De tekst van dit document is in het Frans. De FOD publiceert er geen Nederlandse versie van.
Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg van Namen d.d. 08.12.2021
WF 706-15-17/053192
[Gunstig voor de Belgische Staat]
Belasting over de toegevoegde waarde – Horecasector – Geregistreerd kassasysteem – Gebrek aan een kassa – Niet-proportionele geldboeten – Verzoekschrift tot kwijtschelding van de geldboeten – (Geen) Uitstel - (Geen) Prejudiciële vraag
Wettelijke bepalingen
Artikel 21bis van het Koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde.
Koninklijk besluit van 30 december 2009, tot het bepalen van de definitie en de voorwaarden waaraan een geregistreerd kassasysteem in de horecasector moet voldoen.
Artikel 3 van het Koninklijk besluit nr. 44 van 9 juli 2012, tot vaststelling van het bedrag van de niet-proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde en afdeling 2, rubriek II, A van de bijlagen bij dit besluit.
Artikel 9 van het Regentbesluit van 18 maart 1831
Samenvatting
Eiser is btw-belastingplichtige voor een eetgelegenheid met volledige bediening. Hij moet driemaandelijkse btw-aangiften indienen. In het proces-verbaal van vaststellingen van 14 december 2016 werd het totaalbedrag in vak 02 (btw-tarief 12%) van de ingediende aangiften over 2015 opgemerkt en werd benadrukt dat eiser niet over een operationele GKS beschikte., werd Op 19 juni 2017 werd een proces-verbaal opgesteld waarbij aan eiser een geldboete van 1.500 EUR werd opgelegd wegens inbreuk op artikel 70, § 4, lid 1, WBTW en dit op basis van het proces-verbaal van 14 december 2016, dat als bijlage werd opgenomen.
Eiser heeft bezwaar ingediend tegen het proces-verbaal van 19 juni 2017. Subsidiair vordert hij vermindering van de geldboete. Meer subsidiair vordert hij dat hem uitstel wordt verleend of, kwijtschelding van de geldboete krachtens artikel 9 van het Regentbesluit van 18 maart 1831.
- Wat de onvoorzienbaarheid van de maatregel betreft
Eiser wijst erop dat het betwiste proces-verbaal, op grond waarvan de boete wordt toegepast, is opgesteld enkele maanden na de inwerkingtreding van het koninklijk besluit tot wijziging van koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 24 juni 2016, dat de belastingplichtigen verplicht om een GKS te installeren zodra een jaaromzet van 25.000 EUR wordt bereikt. Volgens hem kon een ondernemer onmogelijk weten of zijn activiteit al dan niet onder het toepassingsgebied van deze regeling zou vallen.
Eiser meent dat de verplichting om een geregistreerd kassasysteem te installeren niet materieel, noch administratief kon worden nagekomen in de korte periode van zeven dagen tussen de bekendmaking en de inwerkingtreding van de wet. Hij voegt daaraan toe dat de leveranciers van geregistreerde kassasystemen met tal van problemen werden geconfronteerd, zowel op technisch gebied als wat de naleving van de door de autoriteiten opgelegde termijn betreft, en dat de certificering van de kassasystemen ook zeer laat heeft plaatsgevonden.
De Belgische staat is van oordeel dat de bij het geregistreerd kassasysteem betrokken ondernemingen herhaaldelijk via verschillende communicatiekanalen op de hoogte zijn gebracht. De Belgische Staat is van mening dat deze grief betreffende de te korte termijn des te verrassender is omdat de eiser het GKS nog steeds niet in orde heeft, aangezien het nog steeds niet geïnstalleerd is, zelfs nog niet is besteld en dat de eiser ook niet van plan is dit te doen, aangezien hij op bladzijde 14 van zijn hoofdconclusies verklaart "dat hij op zoek is naar een koper voor zijn bedrijf en de toekomst wil afwachten alvorens deze aanzienlijke kosten te maken".
De rechtbank merkt op dat de inbreuk dat eiser wordt verweten, het gevolg is van het niet-nakomen van de verplichting van artikel 21bis, §1, lid 1, van koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992. Volgens de analyse van de chronologie van deze bepaling, vloeit de wijziging van dit koninklijk besluit voort uit een koninklijk besluit van 16 juni 2016, dat gepubliceerd is in het Belgisch Staatsblad van 24 juni 2016 en in werking is getreden op 1 juli 2016. Eiser had dus meer dan vijf maanden tussen het moment van publicatie in het Belgisch Staatsblad, of in ieder geval sinds de inwerkingtreding van de wijziging op 1 juli 2016 en het tijdstip van zijn controle. Wat hem betreft kan er dus geen sprake zijn van onvoorspelbaarheid.
Er wordt nog minder gezegd over de chronologie van de uitvoering van deze verplichting. Zoals eiser opmerkt, had de regering in 2013 al geprobeerd een dergelijke verplichting in te voeren om fraude in de horecasector te verminderen, maar de eerste bepalingen dienaangaande werden eind 2015 door de Raad van State nietig verklaard. Het feit dat eiser de kwestie van het verplichte geregistreerd kassasysteem en de daarmee verbonden problemen van zeer nabij lijkt te hebben gevolgd, is nogal tegenstrijdig met een argument dat is gebaseerd op de onvoorspelbaarheid van de maatregel. Eiser had, zoals ieder normaal en zorgvuldig handelend persoon, alle passende maatregelen moeten nemen om aan zijn wettelijke verplichtingen te voldoen toen hij zich realiseerde dat ze in werking zouden treden.
Eiser kan zich niet beroepen op het nieuw beroep dat is ingesteld tegen het Koninklijk Besluit van 16 juni 2016. Het zou in strijd zijn met het meest fundamentele burgergevoel om de eventuele mogelijkheid van een vernietiging van de wet in brede zin te gebruiken om de toepassing ervan te weigeren of te ontkomen aan de gevolgen hiervan te rechtvaardigen. Een dergelijke redenering aanvaarden zou ook leiden tot een volstrekt onaanvaardbare rechtsonzekerheid.
Uit het door de Belgische Staat ingediende dossier blijkt ook dat tal van persartikelen het onderwerp hebben behandeld en dat op 27 april 2016 een handvest is ondertekend tussen de bevoegde minister en de representatieve organisaties van de horecasector, die rekening houdt met de inwerkingtreding van de verplichting om een geregistreerd kassasysteem te installeren. Eiser onderbouwt tevens zijn beweringen over moeilijkheden bij het verkrijgen of installeren van een GKS niet.
Er wordt ook niet betwiste dat eiser op 21 augustus 2018 nog steeds geen geregistreerd kassassyteem had geïnstalleerd, ook al waren alle beroepen tegen het nieuwe koninklijk besluit op 23 april 2018 vernietigd.
De grief is derhalve niet gegrond.
- Wat het ontbreken van een wettekst betreft
Eiser is van mening dat de belastingadministratie zich baseert op de bijlage - afdeling 2, rubriek II, A -, bij het koninklijk besluit nr. 44 van 9 juli 2012, tot vaststelling van het bedrag van de niet-proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, terwijl deze afdeling 2, rubriek II, A, ten tijde van de feiten slechts voorzag in een geldboete wanneer het gebruikte kassasysteem niet in overeenstemming was met het koninklijk besluit van 30 december 2009, en anderzijds geen enkele bepaling bevatte die voorzag in de toepassing van een geldboete ingeval de belastingplichtige gewoonweg niet in het bezit was van een GKS.
Eiser concludeert hieruit dat de geldboete onrechtmatig en zonder rechtsgrondslag is opgelegd en derhalve nietig moet worden verklaard. Eiser wijst daarom op het feit dat op 11 mei 2017 een koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 44 is uitgevaardigd, dat op 11 juni 2017 in werking is getreden, om deze tekortkoming te verhelpen en uitdrukkelijk te voorzien in de toepassing van een geldboete op belastingplichtigen die niet in het bezit zijn van een kassasysteem.
De Belgische Staat meent dat de wetgever eenvoudigweg een verduidelijking heeft aangebracht om elke terminologische discussie te vermijden en dat het, zoals in het Verslag aan de Koning is aangegeven, om een wijziging van louter formele aard gaat die de draagwijdte van de regel geenszins heeft gewijzigd.
Volgens de rechtbank wijzigde artikel 1 van het koninklijk besluit van 11 mei 2017, gepubliceerd op 1 juni 2017, artikel 2, II, van de bijlage bij koninklijk besluit nr. 44 van 9 juli 2012 tot vaststelling van het bedrag van de niet-proportionele geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, dat voortaan in punt A voorziet in een geldboete van 1.500,00 EUR voor het niet houden van een kassasysteem dat voldoet aan de het koninklijk besluit van 30 december 2009 tot het bepalen van de definitie en de voorwaarden waaraan een geregistreerd kassasysteem in de horecasector moet voldoen. Deze bepaling trad in werking op 10 juni 2017. Voorheen was onder dit punt voorzien in een geldboete wanneer het gebruikte kassasysteem niet voldeed aan het Koninklijk Besluit van 30 december 2009.
Zoals vermeld in het verslag aan de Koning met betrekking tot deze wijziging, "is het vanzelfsprekend dat het de intentie van de wetgever is elke belastingplichtige die restaurant- of cateringdiensten verricht en die voldoet aan de voorwaarden van artikel 21bis van het koninklijk besluit nr. 1, te verplichten een conform kassasysteem te bezitten om het kasticket bedoeld in het koninklijk besluit van 30 december 2009 te kunnen uitreiken.
Gezien het belang van een duidelijke en eenvormige bepaling ten aanzien van alle betrokken belastingplichtigen, is het aangewezen meer klaarheid te scheppen in de bepalingen van afdeling 2, II om elke mogelijke rechtsonzekerheid uit te sluiten.”
Het was dus duidelijk de bedoeling van de wetgever om degenen die geen gebruik maakten van een geregistreerd kassasysteem te beboeten, zonder onderscheid te maken tussen degenen die al dan niet over een GKS beschikken.
Bovendien is de rechtbank van oordeel dat de inbreuk die bestaat in het gebruik van een niet-conform geregistreerd kassasysteem ook het helemaal niet hebben van een kassasysteem omvat. Een niet-bestaand geregistreerd kassasysteem is op zijn minst niet-conform, aangezien het tot niets wordt herleid.
Het middel is ongegrond.
- Wat het uitstel of de kwijtschelding van de geldboete betreft
Meer subsidiair vraagt eiser om hem uitstel te verlenen of om in toepassing van artikel 9 van het besluit van de Regent van 18 maart 1831, de geldboete kwijt te schelden.
De Belgische staat is van mening dat, wanneer de opgelegde geldboete overeenkomt met het wettelijke minimum, van hetwelk de administratie zelf niet kan afzien, komt het de rechterlijke macht niet toe verder te gaan dan het wettelijk voorschrift, ongeacht of dit gebeurt in het kader van een evenredigheidstoetsing of in het kader van een loutere opportuniteitscontrole.
De belastingplichtige kan, in het kader van een rechterlijke toetsing, indien hij de rechter er van overtuigt dat deze laatste uitstel zou hebben verleend indien de wet daarin had voorzien, geen geldboete worden opgelegd. Dit is gunstiger dan het verlenen van een uitstel voor een geldboete. De situatie in afwachting van de tussenkomst van de wetgever is dus niet minder gunstig voor de belastingplichtige dan de feitelijke mogelijkheid om uitstel te verlenen.
In casu, heeft eiser duidelijk gespeculeerd over het behoud van de verplichting om een geregistreerd kassasysteem te installeren, en heeft zij zeker het bedrag van de investering die nodig is om een dergelijk systeem te installeren, afgewogen tegen de sanctie van niet-naleving van die verplichting. Uit het dossier blijkt ook dat eiser op 21 augustus 2018, dus bijna 2 jaar na de controle en meer dan een jaar na de inkohiering van de geldboete, nog steeds niet aan de wettelijke verplichting had voldaan. Op dat moment kon hij echter niet meer speculeren over de vernietiging van de bepalingen die aan deze verplichting ten grondslag liggen, aangezien de beroepen in april 2018 werden verworpen.
De toekenning van uitstel, dat tot doel heeft een verandering teweeg te brengen bij de persoon die zich niet aan de wet heeft gehouden en hem ertoe aan te zetten deze inbreuken niet meer te plegen, lijkt voor eiser dus totaal irrelevant.
Het is dus zinloos om het Grondwettelijk Hof ook maar enige vraag te stellen en het is a fortiori, niet opportuun om geen geldboete op te leggen. Bovendien lijkt de geldboete niet onevenredig aan de hem verweten gedragingen.
Opmerkingen
Tegenpartij heeft berust in het vonnis.
Zie in deze zin ook : Rb. Luik , 14.01.2019, 17/5486/A ; Rb. Luik, 21.03 2019, 17/5752/A ; RB. Brussel, 21.09.2018, 2017/6867/A ; en recenter : Rb Namen, (RG 21/20/A), gepubliceerd op Fisconetplus; Luik 21.04.2023 (2021/RG/446), bevestiging van EA Luik,, 19.01.2021, 19/4003/A gepubliceerd op Fisconetplus.
Tot 10 juni 2017 voorzag artikel 2, titel II, punt A, van de bijlage bij KB nr. 44 in een geldboete wanneer het ‘gebruikte’ kassasysteem niet voldeed aan het KB van 30 december 2009 tot het bepalen van de definitie en de voorwaarden waaraan een geregistreerd kassasysteem in de horecasector moet voldoen. Gezien het belang van een duidelijke en uniforme bepaling voor alle betrokken belastingplichtigen, heeft de regering ervoor gekozen om de bepaling in artikel 2, rubriek II transparanter te maken om een einde te maken aan elke rechtsonzekerheid. De geldboete bedoeld in punt A verwijst nu naar het ‘niet bezitten’ van een kassasysteem dat voldoet aan de voorwaarden van het KB van 30 december 2009, zodat zowel belastingplichtigen die een niet-conform kassasysteem gebruiken als belastingplichtigen die er geen bezitten door deze bepaling worden getroffen.
Zoals vermeld in het Verslag aan de Koning is dit een louter formele wijziging. Op geen enkele manier heeft de wijziging de reikwijdte van de wet veranderd. De bedoeling van de wetgever is heel duidelijk om diegenen te straffen die geen conform geregistreerd kassasysteem gebruiken, dat omvat zowel het feit over geen GKS te beschikken of er geen gebruiken.
Alle marktdeelnemers die ‘restaurant- en cateringdiensten’ leveren met een jaaromzet (exclusief drank en belasting over de toegevoegde waarde) van meer dan 25.000 euro zijn onderworpen aan het GKS. Als tegenprestatie voor dit systeem en de kosten ervan profiteert de horecasector sinds 2010 van een verlaging van het btw-tarief van 21% naar 12% en sinds 2015 van een bijkomende lastenverlaging voor overuren, gelegenheidsarbeid en flexi-jobs (zie het ‘Charter met de Horecasector - fiscaal luik’ van 01.05.2016).
Aangezien de belastingplichtige onderworpen was aan de wettelijke en reglementaire voorwaarden die hem verplichtten over een GKS te beschikken, moest hij, in het licht van de toepasselijke reglementaire bepalingen, weten dat hij aan een controle en een sanctie was blootgesteld. De rechter bevestigde het standpunt van de Belgische staat en oordeelde dat de niet-proportionele geldboete die was opgelegd op basis van artikel 70, lid 4, WBTW en KB 44 naar behoren was vastgesteld.
De klachten met betrekking tot de wettigheid en de grondwettigheid van het geregistreerd kassasysteem in de horecasector zijn consequent en herhaaldelijk verworpen door zowel de feitenrechters als door de Raad van State. Zie de arresten van de Raad van State, nr. 241.063 en nr. 241.064, nr. 241.065 van 21 maart 2018, nr. 243.414, nr. 243.415 en nr. 243.416 van 17 januari 2019.
Tekst van het vonnis
Het vonnis wordt enkel gepubliceerd in de oorspronkelijke taal
Tekst van de beslissing
Tribunal de première instance de Namur, division Namur, 11ème chambre A - fiscal affaires civiles
Arrêt du 08/12/2021
Rôle : 18/533/A
EN CAUSE DE:
Monsieur B. B., domicilié à ...;
PARTIE DEMANDERESSE,
représentée par Maître G. B. loco Maître J.-P. D., avocat à ... (...);
CONTRE:
L'ETAT BELGE, représenté par le Ministre des Finances, 1000 BRUXELLES, rue de la Loi 12, poursuites et diligences de Monsieur le Conseiller général, Directeur du Centre P NAMUR, dont les bureaux sont établis à 5000 NAMUR, rue des Bourgeois, 7 Bloc C, 7ème étage;
PARTIE DEFENDERESSE,
Ayant comparu par Madame X., attachée (...);
Le Tribunal a pris en considération les règles et les pièces de la procédure requises par la loi, qui lui ont été régulièrement soumises, et notamment:
- Le jugement prononcé par le Tribunal de céans le 30 juin 2021;
- les conclusions réouverture des débats déposées au greffe par l'Etat belge le 30 septembre 2021;
- le dossier de pièces des parties.
Le Tribunal a entendu les conseils des parties en leurs dires et moyens, comparaissant comme il est dit ci-dessus, à l'audience du 10 novembre 2021.
I. RETROACTES ET FAITS PERTINENTS
1. Le Tribunal commence par renvoyer à son jugement rendu le 30 juin 2021, notamment en ce qui concerne l'exposé des faits et l'objet de la demande, qui restent inchangés.
2. Conformément au jugement susmentionné, l'Etat Belge a déposé au greffe, le 8 juillet 2021, un document émanant du SPF FINANCES dont il ressort que X faisait partie de la division gestion.
Il. FONDEMENT DE LA DEMANDE
a. Quant à l'article 85,§ler du Code TVA
- Position des parties
3. Le demandeur estime que l'Etat Belge ne démontre pas que la contrainte litigieuse a été légalement visée et rendue exécutoire conformément au prescrit de l'article 85, §1er du Code TVA car elle a été visée et rendue exécutoire par X, Conseiller, alors que cette personne n'est pas le directeur régional de l'Administration de la TVA et qu'il n'est fait mention d'aucune délégation valable.
4. L'Etat Belge considère, sur base des pièces 11, 12 et 13 de son dossier et sur base de la pièce déposée après réouverture des débats, que trois délégations ont été données par le Conseiller général, Directeur du Centre PME Namur pour les trois divisions qui la composent (division expertise, division contrôle et division gestion) et que, au 31 janvier 2018 (date du visa de la contrainte), X faisait partie de la division gestion.
- Analyse du Tribunal
5. Il est établi à suffisance de droit par les pièces susmentionnées que X faisait partie de la division gestion et qu'une délégation valable lui a été donnée pour viser et rendre exécutoire la contrainte litigieuse conformément à l'article 85, §1er du Code TVA.
Ce moyen n'est pas fondé.
b. Quant à l'imprévisibilité de la mesure
- Position des parties
6. Le demandeur estime que le vide juridique était total quant à la nouvelle réglementation, suite à l'annulation de l'arrêté royal du A.R. du 15 décembre 2013, jusqu'à l'adoption le 16 juin 2016 d'un nouvel arrêté royal modifiant l'A.R. n° 1 du 29 décembre 1992 relatif aux mesures tendant à assurer le paiement de la taxe sur la valeur ajoutée en ce qui concerne la délivrance d'un ticket de caisse au moyen d'un système de caisse enregistreuse dans le secteur Horeca, publié au Moniteur belge le 24 juin 2016, qui a aussi fait l'objet de divers recours en annulation devant le Conseil d'Etat, mais qui ont été rejetés.
Il souligne que le procès-verbal litigieux, en vertu duquel l'amende est appliquée, a été rédigé quelques mois après l'entrée en vigueur de cet arrêté royal qui oblige les contribuables à mettre en service le SCE dès qu'un chiffre d'affaires annuel de 25.000,00 € est atteint.
Il estime qu'il était impossible pour un exploitant de savoir si son activité se trouverait ou non dans le champ d'application de cette réglementation.
Dans cette mesure, l'assujettissement en cause et sa mise en œuvre sont à son estime imprévisibles à la date de la publication de l'arrêté royal critiqué.
Le demandeur considère que l'obligation qui résulte de cet arrêté de mettre en place un système de caisse enregistreuse ne peut matériellement et administrativement être exécutée dans le court délai de sept jours qui sépare la publication de l'entrée en vigueur de la norme, citant un avis de la section de législation du Conseil d'Etat.
Il ajoute, surabondamment, que les fournisseurs de caisses enregistreuses ont été confrontés à une multitude de problèmes, tant au niveau technique qu'en ce qui concerne le respect du timing imposé par l'Administration et que les certifications des caisses enregistreuses ont également été délivrées très tardivement.
Il affirme qu'il était impossible de faire fonctionner normalement un établissement Horeca sur base du premier cahier des charges.
Il ajoute que ce n'est qu'au mois d'août 2016 que les fournisseurs ont reçu l'autorisation de mettre sur le marché la version actuelle, qui subira encore des modifications suite au nouveau cahier des charges établi par l'Administration durant le mois de janvier 2017.
En outre, les fournisseurs surchargés de travail auraient été dans l'impossibilité de satisfaire dans des délais courts toutes les demandes qui leur étaient adressées.
Il conclut qu'il est donc particulièrement malvenu d'appliquer directement des amendes dans un tel contexte.
7. L'Etat Belge considère que les entreprises concernées par le système de caisse enregistreuse ont, à maintes reprises, été informées et ce, par divers canaux de communication.
L'Etat Belge estime que ce grief relatif au délai trop court est d'autant plus surprenant que le demandeur n'est toujours pas en ordre de SCE, puisqu'elle ne serait ni active, ni même commandée et que le demandeur n'aurait pas l'intention de le faire, indiquant en page 14 de ses conclusions principales « qu'il est à la recherche d'un repreneur pour son établissement et souhaite attendre de voir l'avenir avant d'exposer cette dépense substantielle ».
- Analyse du Tribunal
8. Le 14 décembre 2016, X dresse un procès-verbal de constatation1, suite à un contrôle qu'il a effectué le 12 décembre 2016 à 12h05 au restaurant exploité par le demandeur, et au cours duquel il a notamment relevé que le montant global de la case 02 (taux de TVA 12 %) des déclarations déposées pour 2015 s'élevait à 203.544,87 € et que le demandeur ne disposait pas de SCE opérationnelle.
Le 19 juin 2017, le conseiller Vincent MELOT dresse un procès-verbal2, sur base du procès verbal du 14 décembre 2016 qui y est d'ailleurs annexé, et conclut à une amende de 1.500,00 € dans le chef du demandeur, pour infraction à l'article 70, §4, alinéa 1er du Code TVA.
Le procès-verbal est notifié au demandeur par courrier recommandé du même jour.
9. L'amende litigieuse résulte donc d'un contrôle opéré le 12 décembre 2016.
10. L'infraction reprochée au demandeur résulte du non-respect d'une obligation prévue par l'article 21bis, §1er, alinéa 1er de l'arrêté royal n° 1 du 29 décembre 1992.
Selon l'analyse de la chronologie de cette disposition effectuée par le demandeur lui-même, la modification de cet arrêté royal résulte d'un arrêté royal pris le 16 juin 2016 et publié au Moniteur belge le 24 juin 2016 et entrée en vigueur le 1er juillet 2016.
1 Pièce 1 du dossier administratif de l'Etat belge, ci-après« le DA».
2 Pièce 2 du DA.
Le demandeur a donc disposé d'un délai de plus de cinq mois entre le moment de la publication au Moniteur belge ou, à tout le moins, depuis l'entrée en vigueur de la modification le 1er juillet 2016, et le moment de son contrôle.
Pour ce qui le concerne, il ne peut donc être question d'imprévisibilité.
11. Il en est encore moins question au regard de la chronologie de la mise en place de cette obligation.
Comme le relève le demandeur en effet, le gouvernement avait déjà tenté en 2013 d'instaurer une telle obligation afin de réduire les fraudes dans le domaine de l'Horeca, mais les premières dispositions en ce sens avaient été annulées fin 2015 par le Conseil d'Etat.
Le fait que le demandeur apparaisse comme ayant suivi de très près la question de la caisse enregistreuse obligatoire, et ses aléas, est assez contradictoire avec une argumentation basée sur l'imprévisibilité de la mesure.
Le demandeur aurait dû, en personne normalement prudente et diligente, prendre toute mesure utile pour satisfaire à ses obligations légales lorsqu'il s'est rendu compte de leur entrée en vigueur.
12. Le demandeur ne peut pas non se prévaloir de l'existence d'un nouveau recours à l'encontre de l'arrêté royal du 16 juin 2016.
Il irait à l'encontre du sens civique le plus élémentaire que de prendre en considération l'éventualité d'une annulation de la loi au sens large pour justifier d'en refuser l'application ou pour se soustraire à ses conséquences.
Accepter par ailleurs un tel raisonnement induirait de surcroît une insécurité juridique tout à fait intolérable.
13. Il ressort en outre du dossier déposé par l'Etat Belge que de nombreux articles de presse ont traité du sujet et qu'une charte a été signée, le 27 avril 2016, entre le Ministre compétent et les organisations représentatives du secteur Horeca, qui prend en compte l'entrée en vigueur de l'obligation d'installer un système de caisse enregistreuse.
14. Le demandeur n'étaye pas non plus ses affirmations relatives aux difficultés d'obtenir ou d'installer un SCE.
15. Enfin, et surabondamment, le Tribunal observe qu'il ressort de la pièce 7 du dossier de l'Etat Belge, et qu'il n'est pas contesté, que le demandeur n'avait toujours pas installé de caisse enregistreuse à la date du 21 août 2018, alors même que tous les recours contre le nouvel arrêté royal avaient été rejeté en date du 23 avril 2018.
16. Le moyen n'est pas fondé.
c. Quant à l'absence de texte légal
- Position des parties
17. Le demandeur estime que l'administration fiscale se base sur l'annexe à l'arrêté royal n° 44 du 9 juillet 2012, fixant le montant des amendes fiscales non proportionnelles en matière de TVA, section 2, rubrique Il, A alors qu'à la date des faits, cette section 2, rubrique Il, A, ne prévoyait une amende que lorsque le système de caisse utilisé ne satisfaisait pas à l'arrêté royal du 30 décembre 2009, et ne contenait, par contre, aucune disposition prévoyant l'application d'une amende dans l'hypothèse où le contribuable ne détiendrait tout simplement pas de caisse SCE.
Le demandeur souligne que le procès-verbal de constatation d'amende daté du 19 juin 2017 précise à son estime à tort que le procès-verbal, dressé par X, a constaté les infractions suivantes:« L'assujetti dispose d'un système de caisse enregistreuse ne répondant pas aux conditions de l'Arrêté royal du 30.12.2009 fixant la définition et les conditions auxquelles doit répondre un système de caisse enregistreuse dans le secteur Horeca » car le procès-verbal dressé le 14 décembre 2016 précise que « A ce jour, la SPRL ne dispose pas de caisse SCE opérationnelle ».
Il en conclut que l'amende a été appliquée illégalement et sans aucune base juridique, de sorte qu'elle doit être mise à néant.
Le demandeur en veut pour preuve qu'un arrêté royal de réparation a été pris le 11 mai 2017, et est entré en vigueur le 11 juin 2017, pour remédier à cette lacune et prévoir expressément l'application d'une amende aux assujettis non détenteurs d'un système de caisse.
18. L'Etat Belge considère que, le législateur a simplement apporté une précision pour éviter toute discussion de vocabulaire et que, comme précisé dans le Rapport au Roi, il s'agit d'une modification qui a un caractère purement formel et n'a en aucun cas changé la portée de la règle.
- Analyse du Tribunal
19. L'article 1er de l'A.R. du 11 mai 2017, publié le 1er juin 2017, a modifié la section 2, Il, de l'annexe de l'A.R. n° 44 du 9 juillet 2012, fixant le montant des amendes fiscales non proportionnelles en matière de taxe sur la valeur ajoutée, qui prévoit désormais, en son point A, une amende de 1.500,00 € pour non-détention d'un système de caisse qui satisfait à l'arrêté royal du 30 décembre 2009 fixant la définition et les conditions auxquelles doit répondre un système de caisse enregistreuse dans le secteur Horeca3.
Cette disposition est entrée en vigueur le 10 juin 2017.
Auparavant, sous ce point était prévu une amende lorsque le système de caisse utilisé ne satisfaisait pas à l'A.R. du 30 décembre 2009.
20. Comme on peut le lire dans le rapport au Roi afférent à cette modification,« il est évident que l'intention du législateur est de considérer que tout assujetti effectuant des prestations de restaurant ou de restauration et qui répond aux conditions de l'article 21bis de l'arrêté royal n ° 1, doit détenir un système de caisse conforme afin de pouvoir délivrer le ticket de caisse prévu par l'arrêté royal du 30 décembre 2009. Vu l'importance d'une disposition claire et uniforme à l'égard de tous les assujettis concernés, il s'indique d'apporter plus de transparence à la disposition de la section 2, Il afin de mettre un terme à toute insécurité juridique. »4.
La volonté du législateur était donc manifestement de sanctionner ceux qui n'utilisaient pas un système de caisse enregistreuse conforme, sans distinguer entre ceux qui ont ou n'ont pas une caisse enregistreuse.
21. Surabondamment, le Tribunal considère que l'infraction consistant à utiliser un système de caisse enregistreuse non conforme comprend le fait de ne pas avoir de système de caisse enregistreuse du tout.
Un système de caisse enregistreuse inexistant est en effet non conforme, au minimum, puisque réduit à néant.
Le moyen n'est pas fondé.
3 Ci-après« l'A.R. du 30 décembre 2009 ».
4 Projet d'arrêté royal modifiant l'arrêté royal n° 44 du 9 juillet 2012 fixant le montant des amendes fiscales non proportionnelles en matière de taxe sur la valeur ajoutée en ce qui concerne les tickets de caisse dans le secteur
horeca, Rapport au Roi, M.B. 1er juin 2016, p.60585, disponible sur www.juridat.be.
d. Quant au sursis ou à la remise de l'amende
- Position des parties
22. A titre infiniment subsidiaire, le demandeur postule que lui soit accordé le sursis ou, en en application de l'article 9 de l'arrêté du Régent du 18 mars 1831, que la remise de l'amende lui soit accordée.
23. L'Etat Belge considère que, si l'amende appliquée correspond au minimum légal auquel l'administration ne peut pas elle-même renoncer, il n'appartient pas au pouvoir judiciaire d'aller au-delà du prescrit légal que ce soit dans le cadre d'un contrôle de proportionnalité ou dans le cadre d'un contrôle de pure opportunité.
- Analyse du Tribunal
24. Le demandeur évoque à juste titre la jurisprudence de la Cour constitutionnelle en matière d'(im)possibilité, pour le Tribunal, d'accorder au contribuable un sursis aux amendes enrôlées dans son chef, tant en matière d'impôt sur les revenus que de TVA.
Aucune décision n'a encore été rendue par la Cour constitutionnelle concernant les amendes prises en vertu de l'article 70, §4 du Code TVA, sur base duquel l'amende litigieuse a été prise, mais la question de sa constitutionnalité ne paraît pas incongrue.
25. Cependant, la question de la constitutionnalité de cette disposition n'a de pertinence, quant à la résolution du litige, que si ce sursis apparaît opportun, en l'espèce, et aurait été accordé au demandeur si cela avait été possible.
En effet, selon la solution habituellement suggérée par la Cour constitutionnelle pour réconcilier les textes légaux et la Constitution,« Ce constat d'inconstitutionnalité partielle n'a toutefois pas pour conséquence que cette disposition ne pourrait plus, dans l'attente d'une intervention législative, être appliquée par les juridictions lorsque celles-ci constatent que les infractions sont établies, que le montant de l'amende n'est pas disproportionné à la gravité de l'infraction et qu'il n'y aurait pas eu lieu d'accorder un sursis même si cette mesure avait été prévue par la loi.»5
5 C.C. arrêt n° 13/2013 du 21 février 2013, disponible sur www.cour-const.be.
Le contribuable peut donc, dans le cadre du recours juridictionnel, s'il convainc le juge que celui-ci aurait accordé le sursis s'il était prévu par la loi, ne se voir appliquer aucune amende. Ceci est plus favorable que l'octroi d'un sursis à une amende. La situation qui prévaut dans l'attente de l'intervention du législateur n'est par conséquent pas moins favorable pour le contribuable que la possibilité effective d'octroi du sursis6.
26. Le Tribunal doit aussi se poser la question de l'opportunité, en l'espèce, d'accorder un sursis au demandeur, eu égard à ce que prévoit l'article 26, §2, alinéa 2 de la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur la Cour constitutionnelle.
27. En l'espèce donc, il ressort de ce qui précède que le demandeur a manifestement spéculé sur le maintien de l'obligation d'installer un système de caisse enregistreuse, et qu'il a certainement mis en balance le montant de l'investissement nécessaire à l'installation d'un tel système avec la sanction du non-respect de cette obligation.
Il ressort aussi du dossier que, le 21 août 2018, soit près de 2 ans après le contrôle et plus d'un an après l'enrôlement de l'amende, le demandeur ne s'était toujours pas soumis à l'obligation légale7.
Il ne pouvait pourtant plus, à ce moment, spéculer sur l'annulation des dispositions fondant cette obligation puisque les recours avaient été rejetés en avril 2018.
L'octroi d'un sursis, qui a pour but de susciter l'amendement de celui qui n'a pas respecté la loi et de l'inciter à ne plus réitérer le comportement infractionnel, apparaît donc totalement hors de propos pour le demandeur.
28. Il est donc inutile de poser une quelconque question à la Cour constitutionnelle et il n'est pas opportun, a fortiori, de ne pas appliquer d'amende.
Celle-ci n'apparait d'ailleurs pas disproportionnée par rapport au comportement reproché.
6 Liège, 29 mars 2017, 2014/RG/661, disponible sur www.taxwin.be.
7 Pièce 7 du DA.
29. En ce qui concerne la demande de remise de l’amende, il convient de rappeler que le juge auquel il est demandé de contrôler une sanction administrative qui a un caractère répressif au sens de l'article 6 de la Convention de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales doit examiner la légalité de cette sanction et peut examiner plus particulièrement si cette sanction est conciliable avec les exigences impératives des traités internationaux et du droit interne, y compris les principes généraux du droit8.
Ce droit de contrôle permet en particulier au juge d’examiner, en prenant en considération l'ensemble des circonstances de la cause, si la peine n’est pas disproportionnée par rapport à l’infraction, de sorte qu’il peut examiner si l’administration pouvait raisonnablement infliger une amende administrative de cette ampleur9
Le juge peut, à cet égard, tenir compte spécialement de la gravité de l'infraction, du taux des sanctions déjà infligées et de la manière dont il a été statué dans des causes similaires, mais doit tenir compte de la mesure dans laquelle l1administration était elle-même liée par cette sanction10 .
Ce droit de contrôle n’implique pas que le juge peut remettre ou réduire des amendes pour de simples motifs d1opportunité et à l1encontre des règles légales11.
30. Par ailleurs, il convient de rappeler que la Cour de cassation a considéré, dans un arrêt rendu le 17 janvier 2019, que:
« Si, aux termes de l'article 9 de l'arrêté du Régent n° 78 du 18 mars 1831 organique de l'administration des finances, le ministre des Finances statue sur les réclamations ayant pour objet la remise d'amendes et d'augmentations de droits à titre d'amendes, autres que celles prononcées par le juge, il ne s'ensuit pas qu'à défaut d'un tel recours, le juge puisse exercer de telles prérogatives en fixant l'amende proportionnelle pour fraude fiscale en deçà du tarif légal.
Le droit d'accès à un juge garanti par l'article 6.1 de la Convention de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales n'a pas pour effet de conférer ce pouvoir au juge. »12.
31. En l’espèce, le demandeur ne démontre pas avoir saisi le Ministre d’une telle demande.
8 Cass., 17 mai 2013, F.11.0142.F., disponible sur www.juportal.be.
9 Ibid.
10 Ibid.
11 Ibid.
12 Cass., 17 janvier 2019, RG F.16.0130. F, disponible sur www.juportal.be.
Le Tribunal observe que l'amende est d'un montant fixe et que l'administration fiscale ne disposait d'aucune marge d'appréciation quant à son montant.
32. Au vu des éléments qui précèdent, le Tribunal ne peut réduire l'amende.
III. DEPENS
33. Il résulte de ce qui précède que B. B. succombe dans ses prétentions et doit donc être condamné aux dépens (art. 1017 du Code judiciaire).
34. L'Etat belge n'étant pas représenté par un avocat, aucune indemnité de procédure n'est due (art. 1022 du Code judiciaire).
Beschikkend gedeelte
PAR CES MOTIFS,
Vu la loi du 15 juin 1935 sur l'emploi des langues en matière judiciaire;
LE TRIBUNAL, statuant contradictoirement,
Dit la demande non fondée; En déboute B. B.;
Condamne B. B. aux dépens, liquidés à 0,00 € dans le chef de l'Etat Belge.
Ainsi jugé et prononcé en langue française, à l'audience publique de la 11ème chambre A- fiscal
- du Tribunal de première instance de Namur - division Namur, tenue le 8 décembre 2021...
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.