Bewijsmiddelen -vermoedens, forfaitaire regeling inzake caféhouders, geldboete · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Gent 20 februari 2019

Zoeken

Bewijsmiddelen -vermoedens, forfaitaire regeling inzake caféhouders, geldboete

https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijsmiddelen-vermoedens-forfaitaire-regeling-cafehouders-rechtbank-gent-2019-02-20-72dd

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Gent
Datum
20 februari 2019

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

Tekst

103 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg van Oost-Vlaanderen, afdeling Gent d.d. 20.02.2019

WF 709-15-17/055124

[Gunstig voor de administratie]

Belasting over de toegevoegde waarde – bewijsmiddelen –vermoedens – forfaitaire regeling inzake caféhouders - geldboete

Wettelijke bepalingen

Burgerlijk Wetboek: art. 1349

WBTW: Art. 59, § 1 eerste lid ; Art. 64, § 1; Art. 70

Samenvatting

1) Feiten en voorgaande procedure

Belastingplichtige is sedert 3 december 1989 als btw-plichtig geregistreerd onder het

voor de activiteit van uitbating van kampeerterrein annex kantine. Door de administratie werd er op 9 maart 2016 een vooraf aangekondigde controle uitgevoerd bij eiseres om de naleving van de BTW wetgeving te controleren voor de periode van 1 januari 2013 tot 31 december 2014.

De controle resulteerde in inbreuken op de btw-wetgeving. De administratie stelde vast dat de kantine/cafetaria een lage rendementsmarge kende voor 2013 en 2014. Op basis van een forfaitaire winstmarge van 2,0 toegepast op de aangegeven drankaankopen kwam de administratie tot een niet aangegeven meer omzet. Bovendien was er eveneens een verkeerde overdracht naar de aangiften voor 2014. Belastingplichtige ging middels verzoekschrift neergelegd op 18/10/2017 in verzet tegen het op 14/10/2016 geviseerd en uitvoerbaar verklaard dwangbevel.

2) De procedure in eerste aanleg

De vordering van belastingplichtige strekt ertoe om het proces-verbaal dd. 11/7/2016 te horen vernietigen dan wel van onwaarde te horen verklaren en het dwangbevel geheel te horen vernietigen. Tevens te oordelen dat de gevorderde bedragen niet verschuldigd zijn en de administratie te veroordelen tot de terugbetaling van alle ten onrechte ingehouden bedragen. In meest ondergeschikte orde, de opgelegde geldboete kwijt te schelden. Desgevallend, opnieuw rechtdoende, het recht op teruggave aan belastingplichtige toe te kennen voor de ten onrechte in 2015 afgedragen en betaalde btw.

1) omtrent de omzet

De administratie stelt dat de kantine/cafetaria van belastingplichtige voor 2013 een te lage rendementsmarge kende, in het bijzonder gelet op de rendementsmarge voor 2014 die 2,12 bedroeg.

Belastingplichtige stelt daarentegen dat de rendementsberekening door de administratie willekeurig is, aangezien het jaar 2014 niet vergelijkbaar is met 2013, er geen rekening wordt gehouden met het sociaal aspect van de kantine/cafetaria, de aangehouden verkoopmarge hoger is dan degene die wordt gehanteerd in de forfaitaire regeling inzake btw voor caféhouders, en de administratie er ten onrechte vanuit gaat dat alle aankopen in hetzelfde jaar worden verkocht. Zij wijst erop dat de verkoop seizoensgebonden is, afhankelijk is van de bezetting en gespreid moet worden bekeken over meer dan één jaar. Hoogstens is een verkoopmarge van 1,5 op zijn plaats.

De rechtbank volgt de stelling van belastingplichtige niet. Belastingplichtige kan gelet op het bedrag van de aankopen bezwaarlijk ontkennen dat er voor 2013 een tekort aan omzet werd aangegeven. De stelling dat de dranken met verlies zouden worden verkocht is bovendien ongeloofwaardig. Evenmin maakt belastingplichtige aannemelijk dat de omzet seizoensgebonden is. Er is bovendien ook geen sprake van enige willekeur.

De administratie heeft bij het berekenen van de omzet de bewijsregels correct toegepast. Er is tenslotte geen reden om de toegepaste rendementsmarge die door de administratie reeds werd herleid naar 2,0 verder te herleiden naar 1,5.

2) omtrent de overdrachten in 2014

Op basis van een vergelijking tussen de boekhouding van belastingplichtige en de door haar ingediende btw-aangiftes stelt de rechtbank samen met de administratie vast dat er een aanzienlijk verschil bestaat tussen de door belastingplichtige in haar boekhouding opgenomen omzet en de in de btw aangegeven omzet. Op dit verschil in omzet werd terecht de verschuldigde btw berekend.

Er is evenmin onterecht btw betaald in 2015. De rechtbank is van oordeel dat bij gebrek aan bewijs dat de btw dubbel werd betaald, de teruggave geen wettelijke grond heeft.

3) omtrent de boete

De stelling van belasting dat de geldboete moet worden kwijtgescholden omwille van de principiële betwisting werd evenmin gevolgd. Tenslotte is de rechtbank van oordeel dat de opgelegde geldboete van 20% in een evenredige verhouding bevindt met de aard en de ernst van de overtreding, en in redelijkheid kon worden opgelegd.

De vordering van belastingplichtige werd bijgevolg ontvankelijk maar ongegrond verklaard.

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

Rechtbank van eerste aanleg van Oost-Vlaanderen, afdeling Gent

Fiscaal - zesde burgerlijke kamer

Openbare terechtzitting van 20 februari 2019

Rolnr. 17/3606/A

In de zaak van:

VKT G.D. VZW, KSO nr. 0438. …, met maatschappelijke zetel te … , EISENDE PARTIJ, vertegenwoordigd door mr. … , advocaat te …;

Tegen:

De BELGISCHE STAAT, FOD Financiën - Stafdienst Logistiek - Koning Albert Il laan 33 bus 971 te 1030 Brussel, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de Adviseur Generaal - Centrumdirecteur, KMO Centrum … , VERWERENDE PARTIJ, voor wie optreden de heer … , attaché bij een fiscaal bestuur en de heer … , fiscaal deskundige bij een fiscaal bestuur.

Vonnist de rechtbank als volgt

I. DE RECHTSPLEGING

De partijen werden gehoord in hun middelen op de openbare terechtzitting van

18 februari 2019 waarna het debat werd gesloten en de zaak in beraad genomen. Het dossier van de rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien.

Il. DE VORDERINGEN VAN PARTIJEN

Eiseres verhaalt zich tegen een dwangbevel inzake BTW Nr. 500/…, uitgevaardigd op 11 oktober 2016 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 14 oktober 2016.

Eiseres vordert om haar vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens:

"1. Het proces-verbaal opgesteld op 11 juli 2016 door de heer … , Fiscaal deskundige bij de Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, KMO Centrum … , geheel te horen vernietigen dan wel van onwaarde te horen verklaren;

1.Het dwangbevel met referte nr. 500/… uitgevaardigd te … op 11 oktober 2016 door mevrouw … , Adviseur Invordering - Ontvanger bij het Team Invordering … geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 14 oktober 2016 door de heer … , Adviseur, geheel te horen vernietigen;

2.Te horen zeggen voor recht dat concluante de middels voormeld proces-verbaal en dwangbevel gevorderde bedragen niet verschuldigd is en verweerder te horen veroordelen om alle ten onrechte ingehouden en/of alle ten onrechte op de bestreden vordering aangerekende bedragen aan concluante terug te betalen, meer de moratoriuminteresten;

In meest ondergeschikte orde, de opgelegde geldboeten kwijt te schelden wegens schending van het proportionaliteitsbeginsel.

Desgevallend, opnieuw rechtdoende, het recht op teruggave aan concluante toe te kennen voor de ten onrechte in 2015 afgedragen en betaalde BTW en teruggave te willen bevelen van een bedrag van 7.464,76 EUR, moratoriuminteresten in meer.

Verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding, [zoals begroot]."

De Belgische Staat verzoekt om het verzoekschrift ontvankelijk maar ongegrond te verklaren, de vordering van eiseres af te wijzen, het uitgevaardigde dwangbevel geldig te verklaren, eiseres te veroordelen tot het betalen van de bedragen die opgenomen zijn in het dwangbevel, met veroordeling van eiseres tot de kosten

III. RELEVANTE FEITEN EN VOORGAANDEN

Eiseres is sedert 3 december 1989 als BTW-plichtige geregistreerd onder het BTW-nummer BE0438…. voor de activiteit van uitbating van kampeerterrein annex kantine.

Door de administratie werd er op 9 maart 2016 een vooraf aangekondigde controle uitgevoerd bij eiseres om de naleving van de BTW-wetgeving te controleren voor de periode van 1 januari 2013 tot 31 december 2014. Op 11 juli 2016 werd een proces-verbaal opgesteld van de vastgestelde overtredingen, hetgeen volgens de administratie resulteerde in volgende BTW­ schuld:

- BTW: 12.929,25 euro

- geldboete: 2.580,00 euro

- intresten: vanaf 21 januari 2015

De administratie stelde vast dat de kantine/cafetaria een lage rendementsmarge kende voor 2013 en 2014. Op basis van een forfaitaire winstmarge van 2,0 toegepast op de aangegeven drankaankopen (rekening 604000) kwam de administratie tot een omzet van 41.186,84 euro, daar waar maar een omzet van 15.165,44 euro werd aangegeven. De BTW verschuldigd op het verschil werd nagevorderd. Tevens werd BTW nagevorderd wegens de verkeerde overdracht naar de aangiften voor 2014.

Op 11 oktober 2016 werd het bestreden dwangbevel nr. 500/… uitgevaardigd, dat op 14 oktober 2016 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard.

Middels verzoekschrift neergelegd op 18 oktober 2017 heeft eiseres de zaak bij deze rechtbank aanhangig gemaakt.

IV. BEOORDELING

1. Omtrent de omzet voor 2013.

1.1.

Artikel 59, §1, eerste lid WBTW schrijft voor dat overtredingen van de bepalingen van dat wetboek of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen, alsmede feiten die de verschuldigdheid van de belasting of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen, door de administratie kunnen worden bewezen volgens de regelen en door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed, en daarenboven door de processen-verbaal van de ambtenaren van het Ministerie van Financiën die, overeenkomstig het tweede lid van §1, bewijs opleveren zolang het tegendeel niet is bewezen.

Overeenkomstig artikel 1349 BW zijn vermoedens gevolgtrekkingen die de wet of de rechter afleidt uit een bekend feit. Het vermoeden kan slechts worden aanvaard wanneer met zekerheid het bestaan van het vast te stellen gegeven uit het bekende feit kan worden afgeleid. Het is niet noodzakelijk dat de vermoedens die uit de vastgestelde feiten worden afgeleid hieruit noodzakelijkerwijze volgen. Het volstaat dat ze hieruit kunnen volgen (zie ook Cass. 20 juni 2014, F.12.0196.F, www.cass.be).

Voor de vermoedens als bewijstechniek is het essentieel dat het bekende feit of de bekende feiten waaruit de redenering vertrekt, bekend zijn, dat wil zeggen, dat het gaat om feiten die buiten kijf staan of nopens de materiële werkelijkheid waarvan er geen betwisting kan bestaan. Een feitelijk vermoeden kan niet zelf op een ander feitelijk vermoeden steunen (zie ook Cass. 21 december 1990, RW 1990-91, 1141). Ofschoon de feiten die de rechter als uitgangspunt van zijn redenering neemt, moeten vaststaan, dit wil zeggen moeten bewezen zijn, belet geen enkele wetsbepaling evenwel dat de aanname van dit feit zelf het resultaat kan zijn van een bewijsvoering door vermoedens (zie ook Cass. 22 mei 2014, F.13.0086.N, www.cass.be).

Krachtens artikel 64, §1 WBTW wordt hij die goederen verkrijgt of produceert om ze te verkopen, behoudens tegenbewijs geacht de door hem verkregen of geproduceerde goederen te hebben geleverd onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt.

1.2.

De administratie stelt dat de kantine/cafetaria van eiseres voor 2013 een te lage rendementsmarge kende, in het bijzonder gelet op de rendementsmarge voor 2014 die 2,12 bedroeg.

Eiseres werpt op dat de rendementsberekening door de administratie willekeurig is, aangezien het jaar 2014 niet vergelijkbaar is met 2013, er geen rekening wordt gehouden met het sociaal aspect van de kantine/cafetaria, de aangehouden verkoopmarge hoger is dan degene die wordt gehanteerd in de forfaitaire regeling inzake btw voor caféhouders, en de administratie er ten onrechte vanuit gaat dat alle aankopen in hetzelfde jaar worden verkocht. Zij wijst erop dat de verkoop seizoensgebonden is, afhankelijk is van de bezetting en gespreid moet worden bekeken over meer dan één jaar. Volgens eiseres is hoogstens een verkoopmarge van 1,5 op zijn plaats.

Uit het dossier blijkt dat eiseres in 2013 een omzet van 15.165,44 euro heeft aangegeven daar waar er aankopen (rekening 604000) werden verricht voor een bedrag van 20.593,42 euro. Voor 2014 bedroeg de omzet 44.316,57 euro en de aankopen (rekening 604000) 20.880,02 euro. Gelet op deze cijfers kan eiseres bezwaarlijk ontkennen dat er voor 2013 een tekort aan omzet werd aangegeven. Er werden aankopen verricht voor een bedrag van 20.593,42 euro, daar waar er slechts een omzet zou zijn geweest van 15.165,44 euro. Het realiseren met verlies is mogelijk in de sector, doch het is volstrekt ongeloofwaardig dat aangekochte dranken met verlies zouden worden verkocht, zelfs in een vzw-structuur met sociaal karakter.

Het argument van eiseres dat de aankopen na het afsluiten van het seizoen werden verricht en dat de aankopen over verschillende seizoenen worden verbruikt, alsook dat de omzet seizoensgebonden is, maakt zij niet aannemelijk. Er liggen geen documenten voor die de (lage) bezettingsgraad van het kampeerterrein (in 2013) aantonen, of die aannemelijk maken dat de aankopen verricht in 2013 zijn verbruikt in latere jaren. Ter zitting daarnaar gevraagd, overliep de administratie mondeling de aankoop- en omzetcijfers voor 2016, 2017 en 2018. Deze cijfers spreken voormeld argument van eiseres van verbruik in latere jaren of verkoop tegen inkoopprijs of zelfs met verlies tegen. Uit deze cijfers blijkt immers telkens een rendementsmarge van meer dan 2,5.

1.3.

Het tekort aan omzet voor 2013 staat aldus vast. De vraag stelt zich vervolgens hoe dit tekort aan omzet moet worden bepaald. De administratie past de rendementsmarge voor 2014, herleid naar afgerond 2, toe op de aankopen verricht in 2013. In weerwil van wat eiseres stelt, is deze grondslag, nl. de door eiseres aangegeven aankopen in 2013 (rekening 604000) geenszins niet­ representatief. Het betreft immers een door eiseres zelf aangegeven bedrag, opgenomen in haar boekhouding.

De rechtbank is van oordeel dat d e berekening van de meerwinst in hoofde van eiseres voor 2013 steunt op twee afzonderlijke bekende feiten: enerzijds de in de boekhouding vermelde aankopen in 2013 en, anderzijds, de door eiseres verwezenlijkte rendementsmarge voor 2014. Na toepassing van de rendementsmarge voor 2014 op de aankopen verricht in 2013 werd (bij wijze van vermoeden) de omzet voor 2013 bepaald. Van deze omzet werd de door eiseres aangegeven omzet afgetrokken om de meeromzet te bekomen. De bewijsregels werden door de administratie correct toegepast. Er is geen sprake van enige willekeur.

De rendementsmarge werd bovendien van 2,12 herleid naar 2,0 om rekening te houden met het sociaal aspect van de kantine/cafetaria, hetgeen gunstig is voor eiseres aangezien eigenlijk mag verwacht worden dat de impact van het sociaal aspect reeds vervat is in de rendementsmarge voor 2014. Aangezien met het sociaal aspect reeds rekening werd gehouden, is er geen reden om de toegepaste rendementsmarge verder te herleiden naar 1,5. De rendementsmarge voor 2016, 2017 en 2018 komt ook geenszins in de buurt van de 1,5 voorgehouden door eiseres, en is zelfs hoger dan 2,0.

De forfaitaire regeling inzake btw voor kleine caféhouders komt tot een ongunstiger resultaat voor eiseres (nl. 2,55 voor bier en 3,2 voor andere koude en warme dranken), zodat niet kan worden ingezien waarom eiseres de vergelijking maakt.

De vordering van eiseres wordt op dit punt afgewezen.

2.Omtrent de overdrachten in 2014.

2.1.

Op basis van een vergelijking tussen de boekhouding van eiseres en de door haar ingediende BTW-aangiftes stelt de rechtbank samen met de administratie vast dat er een aanzienlijk verschil bestaat tussen de door eiseres in haar boekhouding opgenomen omzet en de in de BTW aangegeven omzet. Op dit verschil in omzet werd terecht de verschuldigde BTW berekend.

Waar eiseres verwijst naar haar eigen stuk 3 blijkt dit stuk te verschillen van de BTW-aangiftes ontvangen door de administratie. Het is enkel met deze laatste dat rekening kan worden gehouden.

Deze grief van eiseres is ongegrond.

2.2.

Eiseres verzoekt in ondergeschikte orde om de in 2015 ten onrechte betaalde BTW terug te geven (voor eenzelfde bedrag, nl. 7.464,76 euro).

Eiseres bewijst evenwel niet dat de weerhouden meeromzet voor 2014 aangegeven werd in 2015. De cijfers maken dit bovendien niet aannemelijk, aangezien dit zou willen zeggen dat de totale omzet voor 2015 slechts 4.757,94 zou bedragen (nl. aangegeven 34.314,51 euro - voor 2014 weerhouden meeromzet van 29.556,57 euro). Dit bedrag is slechts een fractie van de omzet gerealiseerd voor voorgaande jaren. Bij gebrek aan bewijs dat de BTW dubbel werd betaald, is er geen wettelijke grond voor teruggave.

3.Omtrent de opgelegde geldboete.

De administratie legde een geldboete van 20% op. Eiseres werpt op dat het een principiële betwisting betreft en dat de geldboete moet worden kwijtgescholden.

In weerwil van wat eiseres stelt, betreft huidig geschil geenszins een principiële betwisting. Eiseres heeft op verkeerde wijze haar omzet overgedragen vanuit haar boekhouding naar haar BTW-aangifte en heeft een tekort in omzet aangegeven. Dit betreft een verkeerde toepassing van de BTW-regels, die op dit punt voor geen enkele betwisting vatbaar zijn.

De geldboete van 20% heeft in voorliggend geval een repressief karakter en is bijgevolg een sanctie van strafrechtelijke aard in de zin van artikel 6 EVRM. Zij strekt er immers toe op algemene wijze elke BTW-belastingplichtige ertoe aan te zetten de BTW-wetgeving correct toe te passen om zowel de belastingverhoging te vermijden als om de onjuiste toepassing van de BTW­ wetgeving te bestraffen en herhaling van inbreuken te voorkomen.

De rechter die gevraagd wordt een administratieve sanctie te controleren die een strafrechtelijk karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, zoals in voorliggend geval, moet de wettigheid van die sanctie nagaan en kan meer bepaald onderzoeken of die sanctie verenigbaar is met de dwingende vereisten van de internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dat controlerecht biedt de rechter inzonderheid de mogelijkheid om, met in aanmerkingneming van alle omstandigheden van de zaak, te onderzoeken of de straf niet buiten verhouding staat tot de overtreding, zodat hij kan onderzoeken of de administratie redelijkerwijs een administratieve sanctie van die omvang mocht opleggen. In dat opzicht kan de rechter inzonderheid rekening houden met de ernst van het misdrijf, het bedrag van de reeds opgelegde sancties en de wijze waarop uitspraak is gedaan in soortgelijke zaken. Dit controlerecht houdt niet in dat de rechter, louter om opportuniteitsredenen en in strijd met de wettelijke regels, geldboeten kan kwijtschelden of verminderen (zie ook Cass. 18 april 2013, F.11.0142.F, www.cass.be).

Gelet op de volle rechtsmacht die deze rechtbank heeft inzake administratieve boetes die een strafrechtelijk karakter hebben in de zin van artikel 6 EVRM, is deze rechtbank van oordeel dat zij bevoegd is om de opgelegde geldboete te verminderen of zelfs kwijt te schelden. Artikel 70 WBTW moet in grondwettelijke zin worden geïnterpreteerd (zie ook GwH 15 mei 2008, nr. 79/2008).

De rechtbank is van oordeel dat de door de administratie opgelegde geldboete van 20% zich in een evenredige verhouding bevindt met de aard en de ernst van de overtreding, en in redelijkheid kon worden opgelegd. Er zijn geen redenen om de geldboete nog verder te herleiden.

4.De gerechtskosten.

Tenzij bijzondere wetten anders bepalen, verwijst ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten, onverminderd de overeenkomst tussen de partijen, die het eventueel bekrachtigt (artikel 1017, lid 1 Ger. W.).

De kosten omvatten onder meer de rechtsplegingsvergoeding (artikel 1018, 6° juncto artikel 1022 Ger. W.). De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijkgestelde partij (artikel 1022, lid 1 Ger. W.).

Eiseres dient, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten te worden verwezen.

Aangezien de Belgische Staat niet wordt vertegenwoordigd door een advocaat, is geen rechtsplegingsvergoeding verschuldigd. De door eiseres betaalde bijdrage voor het fonds voor juridische tweedelijnsbijstand blijft ten hare laste.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN. DE RECHTBANK.

Recht doende op tegenspraak.

Met inachtneming van de artikelen 2 en 30 tot 42 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

Alle meeromvattende en strijdige conclusies verwerpend als niet terzake dienend.

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk doch wijst ze af als ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten van deze aanleg, die integraal ten hare laste blijven.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, op woensdag twintig februari tweeduizend negentien, waar aanwezig waren …

Ondertekeningen

Aangehaalde teksten

3
WBTW art. 591 voorkomen
WBTW art. 641 voorkomen
WBTW art. 701 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8