Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen d.d. 23.09.2025
[ Ongunstig ]
BTW – Bankonderzoek –Belastingsontduiking
Samenvatting
Niet beschikbaar
Volledige tekst
Tekst van de beslissing
Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen d.d. 23.09.2025
2024/AR/106
B.S., ON ., met zetel te …,
Eiseres in hoger beroep,
vertegenwoordigd door mr. H.S., advocaat te … en mr. C.B., advocaat te …
tegen het vonnis van de AFi4 kamer van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 28 juni 2023, gekend onder rolnummer 22/831/A
tegen
BELGISCHE STAAT-FOD FINANCIEN, ON 0308.357.159, in de persoon van de minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de ALGEMENE ADMINISTRATIE VAN DE INNING EN INVORDERING, vertegenwoordigd door de ADVISEUR INVORDERING-TEAM INVORDERING RECHTSPERSONEN MECHELEN 1, met diensten te 2800 MECHELEN, Zwartzustersvest 24 bus 11, en in de persoon van de ALGEMENE ADMINISTRATIE VAN DE BIJZONDERE BELASTINGINSPECTIE, met diensten te 1030 BRUSSEL, Koning Albert II laan 33 bus 49, met correspondentieadres te 9050 LEDEBERG, Gaston Crommenlaan 6 bus 806,
Verweerder in hoger beroep,
Voor wie verschenen is de heer N.V., fiscaal ambtenaar (kenmerk:
502-15-20/038995) en de heren B.P. en L.S., fiscale deskundigen
Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 28 juni 2023, waarvan partijen verklaarden dat het niet betekend werd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 22 januari 2024, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep werd ingesteld;
I. Feiten
1 De voorliggende betwisting betreft de btw-schuld ten bedrage van 56.743,39 euro en 113.486,78 euro aan boete meer intresten zoals opgenomen in proces-verbaal van 3 juni 2020 en het innings- en invorderingsregister uitvoerbaar verklaard op 24 juli 2020, met schuldnummer 500227142953.
2 Op 20 juni 2017 vond een fiscale controle plaats op basis van de artikelen 60 tot en met 63 btw-wetboek en de artikelen 315 tot en met 319 WIB 92 op het adres … waar de maatschappelijke zetel van B.S. bv gevestigd is en alwaar een slagerij werd uitgebaat. Er werd een proces-verbaal opgesteld op 27 juni 2017, gevolgd door een aanvullend proces-verbaal op 6 juli 2017.
Op 12 maart 2018, 1 februari 2019 en 28 maart 2019 werden krachtens artikel 62bis, lid 1 btw-wetboek bankonderzoeken verricht op de door de administratie gekende bankrekeningen van B.S. bv, alsook op de rekening van B.S. en zijn echtgenote en hun minderjarige kinderen.
Op 30 juli 2019 werd op basis van artikel 62 § 1 btw-wetboek een vraag om inlichtingen verzonden aan B.S. bv voor de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2018.
Op 9 januari 2020 vond er een aangekondigd bezoek plaats op de maatschappelijke zetel van de bv B.S. op grond van de artikelen 59 tot en met 63 btw-wetboek. Op 16 januari 2020 werd hiervan een proces-verbaal opgemaakt.
Op 16 januari 2020 werd een vraag om inlichtingen aan B.S. bv verstuurd waarop werd geantwoord.
Op 25 februari 2020 werd een vraag om inlichtingen aan B.S. en zijn echtgenote verstuurd. Hierop werd geantwoord.
Op 27 mei 2020 werd er een voorafgaandelijke kennisgeving bij toepassing van artikel 84ter btw-wetboek in hoofde van bv B.S. verstuurd met de mededeling van ernstige vermoedens van belastingontduiking voor de jaren 2013 tot en met het eerste kwartaal van 2018.
Op 5 juni 2020 werd er aan B.S. bv een rechtzetting inzake btw toegestuurd met als bijlage het proces-verbaal van taxatie inzake btw van 3 juni 2020. Op 16 juni 2020 werd er een betaalbericht verzonden aan B.S. bv met het verzoek om binnen de 48u de openstaande belastingschuld te betalen, bestaande uit:
56.743,39 euro aan btw
113.486,78 euro aan boete
11.801,92 euro aan intresten.
De schuld werd opgenomen in het innings- en invorderingsregister op 22 juli 2020 en uitvoerbaar verklaard op 24 juli 2020, met schuldnummer 500227142953. Op 24 juli 2020 werd er een innings- en invorderingsbericht aan eiseres in hoger beroep verzonden.
II. Vorderingen eerste aanleg en bestreden vonnis
1 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 7 augustus 2020 maakte eiseres in hoger beroep de zaak aanhangig bij de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel.
Bij vonnis van 11 februari 2022 werd de zaak verzonden naar de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen.
Voor de eerste rechter vorderde eiseres in hoger beroep haar vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en het proces-verbaal opgesteld op 3 juni 2020 geheel te vernietigen, dan wel van nul en generlei waarde te verklaren, de rechtzetting inzake btw d.d. 5 juni 2020 geheel te vernietigen dan wel van nul en generlei waarde te verklaren, te zeggen voor recht dat de hierin opgenomen bedragen niet verschuldigd waren en de Belgische Staat te veroordelen om alle ten onrechte ingehouden en/of aangerekende bedragen terug te betalen meer moratoriumintresten zoals bedoeld in artikel 91 § 4 btw-wetboek en de Belgische staat te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen.
2 De Belgische Staat verzocht de vordering van eiseres in hoger beroep of te wijzen als ontvankelijk doch ongegrond en haar te veroordelen tot de kosten van het geding.
3 De eerste rechter verklaarde de vordering van eiseres in hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond en veroordeelde haar tot de kosten van het geding, begroot in hoofde van verweerder in hoger beroep op 0 euro rechtsplegingsvergoeding en 20 euro bijzondere bijdrage begrotingsfonds.
De eerste rechter was van oordeel dat de administratie had voldaan aan artikel 84ter btw-wetboek en had kennis gegeven van de vermoedens van belastingontduiking die tegen eiseres in hoger beroep bestonden. Hiertoe was geen absoluut bewijs van bedrieglijk opzet of van het oogmerk om te schaden vereist.
Verder wees de eerste rechter erop dat in casu artikel 81bis § 1, 4° btw-wetboek van toepassing was en niet artikel 81bis § 1, 3° btw-wetboek.
De rechtbank was vervolgens van oordeel dat de administratie wel degelijk bevoegd was om vragen om inlichtingen te stellen aan financiële instellingen teneinde de juiste toepassing van de belasting in hoofde van eiseres in hoger beroep na te gaan. De machtiging hiertoe werd verleend op 5 maart 2018 en vermeldde uitdrukkelijk ook de gegevens van de minderjarige kinderen. Aangezien de ouders volmacht hadden op deze rekeningen, vielen deze rekeningen tevens onder de toepassing van artikel 62bis § 1 btw-wetboek. Hierbij was niet vereist dat de administratie eerst alle andere onderzoeksmogelijkheden zou uitputten. In tegenstelling tot hetgeen eiseres in hoger beroep voorhield, bleek nergens uit dat de administratie zich toegang had verschaft tot het CAP. De rechtbank stelde geen schending van het recht op eerbiediging van het privé-leven vast.
Uit de vaststellingen van de administratie bleek volgens de eerste rechter dat de boekhouding niet volledig was (stukken werden niet bijgehouden en data werden gewist) en dat de tekortkomingen elke controleerbaarheid van het fiscaal resultaat onmogelijk maakten. Derhalve kon de boekhouding van eiseres in hoger beroep niet als bewijskrachtig worden beschouwd.
De eerste rechter was verder van oordeel dat de administratie op basis van de door haar gedane vaststellingen terecht had gesteld dat eiseres in hoger beroep inkomsten verborgen hield voor de administratie. Het gebruik van het desbetreffende kassasysteem en het manipuleren van de dagontvangsten, tesamen met de vele cashstortingen op de privérekeningen kon niet tot een andere bevinding leiden. De manipulatie van de dagontvangsten gebeurde door een minusinvoer in te voeren waardoor de dagontvangsten konden aangepast worden naar een lager bedrag. Terecht werden volgens de eerste rechter de cashstortingen op de privebankrekeningen van de bestuurder van eiseres in hoger beroep en zijn echtgenote in de periode 2013-2018 als beroepsmatige inkomsten beschouwd die verborgen werden gehouden voor de administratie.
De getaxeerde cashstortingen konden geenszins verklaard worden door de zogenaamde handgiften. De notariële schenking van onroerende en roerende goederen bevonden zich buiten de getaxeerde periode.
Bij gebrek aan bewijs dat het tarief van 6% diende te worden toegepast werd terecht het algemene tarief van 21% toegepast.
Tegen dit vonnis tekende eiseres in hoger beroep bij verzoekschrift, ter griffie neergelegd op 22 januari 2024, hoger beroep aan.
III. Vorderingen in hoger beroep
1 Eiseres in hoger beroep vraagt het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, dienvolgens het bestreden vonnis te vernietigen, de door eiseres in hoger beroep oorspronkelijk gestelde vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens het proces-verbaal opgesteld op 3 juni 2020 geheel te vernietigen, dan wel van nul en generlei waarde te verklaren, de rechtzetting inzake btw d.d. S juni 2020 geheel te vernietigen dan wel van nul en generlei waarde te verklaren, te zeggen voor recht dat de hierin opgenomen bedragen niet verschuldigd zijn en de Belgische Staat te veroordelen om alle ten onrechte ingehouden en/of aangerekende bedragen terug te betalen meer moratoriumintresten zoals bedoeld in artikel 91 § 4 btw-wetboek en de Belgische staat te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen, in haren hoofde begroot op 20 euro (bijzondere bijdrage begrotingsfonds eerste aanleg), 7.500 euro (rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg), 24 euro (bijzondere bijdrage begrotingsfonds hoger beroep) en 7.848,84 euro (rechtsplegingsvergoeding hoger beroep).
2 Verweerder in hoger beroep verzoekt de vordering van eiseres in hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en haar te veroordelen tot de kosten van het geding, in zijnen hoofde begroot op 0,00 euro.
Verweerder in hoger beroep stelde ter zitting, louter defensief, akkoord te kunnen gaan met de begroting van de gerechtskosten in hoofde van eiseres in hoger beroep.
3 Eiseres in hoger beroep preciseerde ter zitting dat haar vordering zo dient begrepen te worden dat de uitvoerbare titel, zijnde het innings- en invorderingsregister dient vernietigd te worden. De Belgische Staat bevestigde de vordering alzo begrepen te hebben.
IV. Beoordeling
1 Eiseres in hoger beroep stelt vooreerst dat de visitaties d.d. 20 juni 2017 en 9 januari 2020 onrechtmatig zijn uitgevoerd. Ze wijst erop dat de ambtenaren van de fiscale administratie zich op 20 juni 2017 toegang hebben verschaft tot de winkel en hun fiscaal onderzoek hebben aangevat zonder dat de bestuurder van eiseres in hoger beroep aanwezig was en zonder deze aldus zijn voorafgaande toestemming met de onderzoekshandelingen heeft gegeven. Met betrekking tot de visitatie d.d. 9 januari 2020 stelt ze dat er opnieuw geenszins de voorafgaande en blijvende toestemming werd gevraagd noch bekomen vanwege de bestuurder van eiseres in hoger beroep.
Verweerder in hoger beroep wijst erop dat de onderzoeksdaden gesteld werden in de aanwezigheid van de bestuurder van eiseres in hoger beroep en met zijn medewerking en dat er geen sprake was van enig verzet van de bestuurder van eiseres in hoger beroep tegen de visitaties. Verder wijst hij erop dat zelfs in de veronderstelling dat de toestemming noodzakelijk was, er dient vastgesteld te worden dat de bestuurder wet degelijk toestemming heeft gegeven. Hij werpt in ondergeschikte orde op dat zelfs indien het verkregen bewijs onrechtmatig zou zijn verkregen, dit alsnog de Antigoontoets doorstaat.
2 Artikel 63, eerste lid btw-wetboek bepaalt:
"Eenieder die een economische activiteit uitoefent, moet aan de ambtenaren die bevoegd zijn om de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde te controleren en in het bezit zijn van hun aanstellingsbewijs, op elk tijdstip en zonder voorafgaande verwittiging, vrije toegang verlenen tot de ruimten waar de activiteit wordt uitgeoefend teneinde hen in staat te stellen:
1° de boeken en stukken te onderzoeken die zich aldaar bevinden;
2° door middel van de gebruikte uitrusting en met de bijstand van de betrokkene de betrouwbaarheid na te gaan van de geïnformatiseerde inlichtingen, gegevens en bewerkingen, door onder meer de voorlegging ter inzage te vorderen van stukken die in het bijzonder zijn opgesteld om de op informatiedragers geplaatste gegevens om te zetten in een leesbare en verstaanbare vorm;
3° de aard en de belangrijkheid vast te stellen van de aldaar uitgeoefende werkzaamheid en van het daarvoor aangestelde personeel, alsook van de aldaar aanwezige koopwaren en goederen, met inbegrip van de produktie- en vervoermiddelen."
Krachtens artikel 63, derde lid, btw-wetboek mogen die ambtenaren, met hetzelfde doel, eveneens op elk tijdstip, zonder voorafgaande verwittiging, vrij binnentreden in alle gebouwen, werkplaatsen, inrichtingen, lokalen of andere plaatsen die niet in het vorige lid zijn bedoeld en waar in dit Wetboek bedoelde handelingen worden verricht. Tot particuliere woningen of bewoonde lokalen hebben zij evenwel slechts toegang tussen vijf uur 's morgens en negen uur 's avonds en uitsluitend met machtiging van de politierechter.
Inzake BTW heeft de belastingadministratie in principe dus vrije toegang tot de beroepslokalen en onder strikte voorwaarden ook tot bewoonde lokalen. En krachtens de wet is zij gerechtigd ter plaatse alle boeken en bescheiden te onderzoeken, deze boeken en bescheiden te behouden (retentierecht) en van de belastingplichtige een kopie te eisen van gegevens die hij digitaal bijhoudt.
De bevoegde ambtenaren beschikken aldus, teneinde de verschuldigde belasting te kunnen bepalen, over ruime onderzoeksbevoegdheden en hebben het recht om tijdens de visitatie na te gaan welke boeken en stukken of bescheiden zich in de lokalen bevinden en ze te onderzoeken, zonder voorafgaand om de voorlegging ervan te moeten verzoeken.
Een zinvolle interpretatie van de verplichting tot medewerking vereist dat de belastingadministratie niet afhankelijk is van de keuze van de belastingplichtige om te bepalen in welke documenten hij inzage verleent en dat de belastingplichtige zijn medewerking dient te verlenen om bijvoorbeeld gesloten kasten of kluizen te openen. Voor zover de finaliteit van de fiscale visitatie enkel gericht is op de juiste belastingheffing, kan de belastingplichtige zich niet beroepen op het zwijgrecht en het recht om zichzelf niet te beschuldigen teneinde te ontkomen aan zijn verplichting tot medewerking aan de visitatie (EHRM, besl. 16 juni 2015, Van Weerelt t.Nederland, §56).
De in het geding zijnde bepalingen laten de bevoegde ambtenaren evenwel niet toe om de inzage van de bedoelde boeken en stukken of bescheiden eigenmachtig of te dwingen indien de belastingplichtige zich daartegen verzet. Mocht de wetgever een dergelijke afdwingbaarheid hebben beoogd, dan had hij daarin uitdrukkelijk moeten voorzien en de voorwaarden daartoe nauwkeurig moeten omschrijven, wat niet het geval is.
3 Het hof is van oordeel dat op basis van de voorliggende gegevens blijkt dat de bestuurder van eiseres in hoger beroep, minstens impliciet, toestemming heeft gegeven met de visitaties, hetgeen in de gegeven omstandigheden voldoende is.
4 Uit de voorliggende gegevens kan afgeleid worden dat de bestuurder van eiseres in hoger beroep op geïnformeerde wijze toestemming gaf met de visitatie d.d. 20 juni 2017, minstens op impliciete wijze.
Uit het proces-verbaal d.d. 27 juni 2017 naar aanleiding van de visitatie d.d. 20 juni 2017 blijkt dat de ambtenaren zich na aankomst van de bestuurder van eiseres in hoger beroep kenbaar maakten en overeenkomstig de artikelen 60 tot en met 63 btw-wetboek en de artikelen 315 tot en met 319 WIB 92, de artikelen 323 tot en met 324 WIB 92 en de artikelen 333 tot en met 334 WIB 92 verzochten om voorlegging van en inzage te verlenen in alle dossiers en informatiedragers aanwezig in de onderneming en om in hun bijzijn en op zijn uitrusting kopie te maken van alle door hen gewenste software en bestanden die op de bedrijfscomputers werden aangetroffen. De wetteksten werden overhandigd en waar nodig werden de gevraagde bijkomende inlichtingen verstrekt. Vervolgens werd een rondgang gemaakt en werden een aantal vaststellingen gedaan en een aantal handelingen verricht waarbij de bestuurder van eiseres in hoger beroep zijn medewerking verleende.
De toestemming om de visitatie uit te voeren werd derhalve, minstens impliciet, gegeven door een daartoe bevoegd persoon en met kennis van zaken. De bestuurder van eiseres in hoger beroep werd immers op de hoogte gebracht van de wettelijke bepalingen terzake en waar nodig werden de gevraagde bijkomende inlichtingen verstrekt. Hij was aldus voldoende op de hoogte van de onderzoeksmaatregel waarvoor hij zijn toestemming verstrekte. De bestuurder van eiseres in hoger beroep verzette zich niet tegen de visitatie en werkte integendeel actief mee.
Uit de chronologie van de visitatie zoals opgenomen in het proces-verbaal d.d. 27 juni 2017 blijkt dat de ambtenaren slechts een aanvang namen met het onderzoek van zodra de bestuurder van eiseres in hoger beroep aanwezig was zodat er van mag uitgegaan worden dat hun vaststellingen zijn gedaan en onderzoekingen zijn uitgevoerd nadat hen toestemming werd verleend door de daartoe bevoegde persoon, bevoegd om de vennootschap te vertegenwoordigen.
Geenszins blijkt dat de bestuurder van eiseres in hoger beroep op enig ogenblik zijn toestemming heeft ingetrokken.
Het feit dat de bestuurder van eiseres in hoger beroep de dag na de visitatie meedeelde geen toestemming te hebben gegeven, doet geen afbreuk aan het hogergemelde. Evenmin kan eiseres in hoger beroep gevolgd worden waar deze stelt dat I.D. in haar schrijven van 5 juli 2017 zou bevestigd hebben dat er geen toestemming zou verleend zijn. Hierin werd enkel gesteld dat volgens haar geen toestemming vereist was.
Artikel 63, eerste lid btw-wetboek vereist niet dat er slechts een visitatie mag uitgevoerd worden tijdens de uren dat er een werkzaamheid wordt uitgeoefend zodat het hof niet verder ingaat op de opmerkingen van eiseres in hoger beroep dienaangaande. Artikel 63, eerste lid btw-wetboek vermeldt immers uitdrukkelijk "op elk tijdstip" en bepaalt aldus niet dat het recht op toegang beperkt is tot de uren dat er een beroepswerkzaamheid wordt uitgeoefend. Volledigheidshalve merkt het hof op dat de visitatie d.d. 20 juni 2017 een aanvang nam op het moment dat de handelszaak open was voor publiek.
5 Uit het proces-verbaal van 16 januari 2020 naar aanleiding van de aangekondigde visitatie op 9 januari 2020 blijkt dat de bestuurder van eiseres in hoger beroep en de raadsman van eiseres in hoger beroep aanwezig waren en, na bekendmaking door de ambtenaren van hun naam/hoedanigheid en aanstellingsbewijzen en mededeling van informatie omtrent de onderzoeksbevoegdheden en wettelijke bepalingen terzake, hun medewerking verleenden aan het onderzoek zodat er mag van uitgegaan worden dat er dienaangaande tevens sprake was van minstens een impliciete toestemming met deze visitatie.
Dit is des te meer het geval gelet op het feit dat het om een aangekondigde visitatie ging en gelet op het feit dat eiseres in hoger beroep tijdens deze visitatie werd bijgestaan door een raadsman.
Het feit dat B.S. weigerde het proces-verbaal te ondertekenen doet hier geen afbreuk aan.
6 De belastingadministratie heeft zodra de toestemming wordt verleend de privé- en beroepslokalen te betreden, ook de toestemming om alle daarin aanwezige boeken en documenten te onderzoeken, ook al bevinden ze zich in gesloten kasten, laden, vuilnisbakken enz. (Cass. 06/10/2023, F.22.0082.F). Eens binnen heeft de belastingadministratie een actief zoekrecht.
7 Ten overvloede merkt het hof op dat zelfs in de hypothese dat de voorafgaandelijke toestemming door de bestuurder niet verstrekt werd en het bewijs onrechtmatig zou zijn verkregen -quod non-, in voorliggend geval het bewijs dat onrechtmatig zou zijn verkregen, de Antigoontoets doorstaat.
Het hof stelt vast dat de fiscale wetgeving geen algemene bepaling bevat die het gebruik verbiedt van onrechtmatig verkregen bewijs voor het vaststellen van een belastingschuld.
Volgens het EHRM bevat het EVRM geen voorschriften betreffende de toelaatbaarheid van het bewijs, zodat een nationale regeling die onrechtmatig verkregen bewijs niet in alle gevallen uitsluit, tot de bevoegdheid wordt gerekend van de lidstaten waarmee het EHRM zich niet inlaat (vgl. EHRM 28 juli 2009, Lee Davies/België, www.echr.coe.int).
Ook het recht van de Unie dat in beginsel de grondrechten waarborgt van de Unieburgers voor wat de indirecte belastingen betreft (zie HvJ 24 oktober 2019, zaken C-469/18 en C470/18, randnr.17, 18 en 19), voorziet niet in een automatische uitsluiting van bewijsmateriaal (conclusie advocaat-generaal, J.KOKOTT van 11 juli 2019 in de gevoegde zaken C-469/18 en C-470/18).
Het staat aan de nationale rechter de door hem verkregen bewijzen te beoordelen (HvJ 10 april 2003, C-376/01, randnummer 75).
Het feit dat er bij de bewijsgaring een grondrecht werd miskent, impliceert niet ipso facto dat het gebruik van de stukken door de fiscale administratie altijd is uitgesloten.
Het gebruik van het beweerde onrechtmatig verkregen bewijs door de administratie voor de (in)directe belastingen moet worden getoetst aan de beginselen van behoorlijk bestuur en het recht op een eerlijk proces.
Het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs kan in fiscale zaken slechts worden geweerd indien de bewijsmiddelen verkregen zijn op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat dit gebruik onder alle omstandigheden als ontoelaatbaar moet worden geacht of dit gebruik het recht van de belastingplichtige op een eerlijk proces in het gedrang brengt.
Recent werd dit nogmaals bevestigd bij arrest van het Hof van Cassatie van 19 juni 2025 (F.23.0037.F). Het Hof stelde dat het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal alleen maar kan worden uitgesloten als de naleving van formele voorwaarden op straffe van nietigheid is voorgeschreven, als de begane onregelmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs heeft aangetast of als het bewijsmateriaal in strijd is met het recht op een eerlijk proces.
Bij het maken van deze afweging kan de rechter "onder meer" rekening houden met een of meer van volgende omstandigheden:
het zuiver formeel karakter van de onregelmatigheid,
de weerslag ervan op het recht of de vrijheid die door de overschreden norm wordt beschermd,
het al dan niet opzettelijk karakter van de door de overheid begane onrechtmatigheid, en
de omstandigheid dat de ernst van de door de belastingplichtige gepleegde inbreuk veruit de begane onrechtmatigheid in het kader van de bewijsgaring overstijgt (zie Cass. 22 mei 2015, F.13.0077.N; Cass. 19 juni 2025, F.23.0037.F).
Bijgevolg zal het hof in concreto een zekere belangenafweging moeten maken. De verwijzing naar andere zaken, rechtspraak waarvan de feitelijke gegevens niet gelijkaardig zijn aan onderhavige zaak, zijn dan ook irrelevant ter beoordeling van onderhavige zaak. De rechter moet zelfstandig oordelen over de bruikbaarheid van de stukken aan de hand van de criteria van de fiscale Antigoon-leer.
8 De wetgever heeft ter zake van de (huis)visitatie en de vereiste toestemming van de belastingplichtige niet in bijzondere sancties voorzien. Het betreft hier geen schending van een op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvoorwaarde.
Het hof stelt vast dat zelfs in de hypothese dat de voorafgaandelijke toestemming door de bestuurder niet verstrekt werd en het bewijs onrechtmatig zou zijn verkregen -quod non-, de bewijsmiddelen te dezen niet verkregen zijn op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat dit gebruik onder alle omstandigheden als ontoelaatbaar moet worden geacht. Er is geen sprake van dat het gebruik van de tijdens de visitatie bekomen gegevens het recht op een eerlijk proces ontneemt rekening houdende met alle concrete gegevens van het dossier. De belastingadministratie heeft de beweerde onregelmatigheid alsdan te dezen niet opzettelijk gedaan in die zin dat de belastingadministratie bewust of ingevolge grove onachtzaamheid de toepasselijke wettelijke bepalingen zou geschonden hebben en er is geen sprake van machtsafwending. Over de draagwijdte van de bevoegdheden van de belastingadministratie in het kader van de (huis)visitatie bestond er in de praktijk veel discussie. De vaststellingen gebeurden ook alien in aanwezigheid van de bestuurder van eiseres in hoger beroep.
Het hof houdt hierbij rekening houdend met alle concrete omstandigheden van de zaak, waaronder de opdracht van de belastingadministratie, haar handelwijze, de beschikbare informatie en haar normaal te verwachten kennis van de toepasselijke regelgeving ten tijde van het begaan van de onregelmatigheid (vgl. Cass. 4 april 2023, P.22.1730.N).
De fiscale visitatie van het btw-wetboek moet toelaten de nodige vaststellingen te doen met betrekking tot de regelmatigheid van de belastingaangifte en beoogt aldus de inning van de belastingen die noodzakelijk zijn voor de goede werking van de overheden voor het economisch welzijn van het land. Zij streeft derhalve een legitiem doel na in de zin van artikel 8.2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.
Eiseres in hoger beroep heeft in de kader van de administratieve procedure en de thans gevoerde gerechtelijke procedure ook voldoende de mogelijkheid (gehad) om kennis te nemen van de tijdens de visitatie bekomen gegevens en hierover tegenspraak kunnen voeren.
De gegevens die bekomen werden tijdens de visitatie door de administratie zijn betrouwbare bewijzen. Over deze stukken kan tegenspraak gevoerd worden door de belastingplichtige zodat haar rechten van verdediging niet geschonden zijn. Ze heeft de kans gekregen zich te verdedigen op alle bewijselementen waarop de belastingadministratie zich in casu steunt.
De ernst van de beweerde inbreuk overstijgt bovendien veruit de beweerde onregelmatigheid. De bestrijding van belastingfraude, belastingontwijking en misbruik is een doel dat de BTW-richtlijn erkent en zelfs stimuleert.
Het hof is dan ook van oordeel dat zelfs in de hypothese dat de voorafgaandelijke toestemming niet verstrekt werd en het bewijs onrechtmatig zou zijn verkregen -quod non-, er geen reden is om de bekomen gegevens als bewijs voor het vestigen van de indirecte belastingen uit te sluiten.
Rekening houdend met de concrete gegevens van onderhavige zaak heeft de aangevoerde onwettigheid van het verkregen bewijs niet tot gevolg dat de bedoelde stukken niet konden aangewend worden door de administratie voor de indirecte belastingen.
9 Eiseres in hoger beroep werpt vervolgens op dat er sprake is van een schending van art. 62bis btw-wetboek, meer bepaald dat er sprake zou zijn van een onregelmatige consultatie van het CAP.
Verweerder in hoger beroep stelt evenwel dat het CAP niet werd bevraagd. Hij stelt dat alle bankrekeningnummers werden verkregen door ofwel consultatie van de interne databanken van de FOD Financiën ofwel doordat eiseres in hoger beroep of haar bestuurder ze zelf hebben meegedeeld aan de administratie tijdens de plaatsbezoeken ofwel via de aangeschreven financiële instellingen.
10 Overeenkomstig artikel 62bis, eerste lid btw-wetboek mogen de ambtenaren van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde, in afwijking van de artikelen 61, § 1, en 62, § 1, teneinde de juiste toepassing van de belasting in hoofde van derden na te gaan, de voorlegging ter inzage van de andere dan in artikel 60, § 4, eerste lid, bedoelde boeken en stukken alsmede het verstrekken van inlichtingen door de Bank van De Post, de bank-, wissel-, krediet- en spaarinstellingen slechts vorderen wanneer zij op grond van een machtiging verleend door de door de minister van Financiën daartoe aangewezen ambtenaar optreden.
De in casu verstrekte machtigingen werden voorgelegd onder stuk 11 van het bundel van eiseres in hoger beroep.
Uit de voorliggende gegevens blijkt, in tegenstelling tot hetgeen eiseres in hoger beroep voorhoudt, geenszins dat verweerder in hoger beroep het CAP zou geraadpleegd hebben. Er wordt door eiseres in hoger beroep geenszins weerlegd dat alle bankrekeningnummers werden verkregen door ofwel consultatie van de interne databanken van de FOD Financiën ofwel doordat eiseres in hoger beroep of haar bestuurder ze zelf hebben meegedeeld aan de administratie tijdens de plaatsbezoeken ofwel via de aangeschreven financiële instellingen. Eens de administratie kennis had van een rekening bij een bepaalde bankinstelling werd deze bankinstelling bevraagd en werd er verzocht om eveneens de andere rekeningen van die volmachthouder bij dezelfde bank mee te delen waarvan men vervolgens tevens de rekeninguittreksels opvroeg.
11 Eiseres in hoger beroep stelt vervolgens dat de inlichtingen gevraagd op grond van artikel 62bis eerste lid btw-wetboek een inbreuk zijn op artikel 22 Grondwet en artikel 8 EVRM. Ze stelt dat gelet op het feit dat er in casu geen enkele effectieve waarborg tegen misbruik en willekeur van de administratie aanwezig is, de inlichtingen bekomen op grond van artikel 62bis eerste lid btw-wetboek een inbreuk vormen op het recht op eerbiediging van privé- en gezinsleven gewaarborgd in artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 EVRM. In ondergeschikte orde verzoekt ze hieromtrent een prejudiciële vraag te stellen, namelijk
"Schendt artikel 62bis, eerste lid W. BTW het recht op eerbiediging van het privéleven en van het gezinsleven zoals gewaarborgd door artikel 22 van de Grondwet bij gebrek aan voldoende waarborgen tegen willekeur en misbruik wanneer dit zo wordt begrepen dat een eenzijdige machtiging tot bankonderzoek van de bevoegde fiscale ambtenaar volstaat voor het opheffen van het bankgeheim voor een periode van zeven jaar, zelfs zonder enige aanwijzing van fraude, zonder dat kan worden getoetst of er bij het verlenen van de machtiging tot bankonderzoek wel een legitiem doel wordt nagestreefd en of het afleveren van de machtiging tot bankonderzoek evenredig is met dit doel, te meer daar dit artikel ook toelaat om gegevens op te vragen aangaande bankrekeningen van minderjarige personen, de belastingplichtige noch de minderjarige persoon op voorhand niet dient te worden geïnformeerd over het opheffen van het bankgeheim en ook de banken zelf niet bij machte zijn om de evenredigheid en de rechtmatigheid van het verzoek tot inlichtingen na te gaan?"
Verweerder in hoger beroep stelt dat artikel 62bis btw-wetboek de administratie een wettelijke grondslag verleent die voldoende duidelijk, toegankelijk en voorzienbaar is voor het inwinnen van bankgegevens door de administratie. Tevens beantwoordt het bankenonderzoek aan een dwingende maatschappelijke behoefte in een democratische samenleving. Verder wijst hij erop dat in het kader van de administratieve procedure en in het kader van de gerechtelijke procedure eiseres in hoger beroep voldoende de mogelijkheid had om kennis te nemen van de ingewonnen bankgegevens en om hierover tegenspraak te kunnen voeren. Er zijn volgens verweerder in hoger beroep dienaangaande voldoende waarborgen tegen misbruik en willekeur ingebouwd.
12 Het recht op eerbiediging van het privéleven, zoals gewaarborgd bij artikel 22 van de Grondwet en bij artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, heeft als essentieel doel de personen te beschermen tegen inmengingen in hun privéleven. Dat recht heeft een ruime draagwijdte en omvat, onder meer, de bescherming van persoonsgegevens en van persoonlijke financiële informatie.
De rechten die bij artikel 22 van de Grondwet en bij artikel 8 van het Europees Verdrag voor
de Rechten van de Mens worden gewaarborgd, zijn evenwel niet absoluut. Zij sluiten een
overheidsinmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven niet uit, maar vereisen
dat zij wordt toegestaan door een voldoende precieze wettelijke bepaling, dat zij
beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte in een democratische
samenleving en dat zij evenredig is met de daarmee nagestreefde wettige doelstelling.
De wetgever beschikt ter zake over een beoordelingsvrijheid. Die vrijheid is evenwel niet
onbegrensd: opdat een wettelijke regeling verenigbaar is met het recht op eerbiediging van
het privéleven, is vereist dat de wetgever een billijk evenwicht heeft ingesteld tussen alle
rechten en belangen die in het geding zijn.
Elke inmenging dient te worden omgeven met effectieve waarborgen tegen misbruik en
willekeur, rekening houdend met de aard en de ernst van de inmenging. Voor de
belastingplichtige dient minstens de mogelijkheid te bestaan om te verzoeken om een
effectieve rechterlijke toetsing a posteriori van zowel de wettigheid als de noodzaak van
fiscale onderzoeksverrichtingen (HvJ, 17 december 2015, C-419/14, WebMindLicenses Kft, punt 78; EHRM, 7 juni 2007, Smirnov t. Rusland, § 45).
13 In casu is er een strikt omkaderde wettelijke grondslag die voldoende duidelijk,
toegankelijk en voorzienbaar is, voor het inwinnen van bankgegevens door de administratie
in het kader van de btw-wetgeving. Zo blijkt dat enkel informatie kan ingewonnen worden
wanneer de ambtenaren daartoe gemachtigd zijn door de door de minister van Financiën daartoe aangewezen ambtenaar.
Daarnaast beantwoordt de inmenging aan een dwingende maatschappelijke behoefte in een
democratische samenleving. De bestrijding van belastingfraude, belastingontwijking en
misbruik is een doel dat de BTW-richtlijn erkent en zelfs stimuleert.
De onderzoeksmaatregel kan ook als noodzakelijk beschouwd worden met het oog op de
btw-heffing. Het opvragen van de bankgegevens is een evenredige maatregel in het kader
van een onderzoek naar fraude zoals in casu door het verborgen houden van omzet.
Eiseres in hoger beroep heeft in de kader van de administratieve procedure en de thans
gevoerde gerechtelijke procedure ook voldoende de mogelijkheid (gehad) om kennis te
nemen van de ingewonnen bankgegevens en hierover tegenspraak kunnen voeren. Voor de
belastingplichtige bestond aldus de mogelijkheid om te verzoeken om een effectieve
rechterlijke toetsing a posteriori van zowel de wettigheid als de noodzaak van fiscale onderzoeksverrichtingen.
De bankgegevens werden in het kader van de btw-wetgeving rechtmatig bekomen door de
fiscale administratie en dit zonder schending van het grondrecht van de Unie en art. 8 EVRM.
Het gegeven dat een belastingplichtige tijdens een fiscale onderzoeksfase in het btw-stelsel noch voorafgaand wordt geïnformeerd over deze onderzoeksverrichting, noch ze kan afwenden of betwisten zolang de fiscale administratie geen beslissing heeft genomen die zijn fiscale rechtspositie ongunstig beïnvloedt, is, rekening houdend met de doelstelling van algemeen belang en de bovenvermelde waarborgen, redelijk verantwoord. (vergelijk: Grondwettelijk Hof nr. 5/2017, 19 januari 2017 (prejudiciële vraag), http://www.const-court.be (19 januari 2017)).
Indien zou blijken dat de informatiegerechtigden de verworven informatie oneigenlijk zouden gebruiken, dan is dit een tekortkoming die niet voortvloeit uit artikel 62bis btw-wetboek, maar uit de houding en het handelen van de informatiegerechtigden zelf. Het staat aan de bevoegde rechter om een dergelijke houding of handelen aan een sanctie te onderwerpen.
Het hof ziet dan ook geen reden om terzake enige prejudiciële vraag te stellen.
Ten overvloede merkt het hof op dat eiseres in hoger beroep overigens niet betwist dat de gegevens met betrekking tot minderjarige kinderen niet voor de taxatie gebruikt werden.
14 Verder stelt eiseres in hoger beroep dat de administratie geen regelmatig gebruik heeft gemaakt van de zevenjarige verjaringstermijn. Ze stelt dat er sprake is van een schending van artikel 84ter btw-wetboek. Ze stelt dat de voorafgaande kennisgeving geen precieze, concrete en nauwkeurige opgave bevatte van de vermoedens van belastingontduiking.
Verweerder in hoger beroep betwist dit. Hij wijst erop dat de voorafgaande kennisgeving van nauwkeurig omschreven vermoedens van belastingontduiking volstaat zonder dat het bewijs van belastingontduiking reeds objectief moet zijn geleverd.
15 Artikel 84ter btw-wetboek zoals in casu van toepassing bepaalt dat indien de administratie voornemens is de verjaringstermijn bepaald in artikel 81bis, § 1, tweede lid, 4° btw-wetboek, toe te passen, de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde, op straffe van nietigheid van de rechtzetting, voorafgaandelijk aan de betrokkene schriftelijk en nauwkeurig kennis moet geven van de vermoedens van belastingontduiking die tegen hem bestaan in de betreffende periode.
Hierbij is niet vereist dat de administratie het absoluut bewijs levert van het bedrieglijk opzet of van het oogmerk om te schaden. Het volstaat dat er kennis gegeven wordt van de vermoedens van belastingontduiking die tegen de belastingplichtige bestaan in de betreffende periode.
Artikel 84ter btw-wetboek vereist niet dat de daarin bedoelde kennisgeving nauwkeurig vermeldt welke inzichten of bedoelingen te schaden aan de belastingplichtige ten laste kunnen worden gelegd. Het volstaat dat het vermoeden van belastingontduiking nauwkeurig wordt vermeld. Evenmin is vereist dat de fiscale administratie over bekende feiten of vaststellingen beschikt die tot het bewijs van belastingontduiking aanleiding kunnen geven en dat zij dit moet meedelen in de voorafgaande kennisgeving. Het zou immers in strijd zijn met de wil van de wetgever de fiscale administratie op voorhand te dwingen te bewijzen wat het juist op grond van een aanvullend onderzoek wil bewijzen. De voorafgaande kennisgeving van een nauwkeurig omschreven vermoeden van belastingontduiking volstaat bijgevolg, zonder dat het bewijs van de belastingontduiking reeds objectief moet zijn geleverd. Enkel wanneer het vermoeden onnauwkeurig is omschreven of berust op vage of ongeloofwaardige veronderstellingen, kan niet tot het bestaan van een vermoeden van belastingontduiking worden besloten (Cass. 16 juni 2023 - F.21.0181.N-F.21.0187.N).
16 Op 27 mei 2020 maakte de administratie per aangetekende zending een voorafgaande kennisgeving bij toepassing van artikel 84ter btw-wetboek over aan eiseres in hoger beroep.
Bij deze kennisgeving werd het volgende meegedeeld aan eiseres in hoger beroep:
"(...) Naar aanleiding van het fiscale dossier, overgedragen door de Algemene Administratie van de Fiscaliteit, heeft de Algemene Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie verscheidene onderzoekingen en vaststellingen gedaan die geresulteerd hebben in onder meer volgende aanwijzingen van fraude in hoofde van BVBA B.S.:
De BVBA B.S. baat in de Heuvelstraat 104 te 2530 Boechout een slagerij onder de handelsbenaming 'Keurslager Somers' uit;
Tijdens een fiscale controle dd. 20/06/2017 stelden de controleagenten onder andere vast dat de heer B.S., zaakvoerder van de BVBA B.S., documenten probeerde te verbergen. Op deze documenten stonden minusbedragen, telkens ronde bedragen (cf. 400,00 €, 900,00 €, 2x 800,00 €) die van de dagomzet werden afgetrokken en waar de heer B.S. geen valabele uitleg voor kon geven;
Op privé-rekeningen van de heer B.S. en zijn echtgenote Agnes De Voegt, werden in de periode 01/01/2013 tot en met 15/03/2018 voor 326.950,00 € aan cash stortingen vastgesteld;
Voor de stortingen op de privé-rekeningen konden de heer B.S. en mevrouw Agnes De Voegt geen valabele verklaring geven;
Tijdens een tweede fiscale controle dd. 09/01/2020 stelden de controleagenten onder andere vast dat de boekhouding niet bewijskrachtig is, aangezien de verantwoordingsstukken ontbraken.
Het niet bewaren van verantwoordingsstukken is een inbreuk op de bewaarplicht (cf btw-wetboek);
Uit bovenstaande vaststellingen blijkt dat er ernstige aanwijzingen zijn dat de heer B.S., met wedeweten van mevrouw Agnes De Voegt, een significant deel van de omzet verkregen uit de economische activiteit van de BVBA B.S., namelijk het uitbaten van een slagerij, niet aangaf in de periodieke btw-aangiften voor de jaren 2013 tot en met het 1ste kwartaal 2018. De btw verschuldigd op deze omzet, werd door de BVBA B.S. moedwillig niet aangegeven, noch afgedragen aan de Staat. (...) (sic)"
Het hof is van oordeel dat deze kennisgeving voldoet aan de voorwaarden van artikel 84ter btw-wetboek. De vermoedens van belastingontduiking die tegen eiseres in hoger beroep bestonden in de betreffende periode werden immers op nauwkeurige wijze uiteengezet. Geenszins werden de vermoedens onnauwkeurig omschreven of berustten ze op vage of ongeloofwaardige veronderstellingen. Op deze manier kon eiseres in hoger beroep zich rekenschap geven van de vermoedens van belastingontduiking die tegen haar bestonden zodat zij zich terzake tegen eventuele navorderingen, of onderzoeken erover, en tegen eventuele komende administratieve boetes met kennis van zaken kon verdedigen en haar verdediging kon voorbereiden. Hierbij diende het bewijs van belastingontduiking niet reeds objectief te zijn geleverd.
17 Ten gronde haalt eiseres in hoger beroep onder meer aan dat verweerder in hoger beroep niet op bepaalde, gewichtige en overeenstemmende wijze het bewijs heeft geleverd van beweerdelijke manipulaties van het kassa-systeem en aanpassingen van de dagontvangsten. De Belgische Staat levert volgens eiseres in hoger beroep evenmin het bewijs van de bewering dat de cashstortingen op de rekeningen van de bestuurder van eiseres in hoger beroep en diens echtgenote verborgen omzet zouden betreffen, er wordt geen enkel verband aangetoond (rechtstreeks of onrechtstreeks, chronologisch of cijfermatig) tussen de cashstortingen en aangepaste dagontvangsten op of omstreeks dezelfde data. Ze stelt dat de nagevorderde bedragen willekeurig werden bepaald.
Verweerder in hoger beroep stelt het bewijs van belastingontduiking te hebben geleverd aan de hand van volgende feiten en gevolgtrekkingen:
- Er werd vastgesteld dat eiseres in hoger beroep een kassasysteem hanteert waarbij het mogelijk is om de registratie van de dagontvangsten vrij aan te passen;
Dat eiseres in hoger beroep gebruik maakte van dit systeem om ook effectief de dagontvangsten aan te passen, werd vastgesteld door de administratie bij een eerste onaangekondigde controle op 20 juni 2017 toen de bestuurder van eiseres in hoger beroep bij deze controle doelbewust bepaalde kassatickets probeerde te verbergen voor de controleagenten;
Op zeer regelmatige basis werden er gedurende de gecontroleerde periode cashstortingen verricht op de privé-bankrekeningen van de bestuurder van eiseres in hoger beroep en diens echtgenote. In de periode van 2013 tot 2018 werden maar liefst 72 cashstortingen verricht ten bedrage van 326.950 euro.
Volgens de administratie kan op basis van deze gegevens niet anders dan vastgesteld
worden dat er bewust gelden onttrokken werden aan het oog van de fiscus. Op basis van de
cashstortingen kon volgens de Belgische Staat het minimumbedrag bepaald worden dat door
de bestuurder van eiseres in hoger beroep verborgen werd gehouden.
18 Het bewijs door vermoedens is een bewijsmiddel uit het gemeen recht, dat in het
fiscaal recht expliciet van toepassing verklaard werd door de artikelen 340 WIB 92 en 59, §1
btw-wetboek. Vermoedens zijn gevolgtrekkingen die kunnen afgeleid worden uit een
bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit (artikel 1349 B.W.(oud)— thans art. 8.1
B.W.). De bewijswaarde van vermoedens wordt overgelaten aan het oordeel van de rechter,
die ze enkel zal aannemen indien zij op een of meer ernstige en precieze aanwijzingen
berusten. Voor zover het vermoeden op meerdere aanwijzingen steunt, moeten ze met
elkaar overeenstemmend zijn (artikel 8.29 B.W.).
Een bewijsvoering door middel van vermoedens veronderstelt een logische redenering,
waarbij, vertrekkend van gekende feiten, wordt besloten tot het bestaan van een onbekend
gegeven. Het is niet vereist dat die vermoedens noodzakelijk uit die feiten volgen; het is
voldoende dat ze er eruit kunnen volgen (vgl. Cass., 22 oktober 2004, F.03.0028.N).
19 De administratie meent dat er sprake is van meeromzet. Eiseres in hoger beroep zou
systematisch haar kassa hebben gemanipuleerd en de registratie van de dagontvangsten
hebben aangepast. Tevens werden er cashstortingen verricht op de privérekeningen van de
bestuurder van eiseres in hoger beroep en zijn echtgenote. Zo werden er in de periode van
van 2013 tot 2018 maar liefst 72 cashstortingen verricht ten bedrage van 326.950 euro.
Verweerder in hoger beroep meent dat er in hoofde van eiseres in hoger beroep aldus
sprake was van een meeromzet van 326.950 euro overeenstemmend met deze
cashstortingen. De administratie meent dit te kunnen afleiden uit volgende gegevens:
Er werd vastgesteld dat eiseres in hoger beroep een kassasysteem hanteert waarbij
het mogelijk is om de registratie van de dagontvangsten vrij aan te passen;
Dat eiseres in hoger beroep gebruik maakte van dit systeem om ook effectief de
dagontvangsten aan te passen, werd vastgesteld door de administratie bij een eerste
onaangekondigde controle op 20 juni 2017 toen de bestuurder van eiseres in hoger
beroep bij deze controle doelbewust bepaalde kassatickets probeerde te verbergen
voor de controleagenten;
Op zeer regelmatige basis werden er gedurende de gecontroleerde periode
cashstortingen verricht op de prive-bankrekeningen van de bestuurder van eiseres in
hoger beroep en diens echtgenote. In de periode van 2013 tot 2018 werden maar
liefst 72 cashstortingen verricht ten bedrage van 326.950 euro.
Het hof is van oordeel dat de administratie uit deze gegevens evenwel niet rechtsgeldig kon
afleiden dat er sprake was van een zwarte omzet van 326.950 euro in de periode van 2013
tot 2018. Louter uit het feit dat het mogelijk was het kassasysteem te manipuleren en dat er
in de handen van de bestuurder van eiseres in hoger beroep tijdens de visitatie op 20 juni 2017 twee kassatickets werden aangetroffen met "minusinvoeren" en 4 kassarapporten "5 kort sub-totaal" kon de administratie geenszins afleiden dat eiseres in hoger beroep haar kassasysteem zou gemanipuleerd hebben in de periode van 2013 tot 2018, laat staan dat er manipulaties zouden uitgevoerd zijn voor een bedrag van 326.950,00 euro, overeenstemmend met de cashstortingen verricht op de privé-bankrekeningen van de bestuurder van eiseres in hoger beroep en diens echtgenote. De Belgische Staat kon uit de voorliggende gegevens niet afleiden dat er zich gedurende de periode 2013-2018 stelselmatig en ononderbroken manipulaties en aanpassingen hebben voorgedaan. Daarnaast kon de Belgische Staat evenmin concluderen dat de cashstortingen op de rekeningen van de bestuurder van eiseres in hoger beroep en diens echtgenote het gevolg zouden zijn van vermeende manipulaties van het kassasysteem van eiseres in hoger beroep. Terecht stelt eiseres in hoger beroep dat enig verband, rechtstreeks noch onrechtstreeks, cijfermatig of chronologisch, ontbreekt tussen de vermeende manipulaties en aanpassingen enerzijds en de stortingen van cashgelden op de rekeningen van de bestuurder van eiseres in hoger beroep en diens echtgenote anderzijds.
Het hof acht het op basis van de voorliggende gegevens dan ook geenszins bewezen dat eiseres in hoger beroep in de periode van 2013 tot 2018 systematisch een deel van de omzet buiten de officiële boekhouding heeft gehouden. Er werd terzake niet op juiste wijze gebruik gemaakt van het bewijs door vermoedens en er is sprake van een verboden extrapolatie.
De overige argumenten dienaangaande acht het hof niet terzake dienend en/of overbodig.
Op basis van de voorliggende gegevens kon aldus geenszins besloten worden dat er sprake was van een meeromzet van 326.950 euro in de periode van 2013 tot 2018. Het bestreden vonnis dient aldus hervormd te worden. De vordering van eiseres in hoger beroep is gegrond.
20 Gelet op het hogergemelde gaat het hof niet verder in op de overige door eiseres in hoger beroep aangehaalde argumenten om de btw-schuld en de boete te betwisten.
21 Het hoger beroep vanwege eiseres in hoger beroep is gegrond. Het bestreden vonnis wordt hervormd.
Rekening houdende met het ongelijk in hoofde van verweerder in hoger beroep dient hij veroordeeld te worden tot de kosten van beide aanleggen. Deze worden in hoofde van verweerder in hoger beroep niet begroot aangezien ze te zijnen laste blijven. In hoofde van eiseres in hoger beroep worden deze begroot op 20 euro (bijzondere bijdrage begrotingsfonds eerste aanleg), 7.500 euro (rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg), 24 euro (bijzondere bijdrage begrotingsfonds hoger beroep) en 7.848,84 euro (rechtsplegingsvergoeding hoger beroep).
Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht overeenkomstig art. 2791, 1°, juncto 162, 4° W.Reg..
Beschikkend gedeelte
V. Uitspraak
Het hof doet uitspraak bij arrest op tegenspraak.
De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.
Het hof verklaart het hoger beroep van eiseres in hoger beroep ontvankelijk en gegrond als volgt.
Het hof hervormt het bestreden vonnis als volgt.
Het hof verklaart de vordering van eiseres in hoger beroep ontvankelijk en gegrond als volgt. Het hof vernietigt de inschrijving in het innings- en invorderingsregister met schuldnummer 500227142953 op 22 juli 2020 en uitvoerbaar verklaard op 24 juli 2020.
Het hof zegt voor recht dat de hierin opgenomen bedragen niet verschuldigd zijn en veroordeelt de Belgische Staat om alle ten onrechte ingehouden en/of aangerekende bedragen terug te betalen meer moratoriumintresten zoals bedoeld in artikel 91 § 4 btw-wetboek.
Het hof veroordeelt verweerder in hoger beroep tot de kosten van beide aanleggen. Deze worden niet begroot in hoofde van verweerder in hoger beroep aangezien ze te zijnen laste blijven. In hoofde van eiseres in hoger beroep worden deze vastgesteld op 20 euro (bijzondere bijdrage begrotingsfonds eerste aanleg), 7.500 euro (rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg), 24 euro (bijzondere bijdrage begrotingsfonds hoger beroep) en 7.848,84 euro (rechtsplegingsvergoeding hoger beroep).
Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht overeenkomstig art. 2791, 1°, juncto 162, 4° W.Reg..
Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 23 september 2025 door
C. P.
E. D.
K. L.
E. C.
Raadsheer dd. voorzitter
Raadsheer
Raadsheer
Griffier
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.