Onderzoekstermijn, administratie van de bijzondere belastinginspectie, visitatie · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Gent 4 juni 2019

Zoeken

Onderzoekstermijn, administratie van de bijzondere belastinginspectie, visitatieBBI - Onderzoekstermijn

https://juriel.be/nl/rechtspraak/bbi-onderzoekstermijn-administratie-bijzondere-belastinginspectie-rechtbank-gent-2019-06-04-7b6d

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Gent
Datum
4 juni 2019

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

Tekst

125 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent d.d. 04.06.2019

14/3594/A

Samenvatting

Samenvatting niet beschikbaar

Volledige tekst

Tekst van de beslissing

In de zaak van:

1.D. V. E., ondernemingsnummer …, met maatschappelijke zetel te …;

2.D. , ondernemingsnummer …, met maatschappelijke zetel te …;

3.B., ondernemingsnummer …, met maatschappelijke zetel te …;

EISENDE PARTIJEN, vertegenwoordigd door mr. H. V., advocaat met kantoor …;

Tegen:

De BELGISCHE STAAT, FOD Financiën - Stafdienst Logistiek - Koning Albert Il laan 33 bus 971 te 1030 Brussel, in de persoon van de minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de heer Adviseur-generaal bij de bijzondere belastinginspectie, met kantoren te 9050 Gent (Ledeberg), Zuiderpoort,Gaston Crommenlaan 6 bus 801,

VERWERENDE PARTIJ, voor wie optreedt de heer J. D. B., adviseur bij voornoemd fiscaal bestuur.

Wijst de rechtbank het volgende vonnis:

1. Rechtspleging

De rechtbank hoorde op de openbare terechtzitting van 26 maart 2019 partijen in hun middelen en conclusies. Vervolgens sloot de rechtbank het debat en nam de zaak in beraad.

De rechtbank zag het dossier van de rechtspleging en de bewijsstukken in.

De rechtbank leefde de artikelen 2, 34, 36, 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik gerechtszaken na.

2. Relevante feitelijke gegevens en procedurele voorafgaanden

2.1.

Eerste eiseres is geregistreerd als btw-belastingplichtige onder nummer …, voor de activiteit van de uitbating van een drankenhandel.. Tweede eiseres is geregistreerd als btw-belastingplichtige onder nummer …, voor de activiteit van de uitbating van een drankenhandel. Derde eiseres is geregistreerd als btw-belastingplichtige onder nummer ...

Op 4 september 2012 verrichtten 6 ambtenaren ter beschikking gesteld van de Bijzondere Belastinginspectie van Gent een onaangekondigde controle op de maatschappelijke zetel van eiseressen, gelegen te ....

Naar aanleiding van deze controle werd een proces-verbaal van vaststellingen opgesteld, waarin het volgende te lezen staat:

"Wij hebben ons kenbaar gemaakt en spontaan ons aanstellingsbewijs vertoond en daarna op grond van de artikelen 60 t.e.m 63 van het BTW Wetboek en de artikelen 315 tot en met 319 WIB (waarvan de volledige teksten in de bijlagen 1 en 2 aan dit proces-verbaal worden opgenomen) verzocht voorlegging van en inzage te verlenen in alle dossiers en informatiedragers aanwezig in de onderneming en om in ons bijzijn en op zijn uitrusting kopie te maken van alle door ons gewenste software en bestanden die op de bedrijfscomputers werden aangetroffen. (...)

Aan de geverbaliseerde werd gevraagd of hij zich wil laten bijstaan door zijn raadsman of zijn informaticaspecialist. Deze heeft verklaard dit niet nodig te achten. Teneinde de hierboven vermelde kopieën te maken verklaarde de geverbaliseerde zich akkoord dat de nodige informaticabewerkingen niet door hemzelf of zijn aangestelde(n) zullen worden verricht, maar werd de ambtenaren de toestemming verleend zelf de nodige informaticaverrichtingen uit te voeren. Tevens werd door de geverbaliseerde aan de ambtenaren de toestemming gegeven de nodige documenten te controleren aanwezig in de kantoren. (...)"

Tijdens dit plaatsbezoek doorzochten de onderzoekende ambtenaren van de BBI in aanwezigheid van de bestuurders/zaakvoerders van eiseressen, de computers en papieren bestanden die aanwezig waren in de bedrijfslokalen en voertuigen. Zij namen kopie van een groot aantal computerbestanden bestanden in 605 mappen, met een grootte van 16,9 GB). Ook een groot aantal papieren stukken (kaften, losbladige stukken(bundels), een dagboek van ontvangsten, diverse papieren en verscheurde documenten afkomstig uit de vuilbakken in de verschillende bedrijfsruimtes) werd gekopieerd en/of meegenomen. De inhoud van twee kluizen werd geanalyseerd.

Dienaangaande vermeldt het proces-verbaal van vaststellingen het volgende:

"Alle meegenomen en of gekopieerde papieren stukken, werden één voor één overlopen met De heren V. E. alvorens meename. Er werd hen tevens de mogelijkheid geboden alle niet door ons genummerde losbladige stukken zelf te nummeren en te paraferen. Aan dit verzoek werd niet voldaan.

Alle stukken/gegevensdragers werden zonder toestemming van de geverbaliseerde meegenomen door onze diensten. Deze meename gebeurde omwille van vermoeden van fraude zoals gestipuleerd in het PV uitbreiding onderzoekstermijn en uitbreiding verjaringstermijn dd 04/09/2012. (...)"

Het proces-verbaal van vaststelling werd ondertekend door verschillende leden van de belastingadministratie alsook voor ontvangst door de bestuurders/zaakvoerders van eiseressen.

Tijdens de controle ter plaatse (om 13u40) stelde de leidinggevende onderzoekende ambtenaar van de BBI een kennisgeving op ter verlenging van de onderzoekstermijn overeenkomstig artikel 333, alinea 3 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 en ter uitbreiding van de verjaringstermijn overeenkomstig artikel 84ter van het btw-Wetboek, dit wegens aanwijzingen van fraude. Daarin werd onder meer verwezen naar een aantal stukken teruggevonden in een kluis, die erop duidden dat in 2007, 2008 en 2009 lonen niet-officieel werden betaald, alsook naar de cash-gelden die waren aangetroffen in de kluizen (met name 28.460,34 EUR en 7.135,00 EUR).

Op 10 september 2012 richtte de BBI van Gent een aangetekend schrijven aan eerste eiseres ter aanvulling van de kennisgeving van 4 september overeenkomstig. artikel 333, alinea 3 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 en artikel 84ter van het btw-Wetboek. Een onderzoek van de facturen had volgens de BBI uitgewezen dat eerste eiseres doelbewust facturen had gericht aan niet-bestaande of gefailleerde entiteiten, om zo de ware afnemers van de gefactureerde goederen de mogelijkheid te bieden om de geleverde goed ren te verkopen zonder deze te moeten onderwerpen aan de btw en de inkomstenbelasting..

Op 3 oktober 2012 werd een groot aantal stukken dat het voorwerp uitmaakte van het proces-verbaal van 4 september 2012, aan eiseressen terugbezorgd.

2.2.

Middels verzoekschrift neergelegd op 30 september 2014 ·spanden eiseressen huidige procedure aan om zich te beklagen over de wijze waarop de belastingadministratie te werk ging tijdens de controle van 4 september 2012. Ingevolge de gedane vaststellingen werden nog geen aanslagen gevestigd en/of btw nagevorderd. Op de zitting van 21 maart 2016 meldde de belastingadministratie dat een strafdossier aangelegd was.

2.3.

Bij tussenvonnis van 27 juni 2016 besliste deze kamer van deze rechtbank om volgende prejudiciële vraag voor te leggen aan het Grondwettelijk Hof:

"Schenden de artikelen 319, eerste lid van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 en 63, eerste lid van het btw­ Wetboek de in de artikelen 15 en 22 van de Belgische Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens gewaarborgde rechten van onschendbaarheid van de woning en de eerbiediging van het privéleven, in die zin geïnterpreteerd dat zij de bevoegde fiscale ambtenaren een algemeen, onvoorwaardelijk en onbeperkt recht verlenen tot vrije toegang van de in die artikelen vermelde bedrijfslokalen, waarbij deze ambtenaren deze lokalen zonder voorafgaandelijke toestemming mogen doorzoeken en onderzoeken en andere daden stellen die aan een strafrechtelijke huiszoeking doen denken met het oog op het onderzoeken van de boeken en de stukken die zich aldaar bevinden, ongeacht of dit gebeurt met het oog op de controle van de toepassing van de fiscale wetgeving of met het oog op het vaststellen van strafrechtelijk gesanctioneerde fiscale inbreuken?"

2.4.

In zijn arrest nr. 116/2017 van 12 oktober 2017 oordeelde het Grondwettelijk Hof dat artikel 319, eerste lid van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 en artikel 63, eerste lid van het btw-Wetboek de artikelen 15 en 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het EVRM, niet schenden.

Na analyse van de draagwijdte van artikel 319, eerste lid van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 en artikel 63, eerste lid van het btw-Wetboek oordeelde het Grondwettelijk Hof dat de bevoegde ambtenaren bij een fiscale visitatie niet over een algemeen, onvoorwaardelijk en onbeperkt recht van vrije toegang tot de beroepslokalen beschikken.

De in het geding zijnde bepalingen vermelden, aldus het Hof, de personen die ertoe gehouden zijn de belastingadministratie vrije toegang tot beroepslokalen te verlenen, zij preciseren waar, wanneer en door wie de visitatie kan worden uitgevoerd en wat het voorwerp ervan is. Deze bepalingen leggen de belastingplichtige of zijn gemachtigde de verplichting op om vrije toegang te verlenen tot de beroepslokalen en aldus hun medewerking te verlenen aan de fiscale visitatie. Zij staan de bevoegde ambtenaren evenwel niet toe zich met dwang de toegang tot de beroepslokalen te verschaffen wanneer de verplichte medewerking niet wordt verleend. Bij een weigering tot medewerking kan wel een administratieve geldboete of, bij een overtreding met bedrieglijk opzet of inzet het oogmerk om te schaden, een strafrechtelijke sanctie worden opgelegd. Ook kan een ambtshalve aanslag worden gevestigd. De strafbare feiten waarvan de ambtenaren van de betrokken belastingadministratie kennis nemen in het kader van een fiscale visitatie, worden ter kennis gebracht van de procureur des konings.

Het Grondwettelijk Hof wees voorts onder meer op:

(1)het belang van de fiscale visitatie als middel voor de belastingadministratie teneinde de nodige vaststellingen te kunnen doen met betrekking tot de regelmatigheid van de belastingaangifte,

(2)het doelgebonden karakter van de administratieve onderzoeksbevoegdheid van de ambtenaren, die enkel kan worden uitgeoefend met het oog op het vaststellen van de regelmatigheid van de belastingaangifte in de inkomstenbelastingen of in de btw,

(3)het feit dat er geen vermoeden van fraude moet bestaan om de fiscale visitatie te verantwoorden,

(4)de onmogelijkheid voor de belastingplichtige om zich te beroepen op het zwijgrecht en het recht om zichzelf niet te beschuldigen teneinde te ontkomen aan zijn verplichting tot medewerking aan de visitatie, voor zover de finaliteit van de fiscale visitatie enkel gericht is op de juiste belastingheffing,

(5)de mogelijke nietigheid van de visitatie wanneer de bevoegde ambtenaren de grenzen van hun onderzoeksbevoegdheid overschrijden en zij zich schuldig maken aan machtsafwending of -overschrijding.

Het Hof stelde nog dat tijdens de rechterlijke controle nagegaan moet worden of de voorwaarden vervat in de in het geding zijnde bepalingen nageleefd zijn en of de uitgevoerde visitatie evenredig was met het nagestreefde doel. Aldus is een effectieve rechterlijke controle van de regelmatigheid van een fiscale visitatie en het verkregen bewijs mogelijk.

Het Hof besloot dat het bestaande wettelijke kader (te vinden in artikel 319, eerste lid van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 en artikel 63, eerste lid van het btw-Wetboek) voldoende waarborgen biedt tegen misbruik, zodat er een billijk evenwicht bestaat tussen, enerzijds, de rechten van de betrokken belastingplichtigen en, anderzijds, de noodzaak om op een doeltreffende manier een fiscale controle te kunnen verrichten.

3. Vorderingen van partijen

3.1.

Eiseressen vorderen in hun conclusies van 20 juli 2018 dat de rechtbank:

•de visitaties van 4 september 2012 op hun maatschappelijke zetel nietig verklaart;

•de teruggave beveelt van alle stukken die tijdens deze huisvisitatie werden meegenomen, van de stukken die nadien aan de belastingadministratie werden overhandigd, alsook van alle papieren of elektronische kopieën van die stukken, met verwijdering van de computerbestanden uit de computers van de BBI;

•de op grond of na de afloop van de huisvisitaties afgelegde verklaringen nietig verklaart;

•de Belgische Staat veroordeelt tot de gedingkosten, daarin begrepen de rechtsplegingsvergoeding zoals begroot;·

•prejudiciële vragen stelt aan het Grondwettelijk Hof betreffende de Antigoon-leer enerzijds en het vermeende recht van de Belastingadministratie om zelf stukken te zoeken en zonder toestemming mee te nemen anderzijds.

Verweerder vraagt blijkens zijn conclusies van 5 oktober 2018 de vordering van eiseressen als ongegrond af te wijzen, het verzoek tot prejudiciële vraagstelling af te wijzen en eiseressen te veroordelen tot de kosten van het geding.

4. Beoordeling

4.1. Over de gevorderde nietigverklaring van de visitaties van 4 september 2012

4.1.1.

Een aantal BBI-ambtenaren bezocht op 4 september 2012 zonder voorafgaande verwittiging de bedrijfslokalen van eiseressen, waar zij ontvangen werden door de bestuurders/zaakvoerders, P. en J. V. E.. De BBI-ambtenaren deden een extensieve zoeking van de bedrijfsgebouwen en van een daar aanwezige camionette en vrachtwagen. Zij namen tal van papieren stukken mee, alsook een kopie van een groot aantal elektronische gegevensbestanden.

Eiseressen betwisten de rechtsgeldigheid van de fiscale visitatie en het naar aanleiding daarvan door verweerder vergaarde bewijsmateriaal.

4.1.2.

Anders dan eiseressen voorhouden, werd het proces-verbaal van 4 september 2012 niet opgesteld op grond van artikel 61 van het btw-Wetboek, maar in het kader van een fiscale visitatie zoals omschreven artikel 319, eerste lid van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 en artikel 63, eerste lid van het btw-Wetboek. In de aanhef van het proces-verbaal wordt uitdrukkelijk verwezen naar de artikelen 60 tot en met 63 van het btw-Wetboek en de artikelen 315 tot en met 319 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992. Uit de redactie van het proces-verbaal van 4 september 2012 blijkt ook dat hierover nooit verwarring bestond tussen partijen: de controlerende BBI-ambtenaren hebben bij aankomst bij eiseressen, voorafgaand aan het stellen van enige handelingen, onmiddellijk verwezen naar de artikelen 60 tot en met 63 van het btw-Wetboek en de artikelen 315 tot en met 319 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 en hebben een fiscale visitatie uitgevoerd.

Waar eiseressen in besluiten herhaaldelijk verwijzen naar de beperkte onderzoeksbevoegdheden die controlerende ambtenaren putten uit de artikelen 60 en 61 van het btw-Wetboek en stellen dat de administratie haar onderzoek niet steunt op artikel 319, eerste lid van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 en artikel 63, eerste lid van het btw-Wetboek, vertrekken zij van een verkeerde premisse.

4.1.3.

Er bestaat geen betwisting over de rechtsgeldigheid van een onaangekondigde controle op grond van artikel 319, eerste lid van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 en artikel 63, eerste lid van het btw-Wetboek als dusdanig, noch over het feit dat de visitatie uitgeoefend werd gedurende de uren dat in de beroepslokalen een werkzaamheid werd uitgeoefend. .Blijkens het proces-verbaal van4 september 2012 verleenden de gemachtigden van eiseressen in zekere mate medewerking aan de visitatie door de BBl­ ambtenaren toegang te verlenen tot de beroepslokalen; zodoende voldeden eiseressen aan hun wettelijke verplichting op grond van artikel 319, eerste lid van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 en artikel 63, eerste lid van het btw-Wetboek.

Tijdens de visitatie waren de BBI-ambtenaren gerechtigd om - met het oog op de juiste belastingheffing - na te gaan welke boeken en stukken zich in de bedrijfslokalen van eiseressen bevonden zonder om de voorlegging daarvan te moeten verzoeken en mochten zij de gemachtigden van eiseressen verzoeken om gesloten kasten en kluizen te openen. In dit zoekrecht is begrepen het laten openen van de twee aanwezige kluizen, alsook het door eiseressen bekritiseerde nazicht van vuilbakken en de daar aanwezige bedrijfsmatige voertuigen - die immers tot de bedrijfslokalen behoren en bedrijfsmatige inlichtingen (kunnen) bevatten. Voor zover als nodig kan gewezen worden op artikel 63, 4de lid van het btw-Wetboek dat de controlerende ambtenaren toelaat om zonder voorafgaande verwittiging vervoermiddelen te onderzoeken die gebruikt of vermoedelijk gebruikt worden om btw-plichtige handelingen te verrichten.

Anders dan eiseressen stellen, blijkt uit het proces-verbaal van 4 september 2012 niet dat haar mandatarissen zich verzetten tegen het zoeken in de vrachtwagens en in de vuilbakken. Het betrokken proces-verbaal bevat geen sporen van enige door de BBI-ambtenaren eigenmachtig afgedwongen zoektocht naar stukken, bestanden of bescheiden tegen de wil van eiseressen in.

Het zoeken naar stukken tijdens de visitatie van 4 september 2012 gebeurde derhalve binnen de krijtlijnen van artikel 319, eerste lid van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 en artikel 63, eerste lid van het btw-Wetboek en was, naar het oordeel van de rechtbank, rechtsgeldig.

4.1.5.

Eiseressen werpen op dat het fiscaal visitatierecht de administratie niet toelaat om zomaar alles te kopiëren/mee te nemen, zonder te inventariseren en zonder uit te maken op dat ogenblik of de stukken meegenomen mogen worden of niet.

4.1.5.1.

De grief van eiseressen over het gebrek aan inventarisatie acht de rechtbank niet terecht. Eiseressen zagen immers zelf uitdrukkelijk af van dergelijke inventarisatie.

4.1.5.2.

Evenmin volgt de rechtbank eiseressen waar zij stellen dat de controlerende ambtenaren 'zomaar alles' kopieerden en/of meenamen. Deze stelling is in strijd met het proces-verbaal van 4 september 2012.

Uit de bewoordingen van artikel 319, eerste lid van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 en artikel 63, eerste lid van het btw-Wetboek blijkt dat de fiscale visitatie doelgebonden is. De belastingadministratie mag haar onderzoeksmacht slechts aanwenden ter controle van de naleving van de wetgeving inzake de inkomstenbelastingen en de btw en met het oog op het bepalen van het juiste bedrag van de verschuldigde belasting.

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat het aantreffen van stukken in de beroepslokalen op zich een vermoeden doet ontstaan dat die stukken betrekking hebben op de uitgeoefende beroepswerkzaamheid en in aanmerking kunnen komen voor het vaststellen van de juiste belastingheffing. De vraag of stukken die naar aanleiding van een visitatie in de beroepslokalen worden aangetroffen al dan niet daadwerkelijk in aanmerking komen om de juiste belastingheffing te bepalen, is een appreciatie die op het moment van de visitatie door de ambtenaar "prima facie" of op het eerste gezicht moet worden gemaakt.

Uit de door verweerder opgemaakte lijst van stukken zoals opgenomen· in het proces-verbaal blijkt niet dat de controlerende ambtenaren voorbij gegaan zijn aan de specifieke finaliteit van hun onderzoek. De BBI-ambtenaren omschreven in de aanhef van het proces-verbaal van 4 september 2012 (blz. 1-2) de draagwijdte van hun onderzoek ongetwijfeld te ruim, door voorlegging te vragen van "alle dossiers en informatiedragers aanwezig in de onderneming" en door een kopie te vragen van "alle door [haar] gewenste" software en elektronische bestanden. Desalniettemin blijkt uit het vervolg van het proces-verbaal - en met name uit de lijst van verrichte handelingen en opgesomde stukken - niet dat de belastingadministratie haar onderzoeksmacht aanwendde voor andere doeleinden dan ter controle van de naleving van ·de wetgeving inzake de inkomstenbelastingen en de btw en met het oog op het bepalen van het juiste bedrag van de verschuldigde belasting.

Onterecht stellen eiseressen dat zij aantonen dat de in het kader van de fiscale visitatie weerhouden stukken voorbijschieten aan voormelde doelstellingen. De weerhouden stukken worden systematisch en duidelijk omschreven in het proces-verbaal van 4 september 2012; telkens wordt aangegeven waar de betrokken stukken werden aangetroffen en veelal wordt ook de inhoud van de betrokken stukken summier beschreven. De computers werden door eiseressen of haar aangestelden (zaakvoerders of bedienden) gebruikt wat een onmiddellijke en vaste band met haar economische activiteit laat vermoeden. Tegen die achtergrond zijn de gegevens op deze computers niet uitgesloten van het onderzoeksrecht van de controleagenten. Dat de BBI-ambtenaren, teneinde zicht te krijgen op de werkelijke fiscale situatie van eiseressen (inzake btw en de inkomstenbelastingen) de globale bedrijfsmatige elektronische gegevensbank wensten te consulteren, kan hen niet verweten worden.

Dat ook stukken die in een vuilbak belanden voor de controlerende ambtenaren toch interessant kunnen zijn, is evident met het oog op het vaststellen van de juiste belastingheffing. De controlerende BBI-ambtenaren mochten ervan uitgaan dat de aldus weerhouden informatie kaderde in de specifieke doelstellingen van artikel 319, eerste lid van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 en artikel 63, eerste lid van het btw wetboek, met name het bepalen van de juiste belastingheffing.

4.1.6.

De verwijzing van eiseressen naar artikel 62bis van het btw-Wetboek is niet ter zake. Deze wetsbepaling viseert immers de juiste toepassing van de belasting in hoofde van derden, terwijl in casu de juiste toepassing van de belasting in hoofde van eiseressen voorwerp van het onderzoek van de administratie uitmaakte.

4.1.7.

Naar het oordeel van de rechtbank strekken onderzoeksbevoegdheden van de controlerende ambtenaren zich voorts uit tot het nemen van kopieën van de te bewaren stukken en van elektronische gegevens, zelfs zonder toestemming van de mandatarissen van eiseressen (p. 9/16 van het proces-verbaal van 4 september 2012).

Enerzijds geeft artikel 61, § 2 van het btw-Wetboek aan de administratie de bevoegdheid de boeken, facturen en andere stukken die overeenkomstig artikel 60 moeten worden bewaard, te behouden. Dit betekent dat de administratie deze stukken kan kopiëren en meenemen. Artikel 61 van het btw-Wetboek verwijst naar artikel 60 van het btw-Wetboek dat niet enkel een bewaarplicht oplegt inzake boeken, facturen en andere verplichte stukken, maar ook inzake "andere boeken en stukken met betrekking tot de uitgeoefende werkzaamheid' (artikel 60, §1, tweede lid van het btw-Wetboek).

Anderzijds is de rechtbank van oordeel dat een nuttige interpretatie van artikel 63, eerste lid van het btw-Wetboek met zich meebrengt dat de administratie de stukken die ter plaatse worden aangetroffen en waarvan een summier onderzoek prima facie uitwijst dat ze verband houden met de beroepswerkzaamheid, voor verder onderzoek met hetzelfde doelgebonden karakter als .hogerop omschreven, mag meenemen. Er omgekeerd over oordelen zou voormelde wetsbepaling onwerkbaar maken, niet enkel voor de controlerende ambtenaren die bij wijze van spreken hun bed zouden moeten opmaken in voormelde beroepslokalen, maar ook voor de belastingplichtigen die hun bedrijfslokalen gedurende een lange periode ter beschikking zouden moeten houden van de controlerende ambtenaren.

En zelfs mocht het door artikel 63, eerste lid, 1° van het btw-Wetboek toegelaten onderzoek de meename van de aangetroffen stukken niet toelaten, dan nog moet de rechtbank vaststellen dat er ter zake geen sprake is van een inbreuk die tot bewijsuitsluiting leidt. Immers werden de bewijsmiddelen niet verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat dit gebruik onder alle omstandigheden als ontoelaatbaar moet worden geacht; noch brengt dit gebruik het recht van eiseressen op een eerlijk proces in het gedrang.

In dat kader stelt de rechtbank enerzijds vast dat de overtreding doelbewust gebeurde: in het proces-verbaal van 4 september 2012 wordt niet toevallig verwezen naar artikel 61, §2 van het btw-Wetboek dat wel in het behoud van de vergaarde stukken voorziet (p. 9/16), terwijl de visitatie ontegensprekelijk gebeurde op grond van artikel 319, eerste lid van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 en artikel 63, eerste lid van het btw-Wetboek.

Anderzijds moet de rechtbank ook vaststellen (1) dat de kopiename en de meename van de stukken als dusdanig niet zozeer een aanslag betekenen op het recht op privacy van de eiseressen dan wel het bij wet voorziene en rechtmatig uitgeoefende recht op vrije toegang van de controlerende ambtenaren zoals hogerop omschreven, (2) dat het kopiëren en meenemen van vergaarde stukken slechts het logische verlengde is van dit wettig verankerde zoekrecht en (3) dat de controlerende BBI-ambtenaren bij hun werkzaamheden omzichtig te werk gingen, nu zij eiseressen voorstelden een raadsman te raadplegen (waarop eiseressen niet ingingen), nu zij eiseressen toelieten het verzamelde bewijsmateriaal te inventariseren (waarop eiseressen niet ingingen), nu zij bepaalde door eiseres aangegeven stukken verzegelden in afwachting van verder onderzoek en nu zij de meename van de stukken motiveerden op basis van een vastgesteld vermeden van fraude (p. 9/16).

Naar het oordeel van de rechtbank overstijgen aldus de mogelijke inbreuken op de btw-wetgeving en de wetgeving inzake inkomstenbelastingen veruit de ernst · van de door de BBI-ambtenaren begane onrechtmatigheid.

4.1.8.

Krachtens artikel 26, §2 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof moet dit rechtscollege, wanneer haar een prejudiciële vraag gesteld wordt, in beginsel het Grondwettelijk Hof verzoeken over deze vraag uitspraak te doen. Echter, vermits de beslissing van dit rechtscollege vatbaar is voor hoger beroep en vermits de artikelen 53 en 60 W. Reg zoals destijds toepasselijk in samenhang gelezen met de wet van 19 juli 1991 het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel klaarblijkelijk niet schendt, kan de rechtbank ervan afzien de door eiser gestelde prejudiciële vraag voor te leggen aan het Grondwettelijk Hof.

Ter zake ziet de rechtbank in het licht van de bovenstaande overwegingen geen reden om de door eiseressen gesuggereerde prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof te stellen. Haar beoordeling zou er niet door wijzigen.

4.1.9.

De rechtbank besluit dat de visitaties van 4 september 2012 rechtsgeldig gebeurden en dat er geen reden bestaat om de bewijselementen vergaard tijdens of naar aanleiding van deze visitatie uit te sluiten.

4.2. Over" de" toepassing van" artikel 333 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992

4.2.1.

Eiseressen menen dat artikel 333 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 geschonden is omdat de kennisgeving van uitbreiding van de onderzoekstermijn opgemaakt tijdens de visitatie van 4 september 2012 gebaseerd is op stukken die ouder zijn dan 3 jaar. Hieruit blijkt volgens eiseressen dat de administratie reeds onderzoekingen heeft uitgevoerd met betrekking tot deze jaren alvorens de onderzoekstermijn was uitgebreid.

4.2.2.

De rechtbank volgt dit standpunt niet.

Naar aanleiding van een an sich regelmatige visitatie aangaande de aanslagjaren 2010 en volgende hebben de controlerende ambtenaren stukken aangetroffen die wijzen op een zwarte loonadministratie in verband met week 1 van 2009, stukken die wijzen op een in het zwart uitbetaalde poetsvrouw, grote contante bedragen alsook stukken die betrekking hebben op jaren waarvoor de onderzoekstermijn reeds verstreken is.

Het toevallig aantreffen van 'oude stukken' tijdens een rechtmatige controle houdt niet in dat daarmee meteen ook onderzoeksdaden met betrekking tot deze jaren zijn gevoerd. Het is precies door het aantreffen van die stukken ter gelegenheid van een regelmatig onderzoek dat de administratie met toepassing van artikel 333 van het Wetboek van de lnkomstenbelastingen 1992 de onderzoekstermijn kan uitbreiden (of heropenen) met betrekking tot de oudere jaren.

De rechtbank stelt geen schending van artikel 333 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 vast.

4.3. Over de teruggave van de meegenomen stukken .

4.3.1.

Eiseressen beklagen zich over het feit dat de belastingadministratie hun boekhoudingen reeds verscheidene jaren in bezit heeft. Deze boekhoudingen waren bezorgd nadat de BBI hierom vroeg. Eiseressen vorderen dat de rechtbank de teruggave van deze boekhoudingen beveelt.

Verweerder laat gelden - en wordt hierin door eiseressen niet tegen gesproken- dat enkel de verkoopfacturen en dagontvangstenboeken voor de boekjaren 2011 en 2012 nog in zijn bezit zijn. Het zou 197 classeurs per boekjaar betreffen.

4.3.2.

Hoewel eiseressen zich er terecht over beklagen dat een groot aantal stukken kennelijk al 6 jaren door de belastingadministratie wordt behouden, blijkt uit hun vordering niet dat zij enig belang hebben bij de teruggave van de stukken in kwestie. Het gaat kennelijk om oude stukken en eiseressen motiveren - op het tijdsverloop na - niet concreet waarom zij de teruggave van de stukken benaarstigen.

De rechtbank wijst de vordering van eiseressen ook op dit punt af.

5. De gerechtskosten

Eiseressen worden in hetongelijk gesteld en moeten daarom de gerechtskosten van het geschil in deze aanleg dragen.

Eiseressen moeten conform artikel 1022 juncto 1018, 6° van het Gerechtelijk Wetboek, naast hun eigen kosten, de gedingkosten van verweerder dragen. Vermits de Belgische Staat niet vertegenwoordigd wordt door een advocaat, heeft deze geen recht op een rechtsplegingsvergoeding. Aangezien ook geen ander gerechtskosten verschuldigd zijn, is het in dit geval overbodig om de gedingkosten vast te stellen.

Beschikkend gedeelte

OP DIE GRONDEN.

DE RECHTBANK.

Recht doende op tegenspraak.

Verwerpt alle meeromvattende en strijdige conclusies als niet terzake dienend.

Zegt voor recht dat de bewijsgaring door verweerder tijdens en naar aanleiding van de visitatie van 4 september 2012 in de bedrijfsgebouwen van eiseressen rechtsgeldig gebeurde.

Verklaart de vordering van eiseressen ongegrond.

Stelt vast dat er geen kosten van het geding te begroten zijn.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, op dinsdag vier juni tweeduizend negentien, waar aanwezig waren:

mevrouw S. V. H., rechter, voorzitter van deze kamer, bijgestaan door mevrouw M. C., griffier.

Aangehaalde teksten

5
WBTW art. 6315 voorkomens
WBTW art. 605 voorkomens
WBTW art. 615 voorkomens
WBTW art. 84ter2 voorkomens
WBTW art. 62bis1 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8