Procesverloop
2 stappen · 2 jaar 5 maanden- Weergegeven beslissingHof van beroep te Gent13.10.2020
- Beslissing in cassatieHof van Cassatie van België24.03.2023
Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep Gent d.d. 13.10.2020
WF 710-15-17/051788
[Gemengd arrest]
Belasting over de toegevoegde waarde – intrest – systeem van verrekening – tarief intrest – strijdigheid met eigendomsrecht – fiscale geldboete
Wettelijke bepalingen
WBTW: art. 70; art 91
KB nr. 24: art. 6
Samenvatting
1) Feiten en voorgaande procedure
Eiseres is een advocatenvennootschap en sedert 1 januari 2014 geïdentificeerd als btw-belastingplichtige. Op datum van 31 december 2016 had de appellante volgens haar rekening-courant een saldo in haar voordeel van 3.472,84 euro en na indiening van aangifte eerste kwartaal 2017 met rooster 71 van 25.715,53 euro bleek nog een saldo (incl. intresten) te betalen van 22.350,41 euro.
De appellante betaalde (toen nog) niets. Op 23 mei 2017 stuurde de btw-administratie aan de appellante een laatste verwittiging voor de op-nul/zetting van de btw-rekening-courant omdat de vordering onbetaald bleef.
Uit de correspondentie van de partijen blijkt dat geen vergelijk blijkt wat betreft de berekening van intresten, systeem van verrekening en boetes.
Eiseres legt een verzoekschrift neer op de griffie van de rechtbank te Gent. De eerste rechter verklaarde de rechtsvordering van eiseres ontvankelijk en in beperkte mate gegrond (boete).
2) Het arrest in hoger beroep
a) De geldboete
Er ligt geen eerdere mededeling voor waarmee eiseres in kennis zou zijn gesteld van de boete, laat staan van de motivering die de administratie daarvoor zou hebben gehad. Waar de administratie inriep dat een motivering van de boete werd opgenomen in de bijlage van het bericht dat aangetekend zou zijn verstuurd op 27 juni 2017 met kennisgeving van de bijzondere rekening voor de periode van 28 februari tot 31 mei 2017, blijkt dat dit stuk geen datum draagt, en dat door de administratie geen bewijs van aangetekende zending wordt voorgelegd. Een motivering van de boete voorafgaand aan het bericht van 29 juni 2017, waarin intresten en boete werden opgelegd, blijkt dus uit niets. Dat de administratie naderhand, in een brief van 14 juli 2017, een motivering voor de boete geformuleerd heeft, kan niet beletten dat de boete ongeldig werd opgelegd.
b) Het systeem van verrekening
Het systeem van verrekening uit artikel 6 KB nr. 24 is volstrekt gelijk aan dat van het civiele recht, zoals verwoord in artikel 1254 BW. Er valt niet in te zien waarom voor belastingen deze algemeen aanvaarde wijze van verrekening van betaling niet aanvaardbaar zou zijn. In geen geval gaat het om een soort van ‘eigenrichting’.
c) De omvang van het toepasselijke rentetarief
De wettelijke nalatigheidsintrest van 9,6% per jaar is volgens eiseres disproportioneel en gaat in tegen het recht op eigendom uit artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM en vraagt daarom dat de opgelegde nalatigheidsinteresten door het hof beperkt worden tot de wettelijke intrestvoet van 2%.
De wijze waarop de inning van de btw geregeld is - fundamenteel verschillend van de wijze van inning van de inkomstenbelasting, noodzaakt dat het tarief van de nalatigheidsintrest voldoende hoog is om te vermijden dat de belastingplichtige zichzelf al te gemakkelijk een krediet zou (kunnen) verschaffen jegens de Schatkist. In het belang van de Schatkist (zijnde ook het 'algemeen belang') moeten de belastingen 'doorlopend' binnenkomen. Daarom is het aangewezen om het tarief van de nalatigheidsinterest hoog genoeg te bepalen en zelfs iets hoger dan gemiddeld op de markt mogelijk is. Dat tarief mag immers ontradend zijn ten aanzien van de mogelijkheid om jegens de Schatkist krediet aan te gaan. Zelfs wanneer dat tarief hoger ligt dan dat wat toepasselijk is voor de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties, blijft het redelijk verantwoord, gelet op de doelstelling om de betaling van de btw te verzekeren.
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Hof van beroep Gent, vijfde kamer
Rol: 2019/AR/1021
In de zaak van:
M.M. B.V.B.A., ON 0879...., met maatschappelijke zetel te ..., appellante, hebbende als raadsman mr...., advocaat te ...
tegen
BELGISCHE STAAT/FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, ON 0308.357.159, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, BELGIË, vertegenwoordigd door de Ontvanger van het Team Invordering Gent 1, met burelen te 9050 LEDEBERG (GENT), Gasten Crommenlaan 6 bus 101, BELGIË, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. ... advocaat te ...
wijst het hof het volgend arrest:
1. De procedure voor het hof
Bij verzoekschrift van 4 juni 2019 heeft de appellante (beperkt) hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, zesde kamer, op 8 mei 2019 werd uitgesproken in de zaak met rolnummer 17/3556/A, waarvan niet blijkt dat het werd betekend.
De zaak werd behandeld op de openbare terechtzitting van 15 september 2020, waarna het debat werd gesloten. Het hof nam vervolgens de zaak in beraad.
Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
2. De relevante feiten en de voorafgaande procedure
De appellante is een advocatenvennootschap en sedert 1 januari 2014 geïdentificeerd als btw belastingplichtige.
Op datum van 31 december 2016 had de appellante volgens haar rekening-courant een saldo in haar voordeel van 3.472,84 euro.
Op 20 april 2017 heeft de appellante haar btw-aangifte voor het eerste kwartaal van 2017 Ingediend waaruit een - tegen 20 april 2017 - te betalen bedrag van 25.715,53 euro bleek (rooster 71).
De appellante betaalde (toen nog) niets.
Op 23 mei 2017 stuurde de geïntimeerde (KMO Gent, Team 3) aan de appellante een laatste verwittiging voor de op-nul-zetting van uw btw-rekening-courant omdat een som van 22.350,45 euro onbetaald bleef (na aanrekening van het batig saldo op 31/12/2016 en van de interest op de te verwachten (niet betaalde) voorschotten). De brief was oorspronkelijk gedateerd op 10 mei 2017 maar de datum werd met de hand aangepast tot 23 mei 2017. De geïntimeerde maande de appellante aan om de verschuldigde btw, vermeerderd met interesten (samen 22.529, 25 euro) te betalen tegen uiterlijk 23 mei 2017, wat de datum is waarop de brief pas werd verzonden.
De appellante gaf op 3 juni 2017 opdracht tot overschrijving van het bedrag van 22.529,25 euro op rekening van de lokale administratie.
Bij brief van 13 juni 2017 meldde de geïntimeerde (KMO Gent, Team 3) dat 'binnenkort' een bijzondere rekening zou worden opgemaakt omdat niet werd voldaan aan de betalingsverplichting.
Met zijn brief van 29 juni 2017 liet de geïntimeerde aan de appellante weten dat, naast 22.350,45 euro btw, een boete van 3.350,00 euro (15% van de niet-betaalde btw) en bijkomende intresten (aan 9,6% per jaar) van 536,40 euro verschuldigd waren, met vraag die schuld onmiddellijk te voldoen.
Diezelfde 29 juni 2017 vroeg de appellante per e-mail om de vordering 'ongedaan te maken' aangezien de 'vermeende btw-schuld' al op 6 juni 2017 voldaan was.
In antwoord op die e-mail van de appellante bevestigde de geïntimeerde diezelfde dag nog dat op 31 mei 2017 (al) een bijzondere rekening werd opgemaakt en dat de betaling van de appellante op 6 juni 2017 werd ontvangen. Er wordt tevens gesteld dat contact kon genomen worden met het kmo.gent.team3@minfin.fed.be om de betaling van 22.529,25 euro te laten overboeken vanuit de rekening-courant naar de btw-schuld te Mechelen.
De appellante stuurde ook nog diezelfde dag een antwoord waarin ze stelde dat de vordering van de geïntimeerde ongegrond was omdat de btw-schuld al was vereffend op 6 juni 2017, er een gebrek aan communicatie is tussen de diensten van de FOD Financiën, de opgelegde boete nietig is (wegens gebrek aan motivering) en geen aanvullende interesten kunnen aangerekend worden.
Op 6 juli 2017 volgde een 'saldobericht', gericht aan de appellante, maar verstuurd naar het privéadres van haar zaakvoerder, waarin betaling werd gevraagd van 3.556,96 euro. Dat bedrag was volgens dat bericht, na aanrekening van de uitgevoerde betaling, eerst op de interest, dan op de boete en vervolgens op de btw, samengesteld uit 3.528,80 euro btw en 28,16 euro interest op de btw.
Navolgende correspondentie leverde geen vergelijk tussen de partijen op.
Met een verzoekschrift van 13 oktober 2017 stelde de appellante haar vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, waarbij zij zich verzet tegen het betalingsbevel van 29 juni 2017 en het saldobericht van 6 juli 2017.
In het vonnis van 8 mei 2019 heeft de zesde kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost Vlaanderen, afdeling Gent als volgt uitspraak gedaan:
Verklaart de vordering van de eiseres ontvankelijk en in beperkte mate gegrond; Vernietigt de opgelegde boete.
Beveelt de herrekening van het verschuldigde bedrag in functie van hetgeen hierboven is gesteld.
Veroordeelt de partijen elk tot de eigen kosten van het geding. Het is dan ook overbodig deze te begroten.
Legt de kost van 20,00 euro voor het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand ten Jaste van de eiseres.
Het is tegen dat vonnis dat de appellante (beperk) hoger beroep heeft ingesteld. De geïntimeerde stelde incidenteel hoger beroep in.
3. De vorderingen van de partijen
3.1. De vordering van de appellante
De appellante vraagt in hoger beroep aan het hof om:
Het hoger beroep van appellante ontvankelijk en gegrond te verklaren
Dienvolgens het vonnis dd. 8 mei 2019 gewezen door de Rechtbank van eerste aanleg Oost Vlaanderen, afdeling Gent, sectie burgerlijke rechtbank {6'1e kamer) in de zaak met rolnummer A.R. 17/3556/A te bevestigen wat de vernietiging van de opgelegde sanctie betreft.
Dienvolgens het vonnis dd. 8 mei 2019 gewezen door de Rechtbank van eerste aanleg Oost Vlaanderen, afdeling Gent, sectie burgerlijke rechtbank {ffe kamer) in de zaak met rolnummer A.R. 17/3556/A te hervormen wat de overige vorderingen van de BVBA Advocaat M.M. betreft, in het bijzonder:
1) Wat de toepassing van de verrekeningsregeling betreft
Te zeggen voor recht dat de verrekeningsregeling van artikel 6 van het BTW-KB nr. 24 het recht op eigendom van artikel 1 eerste Protocol bij het EVRM en artikel 6 EVRM schendt.
2) Wat de toepassing van de nalatigheidsinteresten betreft
Te zeggen voor recht dat artikel 91 WBTW de bepalingen van de artikelen 6 en 14 EVRM en van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM schendt.
Dienvolgens te zeggen voor recht dat de nalatigheidsinteresten van artikel 91 WBTW in casu geen toepassing kunnen vinden.
Minstens te stellen voor recht dat de Belgische Staat in gebreke is gebleven de nalatigheidsinteresten van artikel 91 WBTW aan te passen aan de op de geldmarkt toegepaste rentevoeten zodat er sprake is van overheidsaansprakelijkheid in de zin van artikel 1382 BW.
Dienvolgens de Belgische Staat te veroordelen tot het aanpassen van het tarief van de nalatigheidsinteresten inzake BTW aan de op de geldmarkt toegepaste rentevoeten en dit onder verbeurte van een dwangsom van 50.000 euro per dag vertraging vanaf de 3a5te dag na de betekening van het tussen te komen vonnis.
In zoverre het Hof meent dat de nalatigheidsinteresten niet kunnen herleid worden, dienvolgens de Belgische Staat te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van een bedrag gelijk aan 7,6% van de door verzoeker verschuldigde nalatigheidsinteresten, zijnde het verschil tussen de opgelegde rentevoet van 9,6% per jaar en de wettelijke interestvoet van 2%.
Kosten lastens geïntimeerde, met inbegrip van de geïndexeerde rechtsp/egingsvergoeding ten bedrage van het basisbedrag 780 euro voor elke aanleg.
3.2. De vordering van de geïntimeerde
De geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:
Het hoger beroep van de appellante ontvankelijk maar ongegrond te verklaren;
De appellante te veroordelen tot alle kosten van het geding1 inclusief de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep1 van € 780100.
Zoals hoger als vermeld, stelt de geïntimeerde evenwel ook incidenteel hoger beroep in. Op pagina 5 van zijn syntheseconclusie van 3 oktober 2019 stelt de geïntimeerde immers in de laatste paragraaf van hoofdstuk 1.1. het volgende: Gelet op het bovenstaande, wenst de geïntimeerde dan ook de hervorming te vorderen van het vonnis a quo dd. B mei 2019 m.b.t. dit middel en derhalve de vernietiging van de opgelegde sanctie in te trekken.
De geïntimeerde heeft per brief van 4 september 2020 bevestigd dat dit een incidenteel hoger beroep inhoudt en de appellante heeft per brief van 7 september 2020 bevestigd dat haar standpunt over de geldboete in haar beroepsakte als een afdoende (anticiperende) repliek tegen dat incidenteel hoger beroep geldt.
4. De betwistingen en hun beoordeling
4.1. Over de geldboete - incidenteel hoger beroep
De geïntimeerde is van oordeel dat de eerste rechter ten onrechte de geldboete van 3.350,00 euro (15%) vernietigd heeft wegens schending van de motiveringsverplichting.
De geïntimeerde kan in deze grief nochtans niet gevolgd worden.
Zowel op grond van artikel 109 de wet van 4 augustus 1986 houdende fiscale bepalingen als van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen kan aan de belastingplichtige slechts een boete worden opgelegd op voorwaarde dat de beslissing om die boete op te leggen zowel in feite als in rechte gemotiveerd wordt. Dat veronderstelt dat de vermelding van de feiten en de juridische grondslag in de beslissing vermeld worden op een wijze dat het opleggen van deze, welbepaalde boete (met haar specifieke eigenschappen) verantwoord wordt; die motivering moet het opleggen van die boete 'dragen'.
In artikel 109 van de wet van 4 augustus 1986 houdende fiscale bepalingen luidt dat expliciet als volgt:
Telkens wanneer een belastingadministratie aan een belastingplichtige een bericht zendt1 waarbij hem een administratieve boete wordt opgelegd, vermeldt dat bericht de feiten die de overtreding opleveren en de verwijzing naar de toegepaste wet- of verordeningsteksten1 en geeft de motieven op die gediend hebben om het bedrag van de boete vast te stellen.
De geïntimeerde heeft op 29 juni 2017 aan de appellante een 'betaalbericht' gestuurd waarin haar werd meegedeeld dat zij schuldenaar was van 26.236,85 euro met schematische uiteenzetting van de samenstelling van dat bedrag. Onderdeel van dat bedrag was 3.350,00 euro 'boeten'. Met geen enkel woord werd in dat bericht enige toelichting gegeven met betrekking tot de reden (noch in feite, noch in rechte) en de (rekenkundige) vaststelling van die geldboete.
Er ligt geen eerdere mededeling voor waarmee de appellante in kennis zou zijn gesteld van die boete, laat staan van de motivering die de geïntimeerde daarvoor zou hebben gehad. Waar de geïntimeerde (destijds) inriep dat een motivering van de boete werd opgenomen in de bijlage van het bericht dat aangetekend zou zijn verstuurd op 27 juni 2017 met kennisgeving van de bijzondere rekening voor de periode van 28 februari tot 31 mei 2017 (stuk dat onder andere meegedeeld werd in bijlage van de aangetekende brief van de geïntimeerde van 14 juli 2017), blijkt (1) dat dit stuk geen datum draagt, (2) dat, hoewel er een RP-code op de brief vermeld staat, door de geïntimeerde geen bewijs van aangetekende zending wordt voorgelegd en (3) de appellante steeds ontkend heeft die brief en bijlage ooit ontvangen te hebben. Een motivering van de boete voorafgaand aan het bericht van 29 juni 2017 blijkt dus uit niets.
Verder beroept de geïntimeerde er zich ten onrechte op dat de tekst van de wetgeving (die een spontane verplichting tot betaling van aangegeven btw voorschrijft en een boete van 200% voorziet te verminderen tot 15% ingeval van niet tijdige betaling van die btw, enz.) de appellante vooraf (herhaaldelijk) was meegedeeld. Die enkele kennisgeving van de wetgeving, ook gepaard gaand met de aanmaning tot betaling van de btw-schuld, kan niet beschouwd worden als een 'motivering' van de geldboete in overeenstemming met de wettelijke voorschriften op dat vlak (zie hoger). Daaraan verandert niets wanneer moet worden aangenomen dat de belastingplichtige of haar zaakvoerder als de beste op de hoogte is van de wetgeving en reglementen op dat vlak.
Dat de geïntimeerde naderhand, In een brief van 14 juli 2017, een motivering voor de boete geformuleerd heeft, kan niet beletten dat de boete ongeldig werd opgelegd.
De eerste rechter heeft op diezelfde grond terecht beslist om de boete te vernietigen. Het incidenteel hoger beroep is dan ook ongegrond.
4.2. Over de wijze waarop betalingen werden aangerekend
Zoals in het feitenrelaas vermeld, werd op 6 juli 2017 een 'saldobericht' verstuurd waarin betaling werd gevraagd van 3.556,96 euro, wat het saldo was na aanrekening van de op 6 juni 2017 uitgevoerde betaling van 22.529,25 euro, eerst op de interest, dan op de boete en vervolgens op de btw (samengesteld uit 3.528,80 euro btw en 28,16 euro interest op de btw). Dat gebeurde met toepassing van artikel 6 KB nr. 24 van 29 december 1992 waarvan het eerste lid als volgt luidt: De op de creditzijde van de in artikel 51 §1 en §21 bedoelde ingeschreven bedragen worden1 niettegenstaande elke strijdige verklaring van de belastingplichtige1 in de navolgende volgorde toegerekend eerst op de kosten1 daarna op de interesten1 vervolgens op de fiscale geldboeten en tenslotte op de nog verschuldigde belasting.
De appellante weet zich gegriefd door het bestreden vonnis omdat de eerste rechter niet inging op het middel dat er toe strekt te zeggen dat deze wijze van aanrekening in strijd is met het recht van verdediging en het recht op toegang tot een rechter voorzien in artikel 6 EVRM en met het eigendomsrecht voorzien in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EHRM.
In dat verband moet er al mee rekening gehouden worden dat het voorwerp van deze grief beperkt is nu er geen boete verschuldigd is. Dat betekent immers dat de wijze waarop de aanrekening volgens artikel 6 KB nr. 24 gebeurt, concreet meebrengt dat de betaling van 6 juni 2017 eerst op de interest moet worden verrekend en vervolgens (meteen) op de verschuldigde btw in hoofdsom.
Waar de appellante vraagt om de betaling eerst op de btw aan te rekenen, zou dat betekenen dat de openstaande schuld beperkt blijft tot de wettelijke, krachtens de wet zelf, verschuldigde interest op het bedrag aan btw dat de appellante (spontaan) vanaf 20 april 2017 had moeten betalen (maar slechts op 6 juni 2017 vereffende). Daardoor zou er geen saldo aan eigenlijke belasting meer openstaan, wat meebrengt dat er geen interest meer op enige openstaande belasting loopt vanaf de betaling.
Ongeacht het antwoord op de vraag of de ingeroepen rechtsgronden toepasselijk zijn op belastingen en interest (te onderscheiden van sancties, zoals een geldboete) stelt het hof hoe dan ook vast dat de aangevoerde schendingen niet bestaan. Er is immers geen vermindering van het recht van verdediging1 noch van het recht op toegang tot een onafhankelijke rechter, noch van het eigendomsrecht door het feit dat betalingen eerst op de Interest gebeuren waardoor het betalen na de vervaldag van het nominale bedrag van de belasting (de hoofdsom) - wegens de aanrekening eerst op de ondertussen al gelopen interest - tot gevolg heeft dat er een saldo aan 'belasting' blijft openstaan.
Ten onrechte voert de appellante namelijk aan dat het om een systeem zou gaan dat de geïntimeerde voor zichzelf geïnstalleerd heeft voor eigen geldgewin en een 'verrijking' inhoudt 'op de kap van de belastingplichtige' en dat aan de belastingplichtige een 'sanctie' oplegt, zelfs als hij de argumentatie van de administratie betwist.
Het systeem van verrekening uit artikel 6 KB nr. 24 is immers volstrekt gelijk aan dat van het civiele recht, zoals verwoord In artikel 1254 BW. Er valt niet in te zien waarom voor belastingen deze algemeen aanvaarde wijze van verrekening van betaling niet aanvaardbaar zou zijn. In geen geval gaat het om een soort 'eigenrichting'.
Interest is trouwens maar verschuldigd als en wanneer er vertraging is in de betaalverplichting (die hier ontstaat door en krachtens de wet wegens het enkele feit dat de belastingplichtige een btw-aangifte doet waaruit een saldo in het voordeel van de Schatkist blijkt - zoals hier het geval is).
Verder zal deze betwisting zonder voorwerp vallen, wanneer het hof tot de vaststelling zou komen dat er geen reden was om interest aan te rekenen. Dat er sprake zou zijn van benadeling van de belastingplichtige ook als hij de argumentatie van de administratie betwist, is dus onjuist.
Ook bewijst de huidige procedure dat de appellante wel degelijk toegang heeft tot een rechter die het geschil objectief en onafhankelijk moet beoordelen.
Deze grief is ongegrond.
4.3. Over de omvang van het toepasselijke rentetarief
De appellante stelt dat artikel 91 WBTW ingaat tegen het recht op eigendom, het recht op een eerlijk proces en het gelijkheidsbeginsel schendt, meer bepaald omdat de daarin bepaalde interestvoet van 0,8% per maand (zijnde 9,6% per jaar) in 2017 en 2018 veel te hoog was.
Zij wijst op de wetshistoriek van artikel 91 WBTW en wel als volgt:
3.1.2.1. Bij de invoering van het WBTW in 1970 bedroeg de nalatigheidsinterest 0,6% per maand, hetzij 7,2% per jaar.
3.1.2.2. Dit percentage werd een eerste keer verhoogd bij Wet van 24 december 1976 met betrekking tot de budgettaire voorstellen 1976-1977. Door deze wet werd het percentage op 1% gebracht, hetzij 12% per jaar.
3.1.2.3. Vervolgens werd het percentage een tweede keer aangepast door de Wet van 4 augustus 1986 houdende fiscale bepalingen. Door deze wet werd het percentage op 0,8% gebracht, hetzij 9,6% per jaar, en werd tevens aan de Koning de bevoegdheid gegeven om het percentage aan te passen "wanneer zulks ingevolge de op de geldmarkt toegepaste rentevoeten verantwoord is".
Sinds deze wet is het percentage van de nalatigheidsinteresten uit artikel 91 WBTW tot op heden onveranderd gebleven.
3.1.3. Bij de wetswijziging van 4 augustus 1986 werd in de Memorie van Toelichting door de Wetgever echter het volgende gesteld:
"Gelet op het huidige tarief van de wettelijke rentevoet {10 pct) en op de daling van de rentetarieven, is de regering van oordeel dat het tarief van de momenteel aangerekende nalatigheids- en moratoriuminteresten ( nl. 1 pct. per kalendermaand of 12 pct. per jaar ) zowel inzake directe belastingen als inzake BTW niet meer verantwoord is. Daarom wordt voorgesteld dat tarief terug te brengen tot 0,8 pct. Daarenboven wordt voorzien dat de Koning in de toekomst de bedoelde tarieven kan aanpassen wanneer zulks ingevolge de op de geldmarkt toegepaste rentevoeten verantwoord is."
Volgens de appellante was het de bedoeling van de Wetgever om het percentage van de nalatigheidsinteresten aan te passen aan de 'wettelijke rentevoet'. Zij wijst er op dat de wettelijke rentevoet in 1986 10% bedroeg en meent dat het tegen die achtergrond was dat de Wetgever de nalatigheidsinterest uit artikel 91 WBTW 'beperkte' tot 9,6%.
Wat betreft de aangevoerde schending van het recht op eigendom zoals voorzien in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, (al dan niet gelezen in samenhang met artikel 1382 BW) stelt de appellante dat de Wetgever de uitvoerende macht vroeg om het percentage van de nalatigheidsinteresten aan te passen aan de 'wettelijke rentevoet', MAAR dat dit nooit gebeurde niettegenstaande de wettelijke rentevoet sinds 1986 herhaaldelijk is gedaald (concreet van 10% over 8%, 7%, 6%, 7%, 5,5%, 3,25%, 3,75, 4,25%, 2,75%, 2,5% tot 2% sedert 1 januari 2017) (vanaf 1 januari 2020 nog slechts 1,75% (BS 27 januari 2020)).
Dit betekent, zo benadrukt de appellante, dat wat de btw betreft in 2017 en 2018 nalatigheidsinterest werd aangerekend die bijna vijf keer zo hoog is als de wettelijke rentevoet, daar waar uit de ratio legis van artikel 91 WBTW blijkt dat de fiscale nalatigheidsinteresten in lijn moeten liggen met de wettelijke rentevoet.
Voor de appellante is duidelijk dat de Koning, die overeenkomstig artikel 91, § 5 WBTW bevoegd is om de percentages uit artikel 91 WBTW aan te passen wanneer zulks ingevolge de op de geldmarkt toegepaste rentevoeten verantwoord is, hier schromelijk in gebreke is gebleven ten nadele van de belastingplichtigen door het percentage van de nalatigheidsinteresten sinds 1986 ongewijzigd te laten.
De wettelijke nalatigheidsinterest van 9,6% per jaar is volgens de appellante disproportioneel en gaat bijgevolg in tegen het recht op eigendom uit artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM dat enkel een proportionele afbreuk aan het eigendomsrecht duldt vanwege de overheid. De appellante vraagt daarom dat de opgelegde nalatigheidsinteresten door het hof beperkt worden tot de wettelijke interestvoet van 2% per jaar.
Indien het Hof zou menen dat het op basis van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM de opgelegde nalatigheidsinteresten niet kan beperken, dan vordert de appellante dat de Belgische Staat veroordeeld wordt tot het betalen van een schadevergoeding van een bedrag gelijk aan het verschil tussen de opgelegde rentevoet van 9,6% per jaar en de wettelijke interestvoet van 2%. Het feit dat de Koning ter zake in gebreke is gebleven impliceert volgens de appellante dat ze schade heeft geleden en dat er tevens sprake is van overheidsaansprakelijkheid in de zin van artikel 1382 BW.
Wat de toekomst betreft vordert de appellante om de geïntimeerde conform artikel 91, § 5 WBTW te veroordelen tot het aanpassen van het tarief van de nalatigheidsinteresten inzake BTW aan de op de geldmarkt toegepaste rentevoeten en dit onder verbeurte van een dwangsom van 50.000 euro per dag vertraging vanaf de 30ste dag na de betekening van het tussen te komen vonnis.
De appellante is ook van oordeel dat de interestvoet die in artikel 91 WBTW is bepaald in strijd is met artikel 6 EVRM.
In dat verband stelt de appellante dat nalatigheidsinterest een vergoedend karakter moet hebben en tot doel heeft de schuldeiser te vergoeden voor de schade die hij heeft moeten lijden wegens het niet kunnen beschikken over de verschuldigde sommen. Mocht de schuldeiser wel tijdig de beschikking hebben gehad over de verschuldigde sommen dan had hij die kunnen beleggen en een rendement kunnen behalen, rendement dat afhankelijk is van de evolutie op de internationale markten en dit wordt tot uiting gebracht in de wettelijke rentevoet.
Met een nalatigheidsintrest die vijfmaal zo hoog is als de wettelijke rentevoet, is volgens de appellante geen sprake meer van enig vergoedend karakter. Daarom zou de huidige fiscale nalatigheidsintrest het karakter hebben verkregen van een strafsanctie in de zin van artikel 6 EVRM.
Van dan af beroept de appellante zich op het recht op toegang tot een rechter met volle rechtsmacht om de opgelegde sanctie te beoordelen in functie van de gepleegde feiten en oordelen of de sanctie proportioneel is of niet en bij disproportie over te gaan tot een herleiding tot een proportioneel niveau.
Tegelijk roept de appellante, op basis van het non bis in idem-beginsel, het recht in om geen twee keer te worden veroordeeld voor dezelfde feiten, waarbij ze doelt op de opgelegde boete van 3.350,00 euro.
De appellante wijst er op dat, wat de inkomstenbelastingen betreft, het percentage van de nalatigheidsinteresten eerst in 1998 verminderd werd van 9,6% per jaar naar 7% per jaar, waarna in 2006 het percentage van die interest vastgelegd werd op 'minstens 7% per jaar' (door een wijziging van artikel 2 van de Wet van 5 mei 1865 betreffende de lening tegen interest) en dit teneinde elke budgettaire impact te vermijden en dat met ingang van 1 januari 2018 de nalatigheidsinterest in de inkomstenbelastingen vastgesteld werd op 4% per jaar. De appellante voegt er het volgende aan toe:
In de Memorie van Toelichting van de Wet van 25 december 2017 tot hervorming van de vennootschapsbelasting werd deze wetswijziging als volgt gemotiveerd (Parl.St., Kamer, 2017-2018, 54-2864/001, p. 116 e.v. ):
" Vandaag wordt de wettelijke rentevoet in fiscale zaken in het artikel 2 van de wet van 5 mei 1865 betreffende de lening tegen interest, zoals vervangen bij artikel 87 van de programmawet van 27 december 2006, bepaald op 7 pct. per jaar. In 2006 had de indieners beslissen dat het in het kader van de strijd tegen de gerechtelijke achterstand en om bepaalde vormen van "gerechtelijke speculatie" te vermijden, noodzakelijk was om de wettelijke rentevoet te verlagen van 7 pct. naar 5 pct., met uitzondering van meer bepaald de fiscale schulden, waarvoor de rentevoet werd bepaald op 7 pct., met de mogelijkheid om het aan te passen bij een bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit. Deze rentevoet werd nooit herzien, terwijl de economische werkelijkheid sinds de kredietcrisis is veranderd en waarbij men getuige was van een daling van de wettelijke rentevoet jaar na jaar, en die vandaag voor 2017 2 pct. bedraagt. Bijgevolg was het aangeraden om de nalatigheidsinteresten en de moratoriuminteresten aan te passen aan de economische realiteit en om te voorzien in de mogelijkheid om ze jaarlijks aan te passen in functie van de evolutie van de rentevoeten van de lineaire obligaties op 10 jaar. Voortaan wordt de rentevoet van de nalatigheidsinteresten bepaald op 4 pct. om op die wijze een incentive te creëren om zijn fiscale schulden te voldoen.
Immers, indien de rentevoet voor de nalatigheidsinteresten volledig zou overeenstemmen met de rentevoet van de wettelijke rentevoet, zouden ondernemingen en particulieren onvoldoende uitgenodigd worden om hun fiscale schulden te voldoen en deze sommen gebruiken als een kaskrediet. De rentevoet zal jaarlijks gewijzigd worden, aan het gemiddelde van de referte indexen J met betrekking tot de lineaire obligaties 10 jaar van de maanden juli, augustus en september van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de nieuwe rentevoet van toepassing zal zijn, en dit in een marge begrepen tussen 4 en 10 pct. per jaar. Daartoe zal jaarlijks een bericht worden gepubliceerd in het laatste trimester met de nieuwe rentevoet die van toepassing wordt in het volgende kalenderjaar. Bijvoorbeeld, indien de gemiddelde rentevoet van de referte indexen J met betrekking tot de lineaire obligatie 10 jaar van de maanden juli, augustus en september 5 pct. bedraagt, dan zal de nieuwe rentevoet van de nalatigheidsinteresten 5 pct. worden. Indien daarentegen de gemiddelde rentevoet van de referte-indexen lager of gelijk is aan 4 pct., zal de nieuwe nalatigheidsinterest 4 pct. bedragen.
Voor de appellante betekent dat dat door de toepassing van artikel 91 WBTW een discriminatie bestaat omdat aan de ene kant de nalatigheidsintresten inzake BTW 9,6% per jaar bedragen en de nalatigheidsinteresten inzake Inkomstenbelastingen in 2017 7% en vanaf 1 januari 2018 zelfs maar 4% per jaar bedragen.
Deze discriminerende situatie in de toepassing van de wet schendt volgens haar de bepalingen van artikel 14 EVRM dat stelt: Het genot van de rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, moet worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.
Gelet op haar recht op de bescherming van haar eigendomsrecht, terwijl zij bij de aantasting van dat recht door de Belgische Staat wordt gediscrimineerd, verzoekt de appellante ook op die gronden om de Belgische Staat conform artikel 91, § 5 WBTW te veroordelen tot het aanpassen van het tarief van de nalatigheidsinteresten inzake BTW aan de op de geldmarkt toegepaste rentevoeten en dit onder verbeurte van een dwangsom van 50.000 euro per dag vertraging vanaf de 30ste dag na de betekening van het tussen te komen vonnis.
De appellante kan op al deze middelen evenwel niet gevolgd worden.
4.3.1. _Met _betrekking tot het recht op eigendomsbeperking - subsidiair compensatie in.de vorm van een schadevervoeding
4.3.1.1. Artikel 1 van het aanvullend protocol bij het EVRM
De appellante voert aan dat artikel 1 van het aanvullend protocol bij het EVRM enkel een proportionele afbreuk aan het eigendomsrecht duldt vanwege de overheid.
Artikel 11 van het aanvullend protocol bij het EVRM stelt het recht in op het ongestoord genot van eigendom; de 'beroving' van iemands eigendom is alleen toegelaten in het algemeen belang en met inachtneming van bij wet en in overeenstemming met de algemene beginselen van het internationale recht bepaalde voorwaarden. Hoe dan ook behoudt een Staat het recht om 'de wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren (met eigen onderstreping door het hof).
Het is onmiskenbaar dat de Koning sedert de wetswijziging van 1986 wat de btw betreft geen aanpassing heeft gedaan van het tarief van de interest (zowel moratorium- als nalatigheidsinterest) om deze af te stemmen op de op de geldmarkt toegepaste rentevoeten.
De appellante toont nochtans niet aan dat het handhaven van de rentevoet op 9,6% per jaar een ongeoorloofde inbreuk op het eigendomsrecht (van de belastingplichtige) met zich brengt.
Het is zeker waar dat de wettelijke rentevoet in de betrokken periode waarop de vordering betrekking heeft, al veel lager was dan de 9,6%, namelijk slechts 2%. Het is ook waar dat de wetgever zelf de hoger geschetste aanpassing heeft doorgevoerd wat de interestvoet in de inkomstenbelastingen betreft en dat dit een aanzienlijke verlaging heeft meegebracht in vergelijking met de 9,6% per jaar.
Nochtans heeft de Koning slechts de bevoegdheid gekregen om een aanpassing te doen wat de btw betreft wanneer zulks ingevolge de op de geldmarkt toegepaste rentevoeten verantwoord is. Het referentiekader dat de wetgever daarmee aanreikt, is dus niet beperkt tot dat van de 'wettelijke rentevoet' (zijnde deze bepaald overeenkomstig de wet van 5 mei 1865).
Wat de renteregeling betreft, is een verschillende werkwijze voor de btw in vergelijking met deze voor de inkomstenbelastingen ook verantwoord en zelf aangewezen.
Kenmerkend voor het stelsel van de btw - en onderscheidend met dat van de inkomstenbelasting - is immers dat de belastingplichtige in de regel (zoals hier) zelf ontvanger is van de btw die aan de Schatkist verschuldigd is, daarvan periodiek aangifte moet doen en deze meteen (vanaf de 20ste dag na het belastbaar tijdperk) uit eigen beweging moet betalen. Het is in die omstandigheden van fundamenteel belang voor de vlotte werking van het btw-stelsel dat elke vertraging in de betaling van de (netto per aangifteperiode betaalbare) btw door de belastingplichtige een nalatigheidsinterest verschuldigd maakt. Aangezien de btw-belastingplichtige zelf aangifte moet doen van de (aftrekbare en te betalen) btw, weet hij ook (of moet hij minstens geacht worden te weten) dat en hoeveel hij (per saldo) verschuldigd is, minstens afdoende om een gepast voorschot te betalen. Het is in die zin dus terecht dat die nalatigheidsinterest 'van zelf' (krachtens de wet) en automatisch verschuldigd wordt (behalve voor kleine bedragen).
Tegelijk en daarom niet minder is het wegens de genoemde kenmerken van de wijze waarop de inning van de btw geregeld is, fundamenteel dat het tarief van de nalatigheidsinterest voldoende hoog is om te vermijden dat de belastingplichtige zichzelf al te gemakkelijk een krediet zou (kunnen) verschaffen jegens de Schatkist. In het belang van de Schatkist (en dus van alle gezamenlijke belastingbetalers, zijnde ook het 'algemeen belang') moeten de belastingen 'doorlopend' binnenkomen. Daarom is het aangewezen om het tarief van de nalatigheidsinterest hoog genoeg te bepalen en zelfs iets hoger dan gemiddeld op de markt mogelijk is. Dat tarief mag immers ontradend zijn ten aanzien van de mogelijkheid om jegens de Schatkist krediet aan te gaan.
Waar de btw-belastingplichtige in de regel (zoals hier) een onderneming is, is de 'wettelijke rentevoet in de handelstransacties' (artikel 5 Wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties, gewijzigd door de wet van 22 november 2013) een relevant vergelijkingspunt.
Het hof stelt vast dat sinds het eerste semester van 2017 de wettelijke rentevoet in de handelstransacties op 8% per jaar is vastgesteld (zie publicaties in de bijlagen aan het Belgisch staatsblad van 30/01/2017, 13/07/2017, 24/01/2019, 25/07/2018, 29/01/2019, 18/07/2019, 06/02/2020 en 24/08/2020) (en daarvoor een tijdlang zelfs hoger was).
Tegen deze achtergrond is het feit dat de rentevoet voor de nalatigheidsinterest op niet tijdig betaalde btw in 2017 onverminderd op 0,8% per maand en dus 9,6% per jaar was betaald, niet in strijd met het eigendomsrecht. Zelfs wanneer dat tarief hoger ligt dan dat wat toepasselijk is voor de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties, blijft het redelijk verantwoord gelet op de doelstelling om de betaling van de btw te verzekeren.
Dit middel is ongegrond.
4.3.1.2. De appellante vraagt minstens de geïntimeerde te veroordelen tot het betalen aan de appellante van een schadevergoeding voor het bedrag gelijk aan het verschil tussen de fiscale rentevoet van 9,6% en de wettelijke rentevoet van 2% (zijnde 7,6%)
De vraag waarop het hof in dat verband een antwoord moet geven is of het in strijd is met wat men van een normaal zorgvuldige overheid (uitvoerende macht) kan of moet verwachten wanneer hem door de wetgever de bevoegdheid is gegeven het betreffende rentetarief af te stemmen op de rentevoet die op de geldmarkt toepasselijk is, wanneer blijkt dat er geen aanpassing is gebeurd van dat tarief (en de Koning (d.i. de uitvoerende macht) van zijn bevoegdheid dus geen gebruik heeft gemaakt) hoewel de 'op de geldmarkt toegepaste rentevoeten' in de voorbij jaren al betekenisvol zijn gedaald.
Gelet op wat hierboven onder punt 4.3.1.1. werd vastgesteld, is een dergelijke onzorgvuldigheid van de overheid hier niet bewezen. Bij gebrek aan fout is de vordering tot schadevergoeding ongegrond.
4.3.1.3. Zoals hoger vermeld, vordert de appellante ook nog om:
De Belgische Staat te veroordelen tot het aanpassen van het tarief van de nalatigheidsinteresten inzake BTW aan de op de geldmarkt toegepaste rentevoeten en dit onder verbeurte van een dwangsom van 50.000 euro per dag vertraging vanaf de 3dte dag na de betekening van het tussen te komen vonnis.
De appellante vraagt daarmee om een uitspraak te doen voor 'de toekomst'. Dat veronderstelt een oordeel dat de beoordeling van de bestr.eden btw-aanspraak overstijgt en een uitspraak bij wijze van algemene en als regel geldende beschikking. Op die vordering kan niet worden ingegaan, nu dit de rechter verboden is (art. 6 Ger.W.).
In elk geval is hoger al vastgesteld dat de appellante niet bewijst dat er reden is om de rentevoet aan te passen.
4.3.2. Met betrekking tot het recht op een eerlijk proces
In dat verband steunt de appellante zich op de aanname dat de hoogte van de rentevoet meebrengt dat de interest die op niet (tijdig) betaalde btw verschuldigd is, geen vergoedend karakter heeft en daarom als een strafsanctie in de zin van artikel 6 EVRM moet worden beschouwd.
Die aanname is evenwel onjuist.
Hoger, onder punt 4.3.1.1., is al uiteengezet dat het toegepaste tarief van 9,6% per jaar het best vergelijkbaar is met dat van de wettelijke rentevoet in de handelstransacties en dat het verantwoord is om een iets hoger tarief toe te passen om kredietneming te ontraden waardoor de Schatkist voldoende zekerheid heeft over de vlotte ontvangst van de betreffende inkomsten. Dat betekent dat er ook andere motieven zijn dan het enkele 'vergoedende karakter' dat steeds kenmerkend is voor interest. De relatief hoge omvang van het toegepaste tarief is dus niet bedoeld om te straffen.
Bijgevolg is een toetsing aan artikel 6 EVRM niet dienstig en zijn alle middelen afgeleid uit het (beweerde) strafrechtelijk karakter van de aangerekende interest (waaronder het non bis-in-idem-beginsel) eveneens ongegrond.
4.3.3. Met betrekking tot het gelijkheidsbeginsel
Zoals onder punt 4.3.1.1. uiteengezet heeft de wijze waarop btw in de regel (zoals hier) wordt geïnd specifieke kenmerken. Door die kenmerken gaat de vergelijking die de appellante maakt met de rentevoet voor andere belastingen, in het bijzonder de inkomstenbelastingen (waar die .kenmerken niet aanwezig zijn), niet op.
Een ongelijke behandeling van ongelijke toestanden houdt geen schending in van het gelijkheidsbeginsel.
Ook hier geldt trouwens dat op de gevraagde veroordeling 'voor de toekomst' niet kan worden Ingegaan op grond van artikel 6 van het Gerechtelijk Wetboek.
Ook dit middel is ongegrond.
5. De gerechtskosten
Gelet op het wederzijds gelijk en ongelijk van de partijen moeten zij elk hun eigen gerechtskosten van het hoger beroep dragen. De rechtsplegingsvergoedingen compenseren elkaar en moeten door het hof dan ook niet vastgesteld worden
Beschikkend gedeelte
BESLISSING VAN HET HOF
Het hof doet recht op tegenspraak; Het hof beslist als volgt:
• zowel het principaal als het incidenteel hoger beroep zijn ontvankelijk maar beide ongegrond;
• het bestreden vonnis wordt bevestigd.
Het hof veroordeelt elke partij tot het betalen van haar eigen gerechtskosten, vastgesteld als volgt:
- aan de kant van de appellante (maar te haren laste blijvend):
• bijdrage begrotingsfonds hoger beroep: 20,00 EUR
- aan de kant van de geïntimeerde: nihil
Aldus gewezen door de VIJFDE KAMER van het hof van beroep te Gent, recht doende in fiscale zaken, samengesteld uit: ... en uitgesproken door de kamervoorzitter van de kamer in openbare terechtzitting van 13 oktober 2020,
Ondertekeningen
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.