gegevens kon vooralsnog geen bewijs worden afgeleid dat de BVBA B. het vaartuig niet naar België had gebracht en aan geïntimeerde ook niet in België zou geleverd hebben.
Dit doorslaggevend bewijselement is pas aan het licht gekomen na het verstrijken van de driejarige verjaringstermijn en wel ingevolge gegevens verkregen van de Italiaanse resp. Nederlandse belastingadministraties op grond van artikel 5 van de Verordening (EEG) nr. 218/92 en van artikels 2 en 4 van de Richtlijn 77/799/EEG. De Nederlandse belastingadministratie deelde de beslissende inlichtingen mede bij brief van 17 februari 2005, door de Belgische administratie ontvangen op 21 februari 2005.
Deze inlichtingen werden verwerkt in het proces-verbaal van 2 maart 2005 en behelzen het bewijs dat de BV D. het jacht blijkens factuur van 25 mei 2000 aan de BVBA B. had verkocht, dat het jacht tot 21 april 2001 bij de BV D. in Nederland is blijven liggen en dat het jacht zich op de datum van de door geïntimeerde voorgehouden aankoop van de BVBA B. resp. voorgehouden verkoop aan de Nederlandse BV ’T G. H. niet in België bevond, doch wel in Nederland, zodat onrechtmatig toepassing werd gemaakt van de belastingaftrek voorzien in artikel 45 W.BTW.
De BTW-vordering is derhalve tijdig ingesteld, gelet op de bepalingen van artikel 81bis, § 1, derde lid, W.BTW.
2.2.2. Het is niet vereist dat de feiten waarop de inlichting slaat zich dienen te situeren binnen de gewone verjaringstermijn van drie jaar. De verkregen inlichtingen of de resultaten van het gevoerde onderzoek kunnen derhalve na deze periode nog worden verkregen of ingewonnen en gebruikt tegen de belastingplichtige.
Voor de toepassing van de zevenjarige termijn is evenmin een voorafgaande kennisgeving noodzakelijk. Artikel 84ter W.BTW is enkel van toepassing op de verjaringstermijn bepaald in artikel 81bis, § 1, tweede lid, 4°, W.BTW en dus niet op het in casu toepasselijk artikel 81bis, § 1, derde lid, W.BTW.
Een verjaringstermijn loopt tenslotte naar de toekomst toe (vgl. artikel 81 W.BTW) en niet naar het verleden toe, zoals door geïntimeerde zonder enige wettelijke verantwoording voorgehouden.
2.3. Over de belastingaftrek
Naar luid van artikel 45, § 1, W.BTW mag elke belastingplichtige op de belasting die hij verschuldigd is, in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van :
1° belaste handelingen;
2° handelingen vrijgesteld van de belasting krachtens de artikelen 39 tot 42;
3° handelingen in het buitenland, waarvoor recht op aftrek zou ontstaan indien zij in het binnenland zouden plaatsvinden;
4° handelingen bedoeld in artikel 44, § 3, 4° tot 10°, telkens wanneer de medecontractant buiten de Gemeenschap is gevestigd, of de genoemde handelingen, volgens door of vanwege de Minister van Financiën te bepalen voorwaarden, rechtstreeks samenhangen met goederen die bestemd zijn om te worden uitgevoerd naar een land buiten de Gemeenschap;
5° diensten als makelaar of lasthebber bij in 4° bedoelde handelingen.
Door het Hof dient te worden vastgesteld dat :
1. de voorgelegde aankoopfactuur van 29 juni 2000 met als verkoper de BVBA B. H. nooit werd opgenomen in enige BTW-aangifte van voornoemde vermeende verkoper;
2. van de betaling van deze factuur geen objectief controleerbaar bewijs voorligt, doch enkel een kwijting voor een in speciën betaald bedrag van niet minder dan … EUR (… BEF) ondertekend door een Roemeense onderdaan met woonplaats in Roemenië;
3. uit het door de Nederlandse belastingadministratie gevoerd onderzoek is gebleken dat de door de BVBA I. beweerde verkoop (volgens factuur van 10 juli 2000) aan een Nederlandse vennootschap BV ’T G. H. door de zaakvoerder van deze vennootschap wordt ontkend (al werd deze verklaring naderhand in een verklaring afgelegd voor een notaris op 29 april 2005, hetzij hangende de huidige procedure, gewijzigd);
4. het sportjacht CRANCHI Atlantique 40 volgens de Nederlandse invoerder BV D. W., die het schip aan de BVBA B. had verkocht, verklaart dat het jacht tot 21 april 2001 in Tolkamer is blijven liggen c.q. tussen de datum van verkoop aan de BVBA B. en voormelde datum het Nederlands grondgebied niet heeft verlaten;
5. het sportjacht alsdan in opdracht van een BV B. door de BV V. D. W. I. B. werd vervoerd van Nederland naar Benalmadena (Spanje);
6. de rompnummers … en …, volgens bevestiging van de Italiaanse fabrikant Cantiere Nautico Cranchi s.r.l. (brief van de Nederlandse belastingadministratie aan de Belgische belastingadministratie van 15 november 2005, stuk 3 dossier appellant), niet bestaan, en dat de verkoop van een sportjacht aan BVBA B. bijgevolg het rompnummer … betreft (en zo ook, al is dit niet verder pertinent voor de beoordeling van de zaak, het later vervoer van dit jacht naar Spanje).
Uit al de voormelde vaststellingen volgt dat als vaststaand dient te worden aangenomen dat het sportjacht, voorafgaand aan de voorgehouden verkoop aan geïntimeerde, door de BVBA B. naar België werd gebracht om vervolgens aan geïntimeerde in België te worden geleverd. Er kan bijgevolg geen sprake zijn van een bij toepassing van de artikelen 2, 15, 16 en 17 W.BTW in België belastbare levering aan geïntimeerde door de BVBA B.. De door geïntimeerde in haar boekhouding en BTWaangifte verwerkte factuur van de BVBA B. dient, in zoverre uit de toepassing van de Belgische BTW een levering van een goed in België moet worden afgeleid, als vals te worden beschouwd. Het in hoofde van geïntimeerde gecreëerde BTW-tegoed is onterecht en zelfs frauduleus. Het recht op aftrek van voorbelasting is immers beperkt tot de belasting die daadwerkelijk verschuldigd is, d.i. belasting terzake van een aan de BTW onderworpen handeling, of die is voldaan voor zover zij verschuldigd is. Van dit laatste ligt evenmin enig objectief controleerbaar bewijs van betaling aan de BVBA B..
De huidige ligging van het schip is irrelevant. Een loze hypothese dat het jacht naar België op een trailer zou kunnen zijn gebracht is even waardeloos als alle andere beweringen en door geïntimeerde gehanteerde stukken.
2.4. Over de administratieve geldboete
Krachtens artikel 70, § 1, eerste lid, van het BTW-Wetboek wordt voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet-tijdig betaalde belasting.
Krachtens artikel 84 van dat wetboek wordt, binnen de door de wet gestelde grenzen, het bedrag van de proportionele fiscale boeten bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.
Ingevolge artikel 1, laatste lid, van het Koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde (B.S. 7 februari 1987) wordt er geen vermindering van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde toegestaan ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.
De rechter aan wie gevraagd wordt de sanctie opgelegd op grond van artikel 70 van het BTW-Wetboek te toetsen, mag de wettelijkheid daarvan onderzoeken en in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat hij mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. De rechter mag hierbij inzonderheid acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie. Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingschuldige of om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen. De rechter mag niet nalaten te onderzoeken in welke mate het bestuur zelf gebonden was door een sanctie en op welke gronden het bestuur van de vaste schalen had moeten afwijken. (Cass. (1e k.) AR F.06.0032.N, 16 februari 2007, FJF 2009, afl. 3, 335, Pas. 2007, afl. 2, 374, TBP 2008 (weergave F. MEERSSCHAUT), afl. 7, 449, TFR 2007, afl. 330, 9344 december 2007), noot G. GOOSSENS, 'Redelijkheid, evenredigheid en proportionaliteit - Het standpunt van het Hof van Cassatie inzake de rechterlijke toetsing van fiscale geldboetes', (TFR 2007, afl. 330, 937-942); zie ook o.a. : Cass. (1e k.) AR F.06.0106.N, 13 februari 2009, FJF 2009, afl. 8, 910, TFR 2009 (samenvatting), afl. 370, 910; Cass. (1e k.) AR F.05.0015.N, 16 februari 2007, Fisc. Koer. 2007 (weergave A. KIEKENS), afl. 6, 386, noot A. KIEKENS, 'Kunnen de hoven en rechtbanken administratieve boeten kwijtschelden of verminderen die door de Administratie conform de wettelijke voorschriften zijn opgelegd en waarvan de wet de fiscus belette om ze te verminderen?', Fisc. Koer. 2007, afl. 6, 388-390, FJF 2007, afl. 9, 858, noot, Pas. 2007, afl. 2, 369, TFR 2007 (samenvatting), afl. 330, 944; Cass. (1e k.) AR C.00.0307.N, C.00.0599.N, 24 januari 2002, AFT 2002 (weergave D. JAECQUES), afl. 4, 201, Arr. Cass. 2002, afl. 1, 246, Juristenkrant 2002 (weergave B. WESTEN), afl. 47, 5, FJF 2002, afl. 5, 434, Pas. 2002, afl. 1,234, RW 2002-03, afl. 26, 1018).
Om uit te maken of er sprake is van een schending van dat evenredigheidsbeginsel moet worden nagegaan of de opgelegde sanctie gerechtvaardigd is, gelet op alle relevante factoren. Het zorgvuldigheidsbeginsel, waarvan het evenredigheidsbeginsel een uitloper is, houdt immers in dat bij de voorbereiding en bij het nemen van een overheidsbesluit alle relevante factoren en omstandigheden worden afgewogen Als materiële component zit hierin onder meer vervat dat de voor de belanghebbende nadelige gevolgen niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen (W. LAMBRECHTS, 'Het zorgvuldigheidsbeginsel', in Algemene beginselen van behoorlijk bestuur, red. I. OPDEBEEK, Kluwer Rechtswetenschappen, Antwerpen, 1993, 30-31).
Het evenredigheidsbeginsel impliceert m.a.w dat wordt nagegaan of de beslissing rekening gehouden met het doel dat wordt nagestreefd, in het concrete geval niet disproportioneel bezwarend is voor de particulier die door die beslissing wordt getroffen (zie conclusie van toenmalig advocaat-generaal M D. S. vóór het arrest van 15 juni 2004, T.R.O.S. 2004, 247-248) Er is immers sprake van een schending van het evenredigheidsbeginsel wanneer de door de overheid gemaakte keuze een kennelijke wanverhouding tussen het algemeen belang en het particulier belang tot gevolg heeft.
Nu in dit geval in het proces verbaal van 2 maart 2005 een onrechtmatige belastingaftrek werd vastgesteld was de administratie er wettelijk toe gehouden een boete op te leggen. De vermelding van de vastgestelde overtreding in samenhang met de vermelding van de wettelijke bepalingen op grond waarvan een boete werd opgelegd en de hoogte ervan werd bepaald zijn een voldoende en afdoende motivering die de belastingplichtige moeten toelaten op te maken op welke feitelijke en juridische gronden de kwestieuze boete werd opgelegd en om hem toe te laten hieromtrent een discussie me de administratie aan te gaan en gebeurlijk een procedure in te stellen.
De door geïntimeerde toegepaste onrechtmatige belastingaftrek is slechts mogelijk geweest door aanwending van verdachte stukken en facturen waarop een meer dan ernstig vermoeden van valsheid rust. Het bedrieglijk oogmerk in hoofde van geïntimeerde dien dan ook ongetwijfeld te worden weerhouden. Gelet op het fraude-inzicht en de ernst ervan dien de opgelegde boete niet als onevenredig bezwarend te worden beschouwd voor geïntimeerde die zich bewust aan de overtreding schuldig heeft gemaakt. Het algemeen belang kan dergelijke misbruiken in geen geval dulden. De nadelige gevolgen van de boete voor geïntimeerde moeten haar ertoe aanzetten zich in de toekomst van verdere frauduleuze praktijken ten nadele van de gehele gemeenschap te plegen.
Er bestaat dan ook geen aanleiding tot vermindering van de opgelegde geldboete.
De vordering ingeleid bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van de Rechtbank van eerste Aanleg te Hasselt op 20 april 2006 is derhalve ontvankelijk doch ongegrond.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
HET HOF,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;
Recht doende op tegenspraak,
Het tussenarrest van 27 oktober 2009 verder uitwerkend,
Verklaart het hoger beroep gegrond;
Doet dienvolgens het bestreden vonnis teniet, en opnieuw recht doende,
Verklaart de vordering ingesteld bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt op 1 september 2003 niet-ontvankelijk;
Verklaart de vordering ingeleid bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt op 20 april 2006 ontvankelijk doch ongegrond;
Veroordeelt geïntimeerde tot de kosten van beide aanleggen, begroot aan de zijde van appellant op … euro (… EUR) voor rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en … euro (… EUR) voor rechtsplegingsvergoeding hoger beroep;
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN van EENENTWINTIG SEPTEMBER TWEEDUIZENDENTIEN,
waar aanwezig waren :
D. W., Raadsheer wd. Voorzitter;
M. D. en
S. B., Raadsheren;
A. V. L., Griffier.
A.V. L. S. B. M. D. D. W.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.