Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge dd. 15.03.2016 (15/214/A)
WF 714-15-15/007308
Belasting over de toegevoegde waarde - Geldboete - Kwijtschelding van boete - Nalatigheidsintresten
Wettelijke bepalingen
art. 70, §1 en art. 91, § 1 WBTW
Samenvatting
Bij stopzetting van zijn activiteit had de belastingplichtige nog verschillende schulddossiers bij de administratie openstaan. Een verzoek tot kwijtschelding van verschuldigde boetes werd door de gewestelijke directie afgewezen, waarna een verzoekschrift werd ingediend bij de rechtbank.
De rechter oordeelt dan de opgelegde boetes een repressief karakter hebben. Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel mochten de rechtbanken het recht ontzegd worden om de betwiste administratieve beslissing om dergelijke geldboetes op te leggen aan een toetsing met volle rechtsmacht te onderwerpen. Een toetsing met volle rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechte en in feite verantwoord is en of hij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel eerbiedigt (Arbitragehof, 24 februari 1999, rolnr. 1279, arrest nr. 22/99).
Een dergelijke toetsing betekent niet dat de rechtbank om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid, de belastingplichtige zou bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd. De niet tijdige betaling van verschuldigde boetes en btw brengen een hele reeks administratieve formaliteiten en dito kosten teweeg. Tenslotte moet een boete ook een ontradend effect hebben.
Bij wijze van gunstmaatregel werd reeds een afbetalingsplan toegestaan en vijstelling van nalatigheidsintresten verleend. Rekening houdende met deze elementen en met de relatieve zwaarwichtigheid van de feiten acht de rechtbank de opgelegde boetes in gepaste verhouding tot de vastgestelde feiten.
(gunstig voor administratie)
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
Vonnis van de rechtbank te Brugge
dd. 15.03.2016
(15/214/A)
Voornoemde Rechtbank heeft het hierna volgend vonnis verleend in de zaak:
1. de heer D. J.-P., en
2. mevrouw L. M.,
beiden wonende te …, …,
eisers. hierna vermeld 'eiser'
voor wie is opgetreden Meester V. N. C. loco Meester V. K., advocaat met kantoor te …, …,
TEGEN
De F.O.D. FINANCIËN, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, sector BTW, vertegenwoordigd door mevrouw F. D., Adviseur-Generaal, KMO-centrum Kortrijk, met kantoor te 8500 KORTRIJK, Hoveniersstraat 31,
verweerder
voor wie optreedt mevrouw V. E., attaché bij de F.O.D. Financiën, verbonden aan het team Expertise Kortrijk 11, Rondekomstraat 30 te 8800 Roeselare.
I. RECHTSPLEGING.
Gelet op het fiscaal verzoekschrift ingediend ter griffie de dato 21.01.2015.
De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door verweerder overgelegde bundel.
Partijen werden gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting van 16.02.2016.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK.
2.1. Eiser is geregistreerd als BTW-belastingplichtige onder het nummer BE …. Hij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.
Bij de stopzetting van zijn economische activiteit had eiser nog verschillende schulddossiers bij de administratie openstaan. Voor de voldoening ervan volgt eiser sedert december 2009 een afbetalingsplan.
Op 8.09.2014 werd een verzoek gericht aan de gewestelijke directie om de nog openstaande boetes kwijt te schelden. Dit verzoek werd op 22.10.2014 afgewezen.
Op 21.01.2015 heeft eiser een verzoekschrift neergelegd bij deze rechtbank.
2.2. Eiser vraagt dat de opgelegde geldboetes worden kwijtgescholden, minstens worden gematigd. Verder vraagt hij dat verweerder wordt veroordeeld tot de kosten.
2.3. Verweerder vraagt dat de vordering ontvankelijk en ongegrond wordt verklaard en dat eiser wordt veroordeeld tot de kosten van het geding.
III. BEOORDELING.
3.1. nopens de ontvankelijkheid.
Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.
3.2. nopens de grond.
3.2.1. De opgelegde boetes hebben een repressief karakter. Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel mochten de rechtbanken het recht ontzegd worden om op de betwiste administratieve beslissing om dergelijke geldboetes op te leggen, een toetsing met volle rechtsmacht uit te oefenen. Een toetsing met volle rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt (Arbitragehof, 24 februari 1999, rolnr. 1279, arrest nr. 22/99).
Dat kan alleen in die zin begrepen worden dat de rechtbank (onder andere) de macht heeft om na te gaan of de concrete administratieve boete al dan niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten waaraan de belastingplichtige zich bezondigd heeft. Een dergelijke toetsing brengt nog niet noodzakelijk met zich dat de rechtbank de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid, zou bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid.
Concreet is de rechtbank in elk geval van oordeel dat de reeds verminderde administratieve boetes gepast zijn. Uit de voorliggende stukken blijkt immers dat eiser verschillende inbreuken heeft gepleegd op de BTW-wetgeving.
Verder dient ook rekening te worden gehouden met het feit dat de niet tijdige betaling van de verschuldigde boetes en BTW een hele reeks administratieve formaliteiten en dito kosten met zich meebrengt. Tenslotte moet een boete ook een ontradend effect hebben.
Rekening houdend met deze elementen en met de relatieve zwaarwichtigheid van de feiten acht de rechtbank de opgelegde boetes in gepaste verhouding tot de vastgestelde feiten.
3.2.2. Hierbij dient ook vermeld te worden dat bij wijze van gunstmaatregel reeds een afbetalingsplan werd toegestaan en dat aan eiser een vrijstelling van nalatigheidsinteresten werd verleend.
3.3. nopens de kosten
Eiser wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het gerechtelijk wetboek moet hij de gerechtskosten dragen. Aangezien verweerder niet bijgestaan is door een advocaat, heeft hij geen recht op een rechtsplegingsvergoeding en zijn de gerechtskosten in hoofde van verweerder onbestaande.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
De rechtbank,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.
Verklaart de vordering ontvankelijk doch wijst ze af als ongegrond.
Veroordeelt eiser tot de gedingkosten, aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven en aan de zijde van verweerder begroot op … EUR.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op dinsdag vijftien maart tweeduizend en zestien.
Aanwezig zijn: H. N., alleenrechtsprekend rechter;
L. N., griffier.
N.L. N.H.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.