Niet-indiening van aangiften en klantenlisting, Regularisatie van het omzetcijfer · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg 9 januari 2024

Zoeken
Tekst in het Frans

Niet-indiening van aangiften en klantenlisting, Regularisatie van het omzetcijfer

https://juriel.be/nl/rechtspraak/indiening-aangiften-klantenlisting-regularisatie-omzetcijfer-rechtbank-2024-01-09-710d

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Datum
9 januari 2024

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Frans
Nederlandse versie
niet door de FOD gepubliceerd
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

De tekst van dit document is in het Frans. De FOD publiceert er geen Nederlandse versie van.

Tekst

145 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg van Henegouwen, Afdeling Bergen d.d. 09.01.2024

WF 705-15-20/039991

[Gunstig voor de Belgische Staat]

Belasting over de toegevoegde waarde – Niet-indiening van aangiften en klantenlisting – Regularisatie van het omzetcijfer – Proportionele geldboeten van 200% – Overmacht – Ziekte – Medische attesten

Belasting over de toegevoegde waarde – Proportionele geldboeten – Intentie om de belasting te ontduiken – Gebrek aan goede trouw – Houding van de belastingplichtige – Niet-indiening van periodieke aangiften – Boekhouder – Uitstel (geen)

Wettelijke bepalingen

Artikelen 70, § 1 en 81bis, §1, 2de lid, 4° WBTW

Samenvatting

Eiseres oefende het beroep van zelfstandig boekhouder uit. De fiscale administratie heeft vastgesteld dat zij gedurende bepaalde periodes noch btw-aangiften, noch klantenlistings had ingediend, terwijl zij daartoe verplicht was. Er werd een proces-verbaal van vaststellingen opgemaakt, wat leidde tot een regularisatie van de btw op de niet-aangegeven omzet. Er werden proportionele geldboeten van 200% toegepast.

Eiseres werd per aangetekende brief geïnformeerd dat er op 30 augustus 2017 een controle bij haar zou plaatsvinden. Eiseres was niet aanwezig. Er werd een vraag om inlichtingen naar eiseres gestuurd, waarop zij niet heeft gereageerd.

Er vond een plaatsbezoek plaats, en de fiscale administratie stuurde eiseres een kennisgeving waarin werd meegedeeld dat zij artikel 81bis, §1er al.2, 4° WBTW toepaste, alsook de aanwijzingen van belastingontduiking.

Eiseres stelt dat zij alle periodieke btw-aangiften heeft ingediend die zij moest indienen. Uit het administratieve dossier blijkt echter dat de betreffende aangiften allemaal laattijdig zijn ingediend, of zelfs helemaal niet zijn ingediend. De btw is niet betaald zoals het had gemoeten, wat rechtvaardigt dat er geldboetes worden opgelegd overeenkomstig artikel 70, §1 WBTW.

Eiseres verzoekt om nietigverklaring van alle proportionele geldboeten omdat dat zij in de betrokken periode leed aan psychische en psychologische problemen, die volgens haar “het bestaan van overmacht” rechtvaardigen. Zij dient twee medische attesten in.

Ziekte wordt inderdaad door de hoven en rechtbanken erkend als oorzaak van overmacht in bepaalde relatief ernstige omstandigheden. Om een oorzaak van overmacht te vormen, moet de belastingplichtige die er beroep op doet aantonen dat de ziekte hem belette te handelen en niet dat zij haar handelen bemoeilijkte.

In dit geval blijkt uit geen enkel element van het dossier dat eiseres zich op enig moment in een absolute onmogelijkheid bevond om aan haar btw-verplichtingen te voldoen. Eiseres kreeg namelijk gedurende een relatief lange periode, meer bepaald tussen eind 2012 en eind 2017 meerdere proportionele geldboeten opgelegd wegens het niet indienen van haar btw-aangiften en klantenlistings. Het medisch attest van 17 september 2021 dekt een periode na de feiten, terwijl uit het tweede ongedateerde attest niet blijkt dat de eiseres zich op enig moment in een absolute en voortdurende onmogelijkheid bevond om aan haar btw-verplichtingen te voldoen. De elementen van het dossier spreken deze stelling bovendien tegen.

Inderdaad, het is belangrijk te benadrukken dat eiseres boekhouder is en dat zij tijdens de betreffende periode is blijven werken, aangezien het geschil uitdrukkelijk betrekking heeft op de verschuldigde btw betreffende facturen voor professionele diensten. Onder deze omstandigheden kan er dus geen sprake zijn van een totale handelingsonbekwaamheid, onafhankelijk van de wil van eiseres en voor een periode die gelijk is aan de betrokken periode.

Het middel is ongegrond.

Inzake de intentie om de belasting te ontwijken, betwist eiseres dat zij de intentie had om btw te ontwijken. De btw-administratie voert evenwel aan dat het herhaaldelijk niet indienen van aangiften en het uitblijven van een reactie door eiseres op de vele stappen van de administratie deze intentie bevestigen.

In onderhavig geval kan de goede trouw van eiseres niet worden aangenomen. Eiseres oefent het beroep van boekhouder uit en is dus zeer goed op de hoogte van haar verplichtingen.Een dergelijke systematische houding van het niet indienen van periodieke btw-aangiften kan redelijkerwijs niet het gevolg zijn van een fout of nalatigheid door eiseres. Door op deze manier te handelen gedurende een zeer lange periode en ondanks haar professionele vaardigheden, heeft eiseres bewust en opzettelijk de btw ontdoken.

Bovendien moet worden opgemerkt dat als eiseres benadrukt dat zij zoveel mogelijk heeft meegewerkt aan de vaststelling van btw, dit echter niet het geval was.

Eiseres heeft de relevante documenten inderdaad in 2017 ingediend toen zij verzocht om haar schulden aan te zuiveren, dus in eigen belang. Ze handelde vervolgens onder de dreiging van het opheffen van het bankgeheim. Onder deze omstandigheden kan niet worden aangenomen dat zij daadwerkelijk heeft meegewerkt, maar eerder dat zij uiteindelijk heeft toegegeven op het ogenblik dat zij daartoe werd gedwongen.

De intentie om btw te ontwijken blijkt dus duidelijk uit het administratieve dossier.

Het middel is ongegrond.

Eiseres stelt dat zij in aanmerking komt voor uitstel en gezien deze maatregel niet is voorzien in fiscale zaken, verzoekt zij om nietigverklaring van de opgelegde geldboetes.

In onderhavig geval, zoals eerder uiteengezet, is de intentie van eiseres om belasting te ontwijken duidelijk. De houding van eiseres gedurende de hele administratieve procedure en haar nalaten om spontaan haar btw-aangiften in te dienen gedurende vele jaren, ondanks de herhaalde tussenkomst van de administratie en haar specifieke kennis ter zake, laten niet toe dat eiseres in aanmerking zou kunnen komen voor uitstel, zelfs indien dit haar wettelijk zou kunnen worden verleend.

Bovendien, hoewel de eiseres niet op het onderwerp aandringt, moet worden opgemerkt dat de geldboeten niet disproportioneel lijken gelet op de herhaling van het gedrag en de ontdoken bedragen. Het gedrag van eiseres ernstig en wordt adequaat bestraft door de opgelegde geldboeten.

Het middel is ongegrond.

Opmerking

Tegenpartij heeft hoger beroep aangetekend.

De proportionele geldboeten van 200% die in onderhavig geval zijn toegepast, zijn in overeenstemming met de wettelijke tarieven. Ze kunnen niet worden kwijtgescholden of verminderd. Deze zijn redelijk en proportioneel gezien de aard, de ernst en het belang van de fraude.

Tekst van het vonnis

Het vonnis wordt enkel gepubliceerd in de oorspronkelijke taal

Tekst van de beslissing

Tribunal de première instance du Hainaut, division Mons, Section civile, 36ème chambre

Jugement du 09/01/2024

Rôle: 21/2254/A

En cause de :

V. L., N.N. 65...1, domiciliée à ...,

Demanderesse ;

Demandeur ;

Comparaissant à l'audience son Conseil, Maître S. T., avocat à 1000 ...

Contre :

L'ETAT BELGE, représenté par le ministre des Finances, Administration Générale de la Fiscalité, rue de la Loi, 12 à 1000 BRUXELLES, poursuites et diligences du Conseiller Général, Directeur du Centre PME Mons, dont les bureaux sont sis à 7000 Mons, Rue des Trois Boudins, 10 ;

Défendeur ;

Comparaissant à l'audience par Mr X, attachée/expert/conseiller ;

Le Tribunal prononce le jugement suivant :

Vu les pièces déposées au dossier de la procédure et notamment :

 la requête contradictoire déposée le 24 septembre 2021 pour V. L. ;

 la fixation de la cause sur base de l'article 747 du code judiciaire ;

 les conclusions déposées le 15 mars 2023 pour V. L. ;

 les conclusions de synthèse déposées le 10 août 2023 pour l'ETAT BELGE ;

Vu le dossier de pièces déposés le 3 août 2023 pour l'ETAT BELGE ;

Vu le dossier de pièces déposé à l'audience du 28 novembre 2023 pour V. L. ;

Entendu les parties à l'audience du 28 novembre 2023 à laquelle les débats furent déclarés clos et la cause prise en délibéré ;

Les parties n'ont pas fait état d'incident au cours de la mise en état de la cause.

I. Les faits pertinents et l'objet du litige

Le litige les contraintes TVA suivantes décernées à l'encontre de V. L. (ci-après, la demanderesse) :

- 50…6 (TVA 20.964,34 € + amende proportionnelle 41.920,00 € + intérêts)

- 50…8 (TVA 2.047,50 € + amende proportionnelle 4.095,00 € ÷ intérêts)

- 50…4 (TVA 7.577,19 € + amende proportionnelle 1.130,00 € + intérêts)

- 50…1 (TVA 6.407,30 € + amende proportionnelle 960,00 € + intérêts)

- 50…9 (TVA 6.280,00 € + amende proportionnelle 940,00 € intérêts)

- 50…9 (TVA 6.292,52 € + amende proportionnelle 940,00 € + intérêts)

- 50…3 (TVA 4.141,00 + amende proportionnelle 620,00 € + intérêts)

- 50…0 (TVA 6.812,97 € + amende proportionnelle 1.020,00 € + 900,00 € amende non

proportionnelle intérêts)

- 50...0 (TVA 7.614,58 € + amende proportionnelle 1.140,00 € + intérêts)

La demanderesse exerçait, pour les périodes concernées, la profession de comptable indépendante.

L'administration fiscale a constaté que des dépôt de déclarations TVA n'avaient pas été effectués durant certaines périodes, ni déposé de listings client comme elle était tenue de le faire.

Un procès-verbal de constat a été dressé le 14 avril 2016, lequel donna lieu à une régularisation de la TVA sur le chiffre d'affaires non déclaré des années 2013 et 2014.

Des amendes proportionnelles de 200% ont été appliquées.

Le 17 août 2017, la demanderesse a été informée par courrier recommandé qu'un contrôle allait se tenir chez elle le 30 août 2017.

La demanderesse n'était pas présente sur place.

Une amende de 5.000 EUR lui a été infligée pour infraction à l'article 61 du Code de la TVA.

La demanderesse a déposé un recours administratif le 15 juillet 2020, donnant lieu à une décision du 18 février 2021 annulant cette amende.

Le 19 octobre 2017, une demande de renseignements a été adressée à la demanderesse, qui n'y a pas réagi.

Une visite sur place a eu lieu les 19 janvier 2018 et 2 février 2018.

Le 5 février 2018, l'administration fiscale adressait à la demanderesse un courrier lui notifiant qu'elle faisait application de l'article 81 bis, §1er al.2, 40 CTVA et les indices de fraude.

Des régularisations TVA sont intervenues pour la période du 1e' janvier 2013 au 31 décembre 2014 les 21 février 2018 et 10 mars 2018.

La demanderesse a introduit un recours administratif le 15 juillet 2020, laquelle a donné lieu à un décision de rejet le 18 février

Il. Recevabilité

La requête, introduite en la forme et dans les délais légaux, est recevable, ce que le défendeur ne conteste pas.

III. Fondement

La demanderesse soutient qu'elle a déposé l'ensemble des déclarations périodiques à la TVA qui lui incombaient.

Il ressort pourtant du dossier administratif que les déclarations concernées ont toutes été déposées tardivement, voire pas déposées du tout.

Notamment, les déclarations du 3ème trimestre 2014 au 3ème trimestre 2017 ont été déposées en novembre 2017, ce que la demanderesse ne conteste pas.

La TVA dès lors n'a pas été acquittée comme elle l'aurait dû, ce qui justifie que des amendes soient appliquées en vertu de l'article 70, §1 du CTVA.

- Quant à la force majeure;

La demanderesse sollicite l'annulation de toutes les amendes proportionnelles au motif qu'elle souffrait, pendant la période concernée, de problèmes psychiques et psychologiques l'ayant rendue « parfaitement incapable de gérer ses affaires ».

Ces problèmes justifient, selon elle, « l'existence d'un cas de force majeure ».

La demanderesse dépose un certificat médical, dont la date n'est pas déterminable, duquel il ressort que :

«Je certifie que Madame L. V. souffre de surmenage et dépression nerveuse depuis plusieurs années. A noter une amélioration certaine de la symptomatologie depuis le changement de travail de la patiente »

(pièce 3 du dossier de la demanderesse)

Elle dépose également un certificat médical daté du 17 septembre 2021 précisant que « la patiente souffre de diabète de type 2 depuis 07/2019 et a besoin d'une thérapie médicale ».

(pièces 8 et 9 du dossier de la demanderesse)

La maladie est effectivement admise par les Cours et Tribunaux comme cause de force majeure dans certaines circonstances relativement graves'. Pour constituer une cause de force majeure, le contribuable qui l'invoque doit démontrer que la maladie l'a empêché d'agir et non qu'elle a rendu ses démarches plus compliquées.

En l'espèce, il ne ressort d'aucun élément du dossier que la demanderesse se serait trouvée, à un quelconque moment, dans une impossibilité absolue de faire face à ses obligations en matière de TVA.

En effet, la demanderesse s'est vu infliger de nombreuses amendes proportionnelles pour défaut de dépôt de ses déclarations TVA et de ses listings client pour une période relativement longue, soit entre la fin de l'année 2012 et la fin de l'année 2017.

L'attestation médicale du 17 septembre 2021 couvre une période postérieure aux faits tandis qu'il ne ressort pas de l'attestation non datée que la demanderesse se serait retrouvée, à un quelconque instant, dans une impossibilité absolue et constante de faire face à ses obligations en matière de TVA.

Les éléments du dossier contredisent d'ailleurs cette thèse.

Effectivement, il convient de rappeler que la demanderesse exerce la profession de comptable et que, durant la période concernée, elle a continué d'exercer puisque le litige porte expressément sur la TVA due en raison des factures relatives à des prestations professionnelles.

1 En ce sens, Civ. Brux., 11 mars 2011, F.J.F., 2012/7, p. 813-814. « Une grave et longue maladie constitue un événement irrésistible et insurmontable constitutif d'un cas de force majeure (...) »

Il ne peut dès lors, dans ces circonstances, être question d'une incapacité totale d'agir, indépendante de la volonté de la demanderesse et d'une durée équivalente à la période concernée.

Le moyen n'est pas fondé.

- Quant à l'intention d'éluder l'impôt ;

La demanderesse conteste avoir été animée d'une intention d'éluder la TVA.

L'administration de la TVA soutient au contraire que l'absence de dépôt répété et l'absence de réaction de la demanderesse aux multiples démarches effectuées par l'administration elle-même confirment cette intention.

En l'espèce, la bonne foi de la demanderesse ne peut être retenue.

La demanderesse exerce en effet la profession de comptable et connaissait parfaitement les contours de ses obligations.

Une telle attitude de non-dépôt systématique des déclarations périodiques à la TVA ne peut raisonnablement résulter d'une erreur ou d'une négligence de la part de la demanderesse.

En agissant de la sorte pendant une très longue période et malgré ses compétences professionnelles utiles, c'est sciemment et volontairement que la demanderesse a éludé la TVA.

En outre, il convient de relever que si la demanderesse précise qu'elle a collaboré autant que faire se peut dans le cadre de l'établissement de la TVA, force est constater que tel n'est pas le cas.

La demanderesse a en effet transmis les documents utiles en 2017 quand elle a formulé une demande d'apurement de ses dettes, soit dans un but intéressé.

Elle a ensuite agi sous menace de voir lever le secret bancaire.

Il ne peut dans ces conditions être considéré que la demanderesse aurait effectivement collaboré mais plutôt qu'elle a fini par céder au moment où elle était contrainte de le faire.

L'intention d'éluder la TVA ressort dès lors nettement du dossier administratif.

La circonstance que le contrôleur ait, lors de son relevé de régularisation du 21 février 2018, proposé une réduction exceptionnelle du taux d'amende à 20% sous conditions de collaboration continue et de conclusion d'un accord sur le montant de la régularisation est irrelevant.

D'une part, aucun accord n'a in fine été conclu et d'autre part, l'intention frauduleuse étant démontrée, le taux de 200% infligé correspondait au prescrit légal et il n'appartenait pas au fonctionnaire verbalisateur de le réduire.

Le moyen n'est pas fondé.

- Quant à l'octroi d'un sursis ;

La demanderesse soutient qu'elle entre dans les conditions pour se voir octroyer un sursis et, dans la mesure ou cette mesure n'est pas prévue en matière fiscale, elle sollicite l'annulation des amendes lui infligées.

Sur la demande de sursis, l'article 70, § 1er, alinéa 1er, du Code de la TVA viole les articles 10 et 11 de la Constitution, lus en combinaison avec l'article 6 de la Convention européenne des droits de l'homme, en ce qu'il ne permet pas au tribunal de première instance d'assortir d'un sursis l'amende prévue par cette disposition (C. const., 6 novembre 2008, n° 157/2008).

Toutefois, il est de jurisprudence désormais constante de la Cour constitutionnelle que ce constat d'inconstitutionnalité partielle n'a toutefois pas pour conséquence que cette disposition ne pourrait plus, dans l'attente d'une intervention législative, être appliquée par les juridictions lorsque celles-ci constatent que les infractions sont établies, que le montant de l'amende n'est pas disproportionné à la gravité de l'infraction et qu'il n'y aurait pas eu lieu d'accorder un sursis même si cette mesure avait été prévue par la loi (voyez récemment C. const., 20 février 2020, n° 32/2020, www.const-court.be).

Ainsi, lorsque le juge fiscal estime qu'il y aurait eu lieu d'accorder un sursis si cette mesure avait été prévue par la loi, il accorde le redressement approprié au contribuable en refusant de faire application de l'article 70 précité. Lorsqu'il estime qu'il n'y aurait pas eu lieu d'accorder un sursis si cette mesure avait été prévue par la loi, il n'y a pas matière à redressement et « le seul fait que, pour décider s'il aurait convenu ou non d'accorder un sursis, le juge fiscal ne soit pas lié par les restrictions à l'octroi imposées au juge pénal n'implique pas que la personne condamnée à une amende fiscale ne bénéficie pas d'un recours effectif devant le juge fiscal » (Cass., 12 janvier 2018, www juridat.be).

En l'espèce, comme exposé plus avant, l'intention de la demanderesse d'éluder l'impôt est manifeste.

L'attitude de la demanderesse tout au long de la procédure administrative et son abstention de déposer spontanément ses déclarations à la TVA pendant de nombreuses années, malgré les interventions répétées de l'administration et ses connaissances particulières en la matière, ne permettent pas de retenir que la demanderesse aurait pu bénéficier d'un sursis si ce dernier pouvait lui être légalement accordé.

Au surplus, bien que la demanderesse n'insiste pas sur le sujet, il y a lieu de relever que les amendes n'apparaissent pas disproportionnées eu égard à la répétition des comportements et les montants éludés.

Il est en effet question d'un montant d'amendes de 40.781 EUR contre une TVA éludée de 131.251,68 EUR.

(pièce 1 du dossier de la demanderesse)

Le comportement adopté par la demanderesse présente une gravité non négligeable qui est adéquatement sanctionné par les amendes appliquées.

Le moyen n'est pas fondé.

IV. Dépens

La demanderesse succombe. Elle doit supporter ses propres frais et dépens de l'instance.

Le défendeur n'a pas droit à une indemnité de procédure n'étant pas assisté d'un avocat.

Beschikkend gedeelte

PAR CES MOTIFS

Le tribunal,

Statuant contradictoirement ;

Vu les dispositions de la loi du 15 juin 1935 sur l'emploi des langues en matière judiciaire dont il a été fait application ;

Donnant acte aux parties de leurs dires, dénégations et réserves, rejetant toutes conclusions plus amples ou contraires ;

Reçoit la demande et la dit non fondée ;

En déboute V. L. ;

Constate que I'ETAT BELGE n'a pas droit à une indemnité de procédure n'étant pas assisté d'un avocat ;

Délaisse à V. L. ses propres frais et dépens de l'instance ;

Ainsi jugé et prononcé en langue française et en audience publique au Palais de justice de Mons, province de Hainaut, les jour, mois et an que dessus, par la trente-sixième chambre fiscale du tribunal susdit où siégeaient :

L. H., juge

G. A., Greffier

Aangehaalde teksten

2
WBTW art. 704 voorkomens
WBTW art. 611 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8