Niet aangegeven omzet, wettelijk vermoeden, goede trouw, Btw-boete, horeca · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen 13 oktober 2025

Zoeken

Niet aangegeven omzet, wettelijk vermoeden, goede trouw, Btw-boete, horeca

https://juriel.be/nl/rechtspraak/aangegeven-omzet-wettelijk-vermoeden-goede-rechtbank-antwerpen-2025-10-13-6e12

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Antwerpen
Datum
13 oktober 2025

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

121 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen d.d. 13.10.2025

WF 707-15-23/049015 Finaliti 36144056/01

[ Gunstig vonnis ]

Belasting over de toegevoegde waarde – niet aangegeven omzet – wettelijk vermoeden – goede trouw

Wettelijke bepalingen

Art. 64, §1 WBTW, art. 70, §1 WBTW

Samenvatting

1. Feiten

Eiseres is een horecavennootschap en baat een restaurant uit in Antwerpen.

Voor de periode 1 januari 2020 – 31 december 2021 vond een btw controle plaats. Tijdens deze controle werd vastgesteld dat voor het jaar 2021, de aangegeven omzet conform de btw-aangiften (1.205.010,50 euro) niet overeenstemde met het omzetcijfer in de interne jaarrekening en de grootboekrekeningen van eiseres (1.263.635,69 euro).

Deze inbreuken werden opgenomen in een proces-verbaal van regularisatie d.d. 19 september 2023, waarbij de volgende bedragen werden gevorderd: 12.311,27 euro aan btw, een proportionele geldboete van 2.460,00 euro (20%), te vermeerderen met de wettelijke interesten vanaf 21 januari 2022.

Aangezien eiseres hiermee niet akkoord ging, stelde zij een vordering in rechte in bij verzoekschrift neergelegd ter griffie d.d. 4 juli 2024.

2. Het vonnis

Volgens eiseres is er geen sprake van een omzetverschil, maar gaat het om een boekhoudkundig verschil dat ontstaan is door het overboeken van openstaande lonen naar de omzetrekening.

De rechtbank stelt op basis van de stukken 10 en 11, bijgebracht door verweerder, vast dat in de balans van eiseres onder verschillende 70-rekeningen een totale omzet van 1.263.635,69 euro wordt geboekt, en dat in de ingediende aangifte in de vennootschapsbelasting eveneens een omzet excl. btw werd aangegeven van 1.263.635,69 euro.

De rechtbank is van oordeel dat het aangegeven omzetcijfer bij de administratie der directe belastingen moet overeenstemmen met de bedragen in de btw-aangiften, en dat eiseres gebonden is door de bedragen opgenomen in haar boekhouding en de aangifte vennootschapsbelasting.

Aangezien er sprake is van een verhoging van de omzet impliceert dit dat de goederen, verkregen of geproduceerd om ze te verkopen, werden geleverd of diensten werden verstrekt. Bijgevolg speelt het wettelijk vermoeden van artikel 64 WBTW, zodat de bewijslast omkeert in het voordeel van de belastingadministratie. Het is aan eiseres om aan te tonen dat de goederen niet werden verkocht.

De rechtbank stelt vast dat eiseres geen enkel stuk bijbrengt waaruit blijkt dat het omzetverschil zou voortvloeien uit een correctieboeking waarbij de openstaande lonen werden overgeboekt naar de omzetrekening.

Nu eiseres het wettelijk vermoeden van artikel 64, §1 WBTW niet heeft weerlegd, is de vordering van eiseres ongegrond.

Volledige tekst

Tekst van de beslissing

Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen d.d. 13.10.2025

(24/2749/A)

Inzake:

X.,

met maatschappelijke zetel te …, KBO: …,

eiseres

 vertegenwoordigd ter zitting door Mr. GOVAERTS E. loco Mr. DE NYN SAM te …,

TEGEN:

DE BELGISCHE STAAT,

Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, vertegenwoordigd door de Adviseur-generaal, Directeur van het Centrum KMO Antwerpen, met correspondentieadres te 9050 LEDEBERG (GENT), Gaston Crommenlaan 6 bus 561, KBO: 0308.357.159,

verweerder

- vertegenwoordigd ter zitting door S.N., in hoedanigheid van rijksambtenaar voor de Federale Overheidsdienst Financiën.


Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer:

- het verzoekschrift toegekomen ter griffie op 4 juli 2024, ingeschreven ter griffie op 5 juli

2024;

 de beschikking gewezen overeenkomstig artikel 747, §1, Ger. W. op 20 september 2024, waarbij de conclusietermijnen en de rechtsdag werden bepaald;

 de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gehoord partijen in hun middelen en gezegden, op 15 september 2025.

1. Feiten en procedurele voorgaanden

De huidige betwisting heeft betrekking op de btw-schuld zoals opgenomen in het proces-verbaal inzake btw van 19 september 2023 en ingevorderd onder kohierartikel 500.2785.92864.

Eiseres is een horecavennootschap en baat een restaurant uit in Antwerpen.

Voor de periode 1 januari 2020 — 31 december 2021 vond een btw controle plaats.

Tijdens deze controle werd vastgesteld dat voor het jaar 2021, de aangegeven omzet conform de btw-aangiften (1.205.010,50 euro) niet overeenstemde met het cijfer dat terug te vinden was in de interne jaarrekening en de grootboekrekeningen van eiseres (1.263.635,69 euro).

De door verweerder vastgestelde inbreuken werden opgenomen in het proces-verbaal van regularisatie van 19 september 2023 (stuk 2 verweerder).

Volgende bedragen werden gevorderd:

 btw: 12.311,27 euro,

 proportionele geldboete: 2.460,00 euro (20%)

 te vermeerderen met de wettelijk verschuldigde interesten vanaf 21 januari 2022

Namens eiseres werd een bezwaar ingediend (stuk 4 verweerster).

Geargumenteerd werd dat er geen sprake is van een omzetverschil maar dat het gaat om een boekhoudkundig verschil dat ontstaan is door het overboeken van de openstaande lonen naar de omzetrekening.

Bij niet gedateerde beslissing werd het bezwaar afgewezen (stuk 5 verweerder).

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 4 juli 2024 stelde eiseres een vordering in rechte in.

2. Vorderingen van partijen

De vordering van eiseres strekt ertoe:

 de rechtsvordering van eiseres toelaatbaar, ontvankelijk en gegrond te verklaren;

 de btw-schuld zoals opgenomen in het proces-verbaal inzake btw van 19 september 2023 en ingevorderd onder kohierartikel 500.2785.92864, nietig en van onwaarde te verklaren, minstens en alleszins, deze aanslag te vernietigen dan wel integraal te ontheffen;

eiseres te ontslaan van de ten onrechte ingekohierde belasting in de btw en in voorkomend geval de terugbetaling te bevelen van eventueel door eiseres reeds betaalde bedragen en/of door de administratie ten onrechte reeds ingehouden bedragen, vermeerderd met de moratoire interesten aan de wettelijke interestvoet;

 verweerder te verwijzen in de gerechtskosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, begroot op het basisbedrag van 1.650,00 euro.

De Belgische Staat verzoekt de rechtbank:

de vordering van eiseres ontvankelijk, doch ongegrond te verkiaren;

de inhoud van het proces-verbaal van 19 september 2023 te bevestigen;

de inschrijving van het schuldnummer 500/2785/92864 in het innings- en

invorderingsregister gegrond te verklaren en te bevestigen en aldus niet over te gaan

tot vernietiging van de inschrijving van het schuldnummer 500/2785/92864 in het

innings- en invorderingsregister;

dienvolgens te bevestigen dat de in het innings- en invorderingsregister onder het

schuldnummer 500/2785/92864 opgenomen bedragen verschuldigd zijn;

eiseres te veroordelen tot de kosten van het geding.

3. Ontvankelijkheid

De ontvankelijkheid van de vordering van eiseres wordt door verweerder niet betwist. Er zijn evenmin ambtshalve aan te voeren bezwaren betreffende de ontvankelijkheid.

De vordering van eiseres is ontvankelijk.

4. Beoordeling

4.1. Betreffende de toepassing van het vermoeden van artikel 64, §1 WBTW

Overeenkomstig artikel 59, §1 WBTW kunnen overtredingen of misbruiken van de bepalingen van dat Btw-Wetboek of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen, alsmede feiten die de opeisbaarheid van de btw of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen, door de administratie bewezen worden volgens de regelen en door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed, en daarenboven door de processen-verbaal van de ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Financiën, die bewijs opleveren zolang het tegendeel niet is bewezen.

Op grond van de wettelijke vermoedens opgenomen in het artikel 64, § 1 (goederen), en in het artikel 64, § 2 (diensten) WBTW wordt hij die goederen verkrijgt of produceert om ze te verkopen, behoudens tegenbewijs, geacht de door hem verkregen of geproduceerde goederen te hebben geleverd onder voorwaarden waaronder de belasting.

In de balans van eiseres (stuk 10 verweerder) wordt onder verschillende 70-rekeningen, een totale omzet geboekt van 1.263.635,69 euro:

Omzet1.263.635,69
700000Verkopen BTW tarief 6%2,92
701000Verkopen BTW tarief 12%1.143.520,23
702000Verkopen BTW tarief 21%38.021,97
703000Verkopen BTW tarief 21%81.880,82
704000Verkopen BTW tarief 0209,75

Deze bedragen en een detail hiervan zijn eveneens terug te vinden in de grootboekrekeningen (zie stuk 9 verweerder, in bijzonder pag. 333 van de 334 pagina's).

In de ingediende aangifte in de vennootschapsbelasting werd eveneens een omzet excl. Btw aangegeven van 1.263.635,69 euro (zie stuk 11 verweerder).

De rechtbank is van oordeel dat het aangegeven omzetcijfer bij de administratie der directe belastingen, moet overeenstemmen met de bedragen in de btw-aangiften en dat eiseres gebonden is door de bedragen opgenomen in haar boekhouding en de aangifte vennootschapsbelastingen.

Aangezien er sprake is van een verhoging van de omzet impliceert dit naar het oordeel van de rechtbank dat de goederen, verkregen of geproduceerd om ze te verkopen, werden geleverd of diensten werden verstrekt. Bijgevolg speelt het wettelijk vermoeden van artikel 64 WBTW zodat de bewijslast omkeert in het voordeel van de belastingadministratie. Het is aan de belastingplichtige, in casu eiseres, om aan te tonen dat de goederen niet werden verkocht (vgl. Antwerpen, 29 november 2016, rol 2015/AR/888, www.Monkey.be).

De rechtbank stelt vast dat eiseres geen enkel stuk bijbrengt waaruit blijkt dat het omzetverschil zou voortvloeien uit een correctieboeking waarbij de openstaande lonen werden overgeboekt naar de omzetrekening.

Nu eiseres niet het wettelijk vermoeden van artikel 64, §1 WBTW heeft weerlegd, is het eerste middel ongegrond.

4.2. Betreffende de opgelegde geldboete van 20 %

Eiseres wijst erop dat zij ter goeder trouw heeft gehandeld, zodat er geen bijkomende geldboete kon worden opgelegd.

In het proces-verbaal wordt verwezen naar artikel 70, §1 WBTW dat stelt dat voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete wordt opgelegd gelijk aan het dubbel van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting. Deze geldboete op grond van artikel 70, §1 WBTW wordt verminderd tot 20 pct. overeenkomstig tabel G van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 41, waarnaar tevens wordt verwezen.

De rechtbank stelt vast dat de boete werd opgelegd overeenkomstig de wettelijke bepalingen.

Anders dan eiseres stelt, blijft deze geldboete inzake btw verschuldigd ook indien de goeder trouw van de belastingplichtige, in casu eiseres, zou vaststaan.

Ook dit tweede middel dient te worden afgewezen als ongegrond.

5. Kosten van het geding

Eiseres dient als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld te worden tot de kosten van het geding.

Aangezien verweerder niet wordt vertegenwoordigd of wordt bijgestaan door een raadsman, is er geen rechtsplegingsvergoeding verschuldigd.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN

DE RECHTBANK

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt de btw-schuld zoals opgenomen in het proces-verbaal inzake btw van 19 september 2023 en ingevorderd onder kohierartikel 500.2785.92864 en zegt voor recht dat de erin opgenomen bedragen wettelijk verschuldigd zijn.

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding, in hoofde van de Belgische Staat niet begroot en welke door de rechtbank vereffend worden op 0,00 euro.

Dit vonnis werd uitgesproken op dertien oktober tweeduizend vijfentwintig in openbare zitting van de Kamer AFi1, die samengesteld was uit:

J. V., rechter

C. L., griffier

Nota van de FOD Financiën

Referentie WF

WF 707-15-23/049015 Finaliti 36144056/01

Aangehaalde teksten

3
WBTW art. 647 voorkomens
WBTW art. 704 voorkomens
WBTW art. 591 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8