Vr. en Antw., Kamer G.Z. 1975-1976 blz. 267
Werk in onroerende staat - Onroerend goed - Gebouw - Woning - Bouwmateriaal - Bouwsector - Maatstaf van heffing - Normale waarde - Minimummaatstaf van heffing - Bouwmateriaal - Deskundige schatting - Bouwwaarde - Bouwdossier
ANTWOORD
Waarom wordt er bij bepaling van bouwwaarde geen onderscheid gemaakt:
a) tussen enerzijds stedelijke centra en anderzijds landelijke ge bieden ? Het lijdt toch geen twijfel dat de bouwwaarde sterk kan verschillen;
b) tussen streken met harde en streken met zachte ondergrond?
Het lijdt evenmin twijfel dat ook hier een werkelijk verschil in bouwwaarde kan bestaan.
Tevens had ik graag van de heer Minister vernomen waarom de schatting van de bouwwaarde gebeurt op basis van het jaar der schatting en niet op basis van het jaar der oprichting van het nieuwe gebouw ?
Antwoord: Voor de wijze van vaststelling door de administratie van de normale waarde van werk in onroerende staat dat betrekking heeft op een pas opgericht gebouw verwijs ik het geacht Lid naar mijn antwoord op de vraag nr. 145 van 17 april 1975 van de heer Coens (1) (z. Bulletin van Vragen en Antwoorden, nr. 28, van 13 mei 1975, Kamer, zitting 1974-1975, blz. 2039) en naar mijn antwoord op de vraag nr. 98 van 12 mei 1975 van senator R. Vandekerckhove (z. Bulletin van Vragen en Antwoorden, nr. 35, van 3 juni 1975, Senaat, gewone zitting 1974-1975, blz. 1363).
In tegenstrijd met wat het geacht Lid meent wordt de normale bouwwaarde niet vastgesteld met inachtneming van de prijzen die gelden in het jaar van de schatting: inderdaad artikel 16 van het koninklijk besluit nr. 15, van 3 juni 1970, bepaalt uitdrukkelijk dat die schatting moet gebeuren op datum van 1 januari van het jaar waarin het gebouw geheel of gedeeltelijk in gebruik wordt genomen.
Omtrent dat tijdstip en inzonderheid betreffende gebouwen waarvan de oprichting is gespreid over meer dan één kalenderjaar wordt er verwezen naar mijn antwoord op de vraag nr. 50 van 3 januari 1975 van senator Verbist (2) (z. Bulletin van Vragen en Antwoorden, nr. 17, van 28 januari 1975, Senaat, gewone zitting 1974-1975, blz. 601).
(1) Z. Revue nr. 22, blz. 327, art. 36, § 1, BTW-Wetboek. (2) Z. Revue nr. 20, blz. 166, art. 36, § 1, BTW-Wetboek.