Geding, vervolging, rechten en voorrechten schatkist · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg 24 april 2002

Zoeken

Geding, vervolging, rechten en voorrechten schatkistBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/geding-vervolging-rechten-voorrechten-schatkist-rechtbank-mechelen-2002-04-24-a27b

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Datum
24 april 2002

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

41 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Mechelen d.d. 24.04.2002

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

De rechtbank van eerste aanleg te Mechelen, vierde kamer, rechtsprekend in burgerlijke zaken, wijst het volgende vonnis :

AR nr. 01/1380/A

INZAKE :

De BVBA B.- EN B. V.-K., met zetel te …, …, eiseres, die als raadsman heeft Mr. F. V., advocaat te …, …

tegen :

De BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, administratie der belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor te Mechelen, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2800 Mechelen, Nekkerspoel 21-23, verweerder, die als raadsman heeft Mr. L. C., advocaat te …, …


Gelet op de gedinginleidende dagvaarding bij exploot van 04.04.1997 van het ambt van plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder J. D. M. loco gerechtsdeurwaarder F. B. te ..;

Gelet op de conclusie voor de partijen en op de door verweerder overgelegde stukken;


1. Procedure

De vordering, zoals nader omschreven in de conclusie voor eiseres, strekt er toe het dwangbevel Reg. 127/30146, door verweerder tegen eiseres uitgevaardigd op 06.03.1997, van nul en generlei waarde te horen verklaren en eiseres te ontslaan van alle in dit dwangbevel gevorderde sommen, alsmede verweerder zich te horen veroordelen alle ten onrechte ingehouden en/of door eiseres ten onrechte betaalde bedragen aan eiseres terug te betalen, méér de intresten, in toepassing van artikel 91 van het BTW-wetboek.

Tevens strekt de vordering er toe, alvorens recht te doen, en bij gebreke aan spontane voorlegging, verweerder in toepassing van artikel 877 Ger. W. te horen bevelen de ter zake dienende stukken over te leggen, onder meer de strafrechtelijke aangifte alsook de stukken die het gerechtelijk onderzoek tegen de verantwoordelijken van de NV B. van … zouden hebben opgeleverd.

Deze vordering, tijdig en regelmatig ingesteld, is ontvankelijk, wat niet wordt betwist.

Verweerder concludeerde tot het in opschorting houden van het dossier tot na een uitspraak inzake directe belastingen.

2. Beoordeling

Verweerder legt in zijn dossier het op 06.03.1997 uitgevaardigd dwangbevel neer, samen met het bewijs van de kennisgeving ervan, doch geen andere stukken.

Eiseres verduidelijkte dat dit dwangbevel is gesteund op gegevens die zouden zijn verzameld uit haar dossier inzake directe belastingen (aanslagjaren 1993 en 1994), hetgeen door verweerder niet wordt tegengesproken doch zelfs impliciet doch noodzakelijk wordt erkend nu hij concludeerde tot het in opschorting houden van het dossier "tot na een uitspraak inzake directe belastingen".

Verweerder ontkent evenmin dat tegen de berichten van wijziging van de directe belastingen voor de aanslagjaren 1993 en 1994 door eiseres bezwaarschriften werden ingediend (naar eiseres stelt op 11.01.1996 en op 04.06.1996) waaromtrent tot op heden nog steeds geen uitspraak is gedaan.

Evenmin wordt ontkend dat op 04.05.1996 door eiseres werd verzocht om opschorting van de invordering inzake BTW, aan welk verzoek door verweerster gevolg werd gegeven tot 06.03.1997, op welke datum zij het thans bestreden dwangbevel uitvaardigde en er dus geen enkel akkoord betreffende de opschorting van de invordering meer bestond.

Dat verweerder het dwangbevel slechts zou hebben uitgevaardigd om de rechten van de Staat te vrijwaren en de verjaring te stuiten is een uitleg na de feiten nu voor het stuiten van de verjaring niet noodzakelijk naar het middel van dwangbevel hoeft te worden gegrepen.

Gegeven de opzegging de facto van het akkoord tot opschorting van de invordering, kon eiseres zich derhalve tot de rechtbank wenden en haar vordering stellen, en dringt zij thans rechtmatig aan op behandeling daarvan.

Er is gegeven en niet betwist dat het dwangbevel uitsluitend is gesteund op gegevens verzameld of afgeleid uit het dossier van eiseres bij de directe belastingen.

Er is eveneens gegeven en dat de aldus bekomen gegevens het voorwerp uitmaken van een betwisting (die onbetamelijker wijs zes jaar na het indienen van de bezwaarschriften nog steeds niet werd behandeld door de directeur der directe belastingen), zodat voor het dwangbevel alleszins geen vaststaande en aan eiseres tegenstelbare grondslag aanwezig is.

Er is zelfs geen door de rechtbank controleerbare grondslag aanwezig nu verweerder, ondanks daartoe in conclusies door eiseres gesommeerd te zijn, werkelijk geen enkel stuk voorbrengt waaruit enige grondslag voor het betreffend dwangbevel zou blijken.

Het komt dan ook niet aangewezen voor verweerder te bevelen welk stuk dan ook over te leggen, nu hij dat reeds lang had kunnen doen in de mate waarin dienstige stukken voorhanden zouden zijn.

Bij manifest ontbreken van het aantonen van elke grond voor het dwangbevel, komt de vordering dan ook gegrond voor in de mate waarin zij er toe strekt dit dwangbevel van nul en generlei waarde toe horen verklaren.

Evenwel wordt door eiseres niet aangetoond noch zelfs beweerd dat zij op grond daarvan enige som aan verweerder zou hebben betaald, en nog minder welke som dan wel, zodat haar vordering, in zoverre gesteund op artikel 91 van het BTW-wetboek, hic et nunc als ongegrond voorkomt.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Recht doende op tegenspraak en in eerste aanleg;

Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken en op de latere aanvullingen en wijzigingen daaraan;

Gelet op de wetten van 26.06.2000 en 30.06.2000 betreffende de invoering van de euro en de in uitvoering hiervan genomen koninklijke besluiten van 20.07.2000;

Verklaart de vordering ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond, doch hic et nunc ongegrond en afgewezen voor het overige;

Verklaart het dwangbevel Reg. 127/30146, door verweerder tegen eiseres uitgevaardigd op 06.03.1997, van nul en generlei waarde en ontslaat eiseres van alle in dit dwangbevel gevorderde sommen;

Veroordeelt verweerder tot de kosten, in hoofde van eiseres begroot op € 73,57 + € 334,66 = € 408,23 en in hoofde van verweerder op € 334,66 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus uitgesproken in openbare terechtzitting op vierentwintig april tweeduizend en twee waar zitting namen ;

De Heer M. D. G., alleen zetelend rechter

De Heer H. B., griffier.

H. B. M. D. G.

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 912 voorkomens

Vergelijkbare beslissingen

8