Belastbaarheid, werkingssfeer, dienst, belastbare handeling · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Gent 28 juni 2011

Zoeken

Belastbaarheid, werkingssfeer, dienst, belastbare handelingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastbaarheid-werkingssfeer-dienst-belastbare-handeling-rechtbank-gent-2011-06-28-2fa3

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Gent
Datum
28 juni 2011

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

57 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Gent d.d. 28.06.2011

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT - ZESDE FISCALE KAMER - OPENBARE TERECHTZITTING VAN 28 JUNI 2011

Rolnummer : AR 06/3915/A

In de zaak van :

De GEMEENTE H., vertegenwoordigd door haar College van Burgemeester en Schepenen, met bestuurszetel te …, …;

eiseres,

voor wie als raadsman optreedt Mter. F. V., advocaat met kantoor te …, …;

tegen :

De BELGlSCHE STAAT, FOD Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën. wiens burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van de Administratie van de BTW, Registratie- en Domeinen, BTW­Ontvangkantoor van en te Sint-Niklaas, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 9100 Sint-Niklaas, Driekoningenstraat 4 bus 2, en het BTW-Controlekantoor Temse, waarvan de burelen gevestigd zijn te 9140 Temse, Vrijheidstraat 79;

verweerder,

voor wie als raadsman optreedt Mter. P. V., advocaat met kantoor te …, …;

Vonnist de rechtbank als volgt :

1. De rechtspleging

De partijen werden gehoord in hun middelen op de openbare terechtzitting van 31 mei 2011 waarna het debat gesloten werd en de zaak in beraad genomen. Het dossier van de rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien in het bijzonder het geding inleidende verzoekschrift d.d. 23 november 2006 en de conclusies van de partijen.

2. De vordering

De eiseres verhaalt zich tegen het dwangbevel inzake BTW met referte …, uitgevaardigd op 25 september 2006, aan de eiseres ter kennis gebracht bij aangetekende brief d.d. 2 oktober 2006.

De eiseres vordert de nietigheid van het dwangbevel en de terugbetaling van alle op grond van het dwangbevel betaalde sommen, verhoogd met de intresten, alsmede de veroordeling van de Belgische Staat tot de kosten van het geding.

3. De relevante feiten en het geschil

De gemeente ... zet uiteen dat wanneer zij zelf niet instaat voor de levering van drinkwater, ze BTW-plichtige wordt voor de inzameling en afvoer van afvalwater, wanneer deze diensten kunnen worden aangemerkt als transportdiensten en zij deze diensten onder bezwarende titel verstrekt aan een derde, bijvoorbeeld een drinkwatermaatschappij. Daarvoor is vereist dat de gemeenten naast de terbeschikkingstelling en het onderhoud van de rioolinfrastructuur, ze ook actief moeten tussenkomen (via het gemeentepersoneel of onderaannemer) bij het inzamelen en afvoeren van het afvalwater, door bijvoorbeeld het onderhoud en operationeel houden van de riolering, toezicht en bediening van pompstations, persleidingen en overstorten, enz..

De gemeente ... acht zich sinds 1 januari 2005 belastingplichtige voor de inzameling en afvoer van afvalwater. De gemeente stelt dat ze haar BTW­plichtige activiteit heeft aangevat op 1 januari 2005.

De gemeente ..., is sinds 23 december 2005 geïdentificeerd als BTW­belastingplichtige onder het nummer BE … voor de activiteit van sanering van afvalwater en inzamelen en afvoeren van vervuild water. De gemeente … is gehouden tot het indienen van periodieke maandaangiften, zoals voorzien bij artikel 18, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992, in uitvoering van artikel 53, § 1,eerste lid, 2° W.BTW.

In de aangifte voor de maand december 2005 bracht de eiseres een totaal bedrag gelijk aan … EUR BTW in aftrek. De BTW-aftrek had betrekking op alle kosten en investeringen met betrekking tot de rioolinfrastructuur gedaan in de loop van het jaar 2005.

De gemeente … sloot op 14 februari 2006 met TMVW een overeenkomst met betrekking tot de opvang en het transport van afvalwater.

Volgens de BTW-administratie kan het recht op aftrek pas vanaf 14 januari 1996 worden uitgeoefend.

Dit standpunt en de weigering van de aftrek van alle investeringen in het jaar 2005 werd door de administratie aan de eiseres meegedeeld in een correctieopgave en akkoordverklaring op 31 maart 2006. Op 26 april 2006 verklaarde de gemeente ... zich niet akkoord met deze correctieopgave.

Op 4 september 2006 werd een proces-verbaal opgesteld en op 25 september 2006 werd een dwangbevel opgemaakt dat per aangetekende brief d.d 2 oktober 2006 aan de gemeente … werd overgemaakt.

De BTW-administratie baseert zich op een gewijzigd administratief standpunt (beslissing nr. E.T. 110559, d.d. 24 november 2006), waarin wordt gesteld dat de gemeente slechts de hoedanigheid van BTW-belastingplichtige bekomt vanaf het tijdstip waarop de overeenkomst voor het vervoer van afvalwater effectief werd gesloten met de drinkwatermaatschappij. De administratie aanvaardt daarbij ook niet dat de investeringen die vóór het sluiten van die overeenkomst werden gedaan, aangemerkt worden als ondubbelzinnige voorbereidende handelingen met het oog op het verrichten van belastbare handelingen.

4. Beoordeling

De BTW-belastingplicht van de gemeente ... voor het inzamelen en transporteren van afvalwater staat in het huidige geschil niet ter discussie (artikel 6 en 18, § 1 W.BTW).

Het geschil betreft het tijdstip waarop de BTW-belastingplicht van de gemeente is ontstaan. Overeenkomstig de administratieve beslissing E.T. 110.925 (d.d. 28 maart 2006) zou de BTW-belastingplicht pas ontstaan vanaf het tijdstip waarop de overeenkomst met de drinkwatermaatschappij voor het vervoer van afvalwater effectief werd gesloten. Nadien werd dit standpunt gewijzigd bij beslissing E.T. 110.559 (d.d. 24 november 2006). De BTW-administratie aanvaardt ook dat het bewijs van de ondubbelzinnige bedoeling van de gemeente om belastbare handelingen te verrichten inzake het inzamelen en afvoeren van afvalwater kan geleverd worden door documenten waaruit zonder twijfel die bedoeling blijkt. De gemeente ... sloot op 14 februari 2006 met TMVW een overeenkomst met betrekking tot de opvang en het transport van afvalwater. Volgens de BTW­administratie kan het recht op aftrek pas vanaf 14 januari 1996 worden uitgeoefend.

De eiseres kan zich met dit standpunt niet akkoord verklaren en meent dat de BTW-belastingplicht is ontstaan sinds 1 januari 2005.

Vanaf 1 januari 2005 rust overeenkomstig het decreet van 24 december 2004 een saneringsverplichting op de drinkwatermaatschappijen, waardoor de gemeenten die zelf instaan voor het inzamelen en afvoeren van afvalwater zich in een concurrentiële positie bevinden ten aanzien van de drinkwatermaatschappijen.

Wanneer de gemeente op 1 januari 2005 reeds beschikte over een functionele uitrusting (een rioleringsnetwerk). en de belastbare activiteiten derhalve onmiddellijk hebben plaatsgevonden, zal de gemeente de hoedanigheid van BTW-belastingplichtige op deze datum verwerven.

De eiseres kan in haar stelling gevolgd worden dat de bestaande nationale regeling zoals die was uitgewerkt in haar beslissing van 10 november 1976 niet retroactief kan worden ingetrokken omwille van een interpretatie die het Hof van Justitie geeft aan een richtlijnbepaling die door de Nationale lidstaat niet correct was geïmplementeerd in de nationale rechtsorde. Een richtlijn kan uit zichzelf geen verplichtingen aan particulieren opleggen. De administratie kan zich dan ook niet op de Zesde BTW-richtlijn, zoals geïnterpreteerd door het Hof van Justitie in haar arrest Waterschap Zeeuws-Vlaanderen (C-378/02), baseren om aan belastingplichtigen het recht op aftrek inherent aan voorheen reeds gedane investeringen, dat zij vorderen op grond van de beslissing nr. E.T 18235 van 10 november 1976 in uitvoering van artikel 49 W.BTW en artikel 21, tweede lid, 3° KB nr. 3 van 10 december 1969, te ontzeggen.

De eiseres stelt ·ook terecht dat de beslissing van 20 december 2003 het algemeen beginsel van de non retroactiviteit (verwoord in artikel 2 BW en artikel 108 wet van 4 augustus 1986 houdende fiscale bepalingen) schendt, aangezien deze een aftrekregeling ontzegt aan BTW-belastingplichtigen die deze hoedanigheid hebben verworven na 1 juli 2005. Hooguit kan deze aftrek maar ontzegd worden aan BTW-belastingplichtigen die deze hoedanigheid maar hebben verworven na 13 januari 2006, datum van publicatie van de beslissing van 20 december 2005. Op basis van het voorgaande kan eiseres het recht van aftrek van voorbelasting dat drukt op de rioolinvesteringen niet ontzegd worden (cfr Rb. Brugge, 8 december 2009, inzake de Stad Damme, rolnummer 08/3313/A).

De concrete feitelijke gegevens wijzen uit dat de gemeente daadwerkelijk met ingang van 1 januari 2005 de saneringsplicht heeft opgenomen en zich in een concurrerende positie bevond ten aanzien van de drinkwatermaatschappijen, in navolging van het decreet van 24 december 2004. Overeenkomstig artikel 13, 1) van richtlijn 2006/112/EG moeten overheidslichamen die zodanige werkzaamheden of handelingen verrichten, als BTW-plichtige worden aangemerkt wanneer een behandeling als niet BTW-plichtige tot concurrentievervalsing van enige betekenis zou leiden. De BTW-plicht moet worden geacht te bestaan vanaf het moment dat de desbetreffende transportactiviteit werd uitgevoerd in een concurrentiële marktpositie, zijnde 1 januari 2005. Dit is het gevolg van de samenloop tussen de gevolgen van de dwingende wetgeving (decreet van 24 december 2004 waardoor een concurrentiële positie ontstond) en de bestaande feitelijke situatie die erin bestond dat een functionele uitrusting reeds voorhanden was (rioleringsnetwerk) waardoor de belaste werkzaamheden onmiddellijk hebben plaatsgevonden (Rb. Hasselt, 2010, www.monKEY.be, besproken in AFT, 201 0/8-9, 63; B. BUELENS, "Historische herziening na aanvang BTW-plicht - Standpunten fiscus over BTW­aftrek rioolinfrastructuur naar prullenmand verwezen ?", Fisc. Act. 2010, afl. 21, 4- 8).

Artikel 17 van de Zesde Richtlijn verleent de ondernemer het recht de BTW op zijn kosten gemaakt voor het stellen van belaste handelingen af te trekken. Het systeem is er op gericht de ondernemer volledig te bevrijden van de last van de BTW. Het stelsel garandeert de neutraliteit wat betreft de fiscale lasten van de economische activiteiten welke ook de doelstelling of resultaten van deze activiteit zijn.

Aangezien de exploitant van het openbaar distributienetwerk sinds 1 januari 2005 saneringsplichtig was en voor het transport van het afval water gebruik maakte van de riolering van de gemeente en de gemeente daarbij de riolering in eigen beheer had behouden, was vanaf 1 januari 2005 niet enkel de bedoeling aanwezig om BTW-plichtige handelingen te stellen maar volgde deze BTW-plicht ook uit de wet. De rechtbank onderschrijft de stelling dat de hoedanigheid van BTW-plichtige automatisch is verworven uit kracht van wet zonder enige formaliteit, van zodra aan de wettelijke voorwaarden is voldaan. De uiting van de wil om een belastbare activiteit te verrichten is daartoe niet vereist. Het sluiten van een overeenkomst met de drinkwatermaatschappij is niets anders dan het formaliseren van een economische realiteit die in het voor de rechtbank voorgelegde geval al bestond vanaf 1 januari 2005. De rechtbank is aldus van oordeel dat het sluiten van de overeenkomst met de drinkwatermaatschappij op 14 februari 2006 het louter formaliseren betrof van een economische realiteit die al bestond vanaf 1 januari 2005. Aangezien deze economische realiteit er was vanaf 1 januari 2005, is er geen sprake van terugwerkende kracht (Rb. Hasselt, 2010, www.monKEY.be, besproken in AFT, 2010/8-9, 63; B. BUELENS, "Historische herziening na aanvang BTW-plicht - Standpunten fiscus over BTW­aftrek rioolinfrastructuur naar prullenmand verwezen ?", Fisc. Act. 2010, afl. 21, 4- 8) .

De rechtbank sluit zich aan bij het standpunt van de eiseres en besluit dat een persoon die belastingplichtige is in de zin van artikel 4 W.BTW, het recht heeft op aftrek wanneer de goederen en/of diensten voor bepaalde handelingen worden gesteld. Gelet op hetgeen hiervoor werd uiteengezet wordt de BTW-aftrek betreffende het jaar 2005 dan ook ten onrechte verworpen, aangezien de aftrekbare BTW betrekking heeft op kosten gemaakt in het kader van handelingen die werden gesteld binnen een belastbare activiteit waarvoor de gemeente de hoedanigheid heeft van BTW-belastingplichtige.

De Belgische Staat dient, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten te worden verwezen (art. 1017, eerste lid Gerechtelijk Wetboek). De kosten in het huidige geschil betreffen enkel de rechtsplegingsvergoeding. De vordering is in geld waardeerbaar. Het bedrag van deze vordering ligt, gelet op de omvang van de in het dwangbevel gevorderde bedragen, in de schijf van 500.000,01 tot 1.000.000 EUR. De Belgische Staat is van oordeel dat de zaak slechts een geringe complexiteit heeft en daarom slechts het minimumbedrag van de rechtsplegingsvergoeding van toepassing kan zijn. De rechtbank kan deze stelling niet volgen. De beide partijen hebben zeer uitgebreid geconcludeerd en beschouwen het geschil als een belangrijke princiepkwestie. Er worden geen gegronde redenen aangevoerd die een afwijking kunnen verantwoorden van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Recht doende op tegenspraak.

Melding makende van het feit dat de bepalingen van artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd.

Alle meeromvattende en strijdige conclusies verwerpend als niet terzake dienend.

Verklaart de vordering ontvankelijk en gegrond.

Doet het bestreden dwangbevel met referte 406/0905/33342, uitgevaardigd op 25 september 2006, aan de eiseres ter kennis gebracht bij aangetekende brief d.d. 2 oktober 2006 en het daaraan gehechte proces-verbaal d.d. 4 september 2006 teniet.

Beveelt de terugbetaling van de door de eiseres in uitvoering van het dwangbevel met referte 406/0905/33342 per 12 oktober 2006 onder voorbehoud van alle rechten en zonder enige nadelige bekentenis betaalde bedrag van … EUR alsook van de per 11 oktober 2006 door de administratie ingehouden … EUR te vermeerderen met de moratoriuminteresten vanaf de datum van deze overboeking in het voordeel van de BTW-administratie.

Veroordeelt de verweerder tot de kosten van het geding.

Begroot deze kosten als volgt :

- aan de zijde van de eiseres: de rechtsplegingsvergoeding : … EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op achtentwintig juni tweeduizend en elf, waar aanwezig waren :

- de heer S. R., alleenrechtsprekend rechter, voorzitter van deze kamer,

- mevrouw G. L., griffier.

G. L. S. R.

Aangehaalde teksten

4

Vergelijkbare beslissingen

8