Bewijs, controlemaatregel · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen 22 november 2000

Zoeken

Bewijs, controlemaatregelBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijs-controlemaatregel-rechtbank-antwerpen-2000-11-22-94d0

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Antwerpen
Datum
22 november 2000

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

63 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 22.11.2000

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op tweeëntwintig november tweeduizend in openbare zitting van de tweede F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :

M. D., rechter,

P. W., rechter,

L. B., rechter,

G. G., griffier,

In zake : AR nr. 99/1870/A

D. B. R., handelaar/spijshuisuitbater, BTW identificatienummer BE …, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder het nummer …, wonende en met uitbating te …, …,

eisende partij,

verschijnende bij Meester K. W., advocaat, kantoorhoudende te …, …,

tegen :

de BELGISCHE STAAT, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de heer Gewestelijk Directeur van de BTW, registratie en domeinen te Antwerpen, in de persoon van de rekenplichtige-ontvanger van het tweede BTW-Ontvangkantoor te Antwerpen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4,

verwerende partij,

verschijnende bij Meester P. M. loco Meester R. L., advocaat, kantoorhoudende te …, ….


Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, o.m. :

- het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder M. B. te … op 25 maart 1999;

- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 25 oktober 2000.


Uit de voorgelegde documenten blijkt dat eiser (met BTW-nummer …) als uitbater van een frituur-verbruiksalon op 23 oktober 1996 een controle onderging over de periode 1 januari 1992 tot en met 31 december 1995.

Overeenkomstig de stukken in het dossier van eiser werd hem op 3 december-1996 een correctie-opgave toegestuurd met betrekking tot de periode 1 januari 1994 tot en met 31 december 1995. Hierop kwam vanwege de gevolmachtigde van eiser geen positieve medewerking, zodat de controle-ambtenaar overging tot het opstellen van een proces-verbaal, gedagtekend op 4 november 1997 en dat dezelfde dag aan eiser werd verstuurd.

Verweerder ging dan als invorderingsambtenaar op 5 oktober 1998 over tot het opstellen van een dwangbevel (geviseerd door de gewestelijk directeur van de BTW op 9 oktober 1998).

Eiser stelde een vordering in verzet in met dagvaarding d.d. 25 maart 1999·, ingeleid op 12 april 1999.

In het dossier van eiser treft de rechtbank ook nog correctie-opgaven die in hoofde van eiser werden opgemaakt met betrekking tot de periodes 1 januari 1989 - 31 december 1992 en 1 januari 1992 - 31 december 1993. Deze hebben echter slechts onrechtstreeks betrekking op de betwisting zoals die thans aan de rechtbank wordt voorgelegd.

In rechte

In essentie betwist eiser de bewijskracht van de vermeldingen in het proces-verbaal, en stelt hij dat de daarin opgenomen gegevens slechts neerkomen op een onterechte toepassing van het bewijsmiddel van feitelijke vermoedens. Hij voert aan dat hij een bewijskrachtige boekhouding voert die aantoont dat de aangevoerde feitelijke vermoedens niet kunnen weerhouden worden.

Verweerder stelt dat de controle-ambtenaar de boekhouding mag verwerpen zo deze niet voldoet aan het vereiste van controleerbaarheid. Hij stelt vervolgens dat de controle-ambtenaar na verwerping mag overgaan tot alternatieve regularisatiemethodes (conclusie, blz. 5), vertrekkend van input naar output, rekening houdend met brutowinst en/of rendementsnormen en/of de eigen productieve prestaties (conclusie, blz. 6).

Beoordeling

Het feit dat de controle-ambtenaar voorafgaand aan de voorliggende betwisting gebruik heeft gemaakt van een proces-verbaal, geeft aan dit proces-verbaal niet automatisch de wettelijke bewijskracht uit artikel 59, § 1 in fine Wetboek BTW.

Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de controle-ambtenaar vooreerst is overgegaan tot een gemotiveerde verwerping van de boekhouding van eiser, om dan door middel van feitelijke vermoedens - in combinatie met de wettelijke vermoedens van artikel 64, § 1, en 64, § 2 Wetboek BTW - te komen tot een bedrag aan te betalen BTW.

Hij stootte bij dit alles op een passieve houding van eiser en van diens gevolmachtigde, en eiser ging slechts tot geventileerde betwisting over naar aanleiding van het voorleggen van de betwisting aan de rechtbank;

Verwerping van de boekhouding

Het proces-verbaal stelt vast dat de inschrijvingen in het dagboek van ontvangsten door geen enkel bewijskrachtig stuk werden gestaafd, en preciseert dat van een door eiser geafficheerd kerst- en nieuwjaarsmenu 1995 (drank inbegrepen) geen ontvangstbewijzen van 1.500 BEF of een veelvoud door hem werden afgeleverd, hoewel laatstgenoemde toegaf deelnemers aan dat menu over de vloer te hebben gehad.

Deze vaststelling heeft slechts betrekking op een zeer korte activiteitsperiode van eiser. Ze volstaat echter om te besluiten tot de verwerping van de boekhouding, en aldus tot het ontkennen van haar bewijskracht wegens de eruit volgende oncontroleerbaarheid ervan.

Inderdaad kan niet worden aangenomen dat eiser op zijn aanbieding in werkelijkheid geen gelegenheidsmenu's zou hebben omgezet, maar stelt dat gegeven de geloofwaardigheid van zijn boekhouding over de gecontroleerde periode in vraag.

Zulks geldt, zelfs al konden voor vroegere gecontroleerde periodes in dit verband geen vaststellingen worden gedaan.

Tegen deze vaststelling weegt niet op, de loutere bewering van eiser dat hij op de bewuste dagen slechts 6 (kerstdag) respectievelijk 8 (nieuwjaarsdag) klanten over de vloer zou hebben gehad, waarvan niemand het gelegenheidsmenu zou hebben genomen. Deze laatste bewering wordt door eiser trouwens slechts naar voren gebracht naar aanleiding van de betwisting bij de rechtbank, waar hij vroeger wel 6, respectievelijk 8 menu's toegaf.

Tegen de vermelde concrete vaststelling weegt ook niet op, de algemene bewering van eiser dat er weliswaar geen ontvangstbewijzen van 1.500 BEF of een veelvoud werden aangetroffen, maar dat er (in het algemeen) wel BTW-bonnetjes werden afgeleverd op basis waaraan de verkopen voor het verbruik ter plaatse werden ingeschreven in het dagontvangstenboek.

Tegen de meer vermelde vaststelling weegt evenmin op, de discussie die pas voor de rechtbank wordt gevoerd in verband met de al dan niet aanwezigheid van een kasregister in de zaak van eiser, en de daarop volgende vraag of eiser met dat kasregister een totaalomzet kon produceren.

Geen der huidige opwerpingen van eiser beletten dat de controle-ambtenaar terecht zijn boekhouding als niet bewijskrachtig terzijde schoof.

Opbouw van de belastbare grondslag

Met het opbouwen van de belastbare grondslag - in vervanging van de grondslag zoals die bleek uit de periodieke aangiftes - zoals dat is geschied in het proces-verbaal d.d. 4 november 1997, is de controle-ambtenaar in werkelijkheid overgegaan tot het opleggen van een ambtshalve aanslag, maar hij was daarbij conform (artikel 66 Wetboek BTW niet verplicht om formeel tot de procedure van ambtshalve aanslag over te gaan.

Door dit gegeven kan de door hem via de opstelling van een proces-verbaal vooropgestelde belastbare grondslag echter niet het wettelijk juistheidsvermoeden van artikel 67 Wetboek BTW genieten, en is de bewijslast met betrekking tot de opbouw van de belastbare grondslag bij de belastingadministratie gebleven.

Er moet dus worden onderzocht of de in het proces-verbaal bekomen belastbare grondslag in aanmerking komt als feitelijk vermoeden.

Daarbij dient acht te worden geslagen op de nauwkeurigheid van de door de taxatie-ambtenaar aangewende gegevens (vgl. Hof van Beroep Antwerpen 27 april 1998, Vijfde Kamer, AR 1994/806, zich bevindend in het dossier van verweerder).

Uit het proces-verbaal d.d. 4 november 1997 kan worden opgemaakt dat het op basis van de aankopen overgaat tot het bepalen van de bruto-omzet en alzo tot het bepalen van de totale bruto-winstmarge, ook al wordt dat niet met zoveel woorden uitdrukkelijk gesteld.

Bij deze bepaling werd uitgegaan van gemiddelde productieresultaten bekomen uit aangekochte grondstoffen, en wordt ook uitgegaan van brutowinstmarges op omgezette (zelfgeproduceerde en aangekochte) producten, dit laatste aan de hand van werkelijke verkoopseenheidsprijzen.

Waar eiser het initieel niet nodig vond om deze gedetailleerde opbouw van de belastbare grondslag te weerleggen, stelt hij slechts naar aanleiding van het door hem voor de rechtbank gebrachte geschil een aantal bovendien slechts vaag door hem onderbouwde beweringen voorop.

Zo kan onder meer het 'proefondervindelijk' vaststellen 'dat 1 kg aardappelen helemaal geen 750 gr frieten opbrengt', niet opwegen tegen de door de controle-ambtenaar aangewende statistische gemiddelden, genomen uit vastgelegde forfaits.

Hetzelfde geldt voor de andere vooropstellingen van verweerder.

Ook hier geldt een en ander, zelfs al werd voor vroegere gecontroleerde periodes geen zulke wijziging van belastbare grondslag doorgevoerd.

Het bewijs van de in het proces-verbaal opgenomen belastbare grondslag is bijgevolg geleverd.

De vordering van eisende partij dient ontvankelijk doch ongegrond te worden verklaard.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige middelen verwerpend.

Na erover te hebben beraadslaagd.

Verklaart de vordering ontvankelijk doch ongegrond en wijst eiser er van af,

Veroordeelt eiser tot de kosten van het geding, deze op heden door verweerder begroot op 12.600 BEF rechtsplegingsvergoeding en door de Rechtbank vereffend op 6.450 BEF.

G. G. L. B. P. W. M. D.

Aangehaalde teksten

4
WBTW art. 642 voorkomens
WBTW art. 591 voorkomen
WBTW art. 661 voorkomen
WBTW art. 671 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8