Dwangbevel inzake Btw, Visum en uitvoering · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van Cassatie F.13.0110.F 9 oktober 2014

Zoeken

Dwangbevel inzake Btw, Visum en uitvoering

https://juriel.be/nl/rechtspraak/dwangbevel-btw-visum-uitvoering-geldigheid-cassatie-brussel-2014-10-09-b380

Rechtscollege
Hof van Cassatie
Rolnummer
F.13.0110.F
Datum
9 oktober 2014

Procesverloop

2 stappen · 1 jaar 5 maanden
  1. Bestreden beslissingHof van beroep te Brussel11.04.2013
  2. Weergegeven beslissingHof van Cassatie van België09.10.2014

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

Tekst

49 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Cassatie dd. 09.10.2014 (F.13.0110.F)

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Nijvel dd.15.05.2009

Arrest van het Hof van beroep te Brussel dd. 11.04.2013

Dwangbevel inzake Btw – Visum en uitvoering – Geldigheid van de delegatie door de gewestelijke directeur – Bewijs van de delegatie

Samenvatting

In uitvoering van artikel 85, § 1, eerste alinea, W. BTW wordt het dwangbevel geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijke directeur van de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen of door de door hem aangewezen ambtenaar.

Deze bepaling, welke de gewestelijke directeur machtigt om zijn bevoegdheid inzake het viseren en uitvoerbaar verklaren van het dwangbevel te delegeren, ontslaat de Belgische Staat er niet van dat het betwiste dwangbevel geviseerd en uitvoerbaar verklaard werd door een ambtenaar aan wie deze bevoegdheid gedelegeerd werd.

De eerste rechter had de gewestelijke directeur gehoord. Deze laatste had, ter gelegenheid van zijn verschijning op de zitting, vermeld “persoonlijk onder zijn naaste medewerkers M.F. en M.D. te hebben aangeduid”, en benadrukkend dat deze delegatie niet het voorwerp heeft uitgemaakt van enig geschrift. De rechter overwoog dat deze aanstelling dan ook onregelmatig was daar zij niet opgenomen was in enig geschrift. Volgens de rechtbank kon dus, wegens de onregelmatigheid van de delegatie van het visa van de directeur welke een vormelijke geldigheid aan het dwangbevel toekende, geen rechtsgevolg hieraan toegekend worden.

Het Hof van Beroep te Brussel stelde vast dat :

- de gewestelijke directeur, die verschenen was voor de eerste rechter, had bevestigd dat de betwiste aanstelling door hem gedaan was in een dienstnota, zoals schriftelijk vermeld op het betwiste dwangbevel;

- het dwangbevel bevatte de uitdrukkelijke vermelding van deze aanstelling;

- de tegenpartij beweerde niet dat deze vermelding in het dwangbevel vals was en zij beriep zich evenmin op enig element of aanduiding inzake de onjuistheid van de aanstelling.

Volgens het Hof van Beroep volgde hieruit dat de werkelijkheid van de aanstelling, door de bevoegde gewestelijke directeur, van de ambtenaar die het betwiste dwangbevel geviseerd en uitvoerbaar verklaarde en de overeenstemming van deze aanstelling met het voorschrift van artikel 85, § 1, eerste alinea, W. BTW, dan ook toereikend moet zijn geweest.

Het Hof van Cassatie onderlijnt dus dat wanneer, zoals het ook in deze zaak het geval is, het bewijs door vermoedens toegelaten wordt, de rechter daadwerkelijk de bewijskracht moet beoordelen van de vermoedens waarop hij zijn beslissing baseert. Het Hof beperkt zich ertoe na te gaan of de rechter het begrip van het menselijk vermoeden niet heeft veronachtzaamd en, in het bijzonder, dat hij uit de feiten die hij vastgesteld heeft geen gevolgen heeft afgeleid welke niet vatbaar zijn voor enige rechtvaardiging op grond van die feiten.

Het Hof van Cassatie overweegt dat het bestreden arrest uit deze gegevens (vaststellingen van het hierboven genoemde Hof van Beroep te Brussel) heeft kunnen afleiden, zonder schending van enig in het middel beoogde bepalingen, dat de werkelijkheid van de delegatie en de overeenstemming hiervan met het wettelijk voorschrift van artikel 85, § 1, eerste alinea, W. BTW dan ook dus voldoende bewezen zijn voor het hof van beroep.

Wetgeving

W. BTW, art.85, § 1

De beslissing wordt uitsluitend gepubliceerd in de oorspronkelijke taal

Volledige tekst

Tekst van de beslissing

Arrêt de la Cour de cassation dd. 09.10.2014

F.13.0110.F

D., société anonyme dont le siège social est établi à …, demanderesse en cassation, ayant pour conseil Maître D. L., avocat au barreau de Bruxelles, dont le cabinet est établi à … où il est fait élection de domicile,

contre

ÉTAT BELGE, représenté par le ministre des Finances, dont le cabinet est établi à Bruxelles, rue de la Loi, 12,

défendeur en cassation,

représenté par Maître F. T’K., avocat à la Cour de cassation, dont le cabinet est établi à …, où il est fait élection de domicile.

I. La procédure devant la Cour

Le pourvoi en cassation est dirigé contre l’arrêt rendu le 11 avril 2013 par la cour d’appel de Bruxelles.

Le conseiller M. R. a fait rapport.

L’avocat général A. H. a conclu.

II. Le moyen de cassation

Dans la requête en cassation, jointe au présent arrêt en copie certifiée conforme, la demanderesse présente un moyen.

III. La décision de la Cour

Sur le moyen :

En vertu de l'article 85, § 1er, alinéa 1er, du Code de la taxe sur la valeur ajoutée, dans sa version applicable au litige, la contrainte est visée et rendue exécutoire par le directeur régional de l'administration de la taxe sur la valeur ajoutée, de l'enregistrement et des domaines ou par un fonctionnaire désigné par lui.

Cette disposition, qui habilite le directeur régional à déléguer son pouvoir de viser la contrainte et de la rendre exécutoire, ne dispense pas l’État belge d'établir que la contrainte litigieuse a été visée et rendue exécutoire par un fonctionnaire auquel ce pouvoir a été délégué.

Lorsque, comme c'est le cas en la matière, la preuve par présomptions est admissible, le juge apprécie en fait la valeur probante des présomptions sur lesquelles il fonde sa décision. La Cour se borne à contrôler si le juge n'a pas violé la notion de présomption de l'homme et, notamment, s'il n'a pas déduit des faits qu'il a constatés des conséquences qui ne sont susceptibles d'aucune justification sur la seule base de ces faits.

L'arrêt constate que la contrainte «contient la mention expresse de la désignation par le directeur régional [du] directeur ad interim […] pour viser et rendre exécutoire ladite contrainte» et considère que la demanderesse «ne prétend pas que cette mention dans la contrainte serait un faux» et qu’elle «ne fait état d’aucun élément ou indice […] sur la fausseté de la désignation expressément mentionnée».

Il constate en outre que «le directeur régional a été auditionné en personne par le premier juge et a déclaré ‘je confirme que la personne nommément désignée dans la contrainte a été désignée par moi’» et considère que «la mention expressément mentionnée [dans la contrainte] a été confirmée par le directeur régional comparaissant en personne devant le premier juge».

L’arrêt a pu déduire de ces énonciations, sans violer aucune des dispositions visées au moyen, que « la réalité de la désignation par le directeur régional compétent du directeur a.i.[…] qui a visé et rendu exécutoire la contrainte litigieuse et la conformité de cette désignation avec le prescrit légal de l’article 85, § 1er, alinéa 1er, du Code de la taxe sur la valeur ajoutée sont dès lors avérées à suffisance devant la cour [d’appel] ».

Dans cette mesure, le moyen ne peut être accueilli.

Pour le surplus, les considérations précitées constituent un fondement distinct et suffisant de la décision que la délégation est établie. Le motif que le directeur régional aurait confirmé la désignation du directeur ad interim faite par lui dans une note de service est, dès lors, surabondant.

Dans la mesure où il invoque la violation de la foi due à cette déclaration, le moyen, qui ne saurait entraîner la cassation, est irrecevable à défaut d’intérêt.

Beschikkend gedeelte

Par ces motifs,

La Cour

Rejette le pourvoi ;

Condamne la demanderesse aux dépens.

Les dépens taxés à la somme de trois cent nonante-deux euros nonante centimes envers la partie demanderesse et à la somme de deux cent huit euros six centimes envers la partie défenderesse.

Ainsi jugé par la Cour de cassation, première chambre, à Bruxelles, où siégeaient le président de section A. F., les conseillers M. R., M. D., M.-C. E. et S. G., et prononcé en audience publique du neuf octobre deux mille quatorze par le président de section A. F., en présence de l’avocat général A. H., avec l’assistance du greffier P. D. W..

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 852 voorkomens

Rechtspraak

4

België

4

Bekijk alle 4

Bekijk de 4 documenten

Vergelijkbare beslissingen

8