Regularisatieopgave. Woning. Meerwaarde. Werk in onroerende staat. Onroerend goed. Normale waarde. Boete. · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

145 17 april 1975

Zoeken

Regularisatieopgave. Woning. Meerwaarde. Werk in onroerende staat. Onroerend goed. Normale waarde. Boete.Regularisatieopgave. Woning. Meerwaarde. Werk in onroerende staat. Onroerend goed. Normale waarde. Boete. Maatstaf van heffing. Bouwdossier

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/145-regularisatieopgave-woning-meerwaarde-werk-in-e161

Nummer
145
Datum
17 april 1975

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

27 paragrafen

Vr. en Antw., Kamer G.Z. 1974-1975 blz. 2039

Regularisatieopgave - Woning - Meerwaarde - Werk in onroerende staat - Onroerend goed - Normale waarde - Boete - Maatstaf van heffing - Bouwdossier

VRAAG

Ingevolge de bestaande wetgeving met betrekking tot de BTW wordt de normale waarde van de woning door de bevoegde BTW-administratie geschat (referentie: 1 januari van het jaar waarin de woning wordt betrokken). Blijkbaar overtreft de theoretische oprichtingswaarde meestal de feitelijke oprichtingswaarde, zelfs niettegenstaande de betrokken bouwheren alle uitgaven met faktuur verrichten - en dus alle vereiste BTW betaalden - , zodat aanvullende BTW wordt geëist via een regularisatieopgave.

ANTWOORD

Mag ik de heer Minister vragen:

1° op basis van welke criteria deze theoretische waarde wordt bepaald;

2° of deze theoretische waardebepaling dezelfde is over het Rijk, dus zonder rekening te houden met bestaande prijsverschillen naar streek;

3° of men het tijdstip voor het bepalen van de " normale " waarde, zijnde 1 januari van het jaar waarin de woning betrokken wordt, redelijkerwijze kan aanhouden in deze inflatietijd, hetgeen bijzonder nadelig uitvalt voor die mensen die gedurende jaren zelf aan de bouw van hun woning werken;

4° of het verantwoord is dat er boeten toegepast worden op de geëiste aanvullende theoretische BTW daar de bouwheer administratief in de onmogelijkheid verkeert zich voor de ontvangst van de regularisatieopgave in regel te stellen;

5° of deze theoretische BTW dan ook niet insluit de veronderstelde ontdoken inkomsten van de betrokken aannemers;

6° Zouden de bewijzen van de theoretische meerwaarde van de woning niet moeten geleverd worden door de bevoegde BTW-administratie in plaats van de bewijslast te leggen op de bouwheer met betrekking tot mogelijke aftrek van de zogenaamde normale waarde ?

Antwoord:

1° De normale waarde van het werk in onroerende staat dat betrekking heeft op de oprichting van een woning wordt vastgesteld met inachtneming van de prijzen toepasselijk in de bouwsector, de geplaatste of verwerkte bouwmaterialen en de aard van de constructie.

Die normale waarde is daarenboven de uitdrukking van de prijs die hier te lande voor het werk kan worden verkregen onder vrije mededinging tussen twee van elkaar onafhankelijke partijen.

2° Met betrekking tot woningen opgericht met courante bouwmaterialen werden in de jaren 1971, 1972 en 1973 geen noemenswaardige verschillen vastgesteld in de aannemingsprijzen toegepast in alle streken van het land.

Indien evenwel uit een grondig marktonderzoek zou blijken dat de normale bouwprijzen voor dezelfde werken van streek tot streek verschillen kan ik het geacht Lid verzekeren dat voor die gebieden, naargelang het geval, minder hoge of hogere waarden zullen worden toegepast.

3° Ten aanzien van het tijdstip voor het bepalen van de normale waarde bepaalt artikel 16 van het koninklijk besluit nr. 15, van 3 juni 1970 uitdrukkelijk dat de schatting moet gebeuren op datum van 1 januari van het jaar waarin het gebouw geheel of gedeeltelijk in gebruik wordt genomen.

Dat de keuze van die datum soms in het nadeel van de eigenaar-oprichter kan zijn is niet aan mijn aandacht ontsnapt.

Zoals reeds werd geantwoord op de vraag nr. 50, van 3 januari 1975 van senator Verbist (1) (z. Bulletin van Vragen en Antwoorden, nr. 17, van 28 januari 1975, Senaat, gewone zitting 1974-1975, blz. 601), zal de Administratie van de BTW aan haar ambtenaren de nodige richtlijnen geven om met maat en naar billijkheid ieder van die bijzondere gevallen te onderzoeken.

4° Wanneer de belasting over een onvoldoende maatstaf is voldaan verbeurt de bouwheer op grond van artikel 70, § 5, van het BTW-Wetboek alleen een geldboete ten bedrage van de aanvullende belasting voor zover het tekort gelijk is aan of groter dan één achtste van de maatstaf waarover de belasting werd voldaan.

Overeenkomstig de algemene richtlijnen voor de vermindering van de geldboeten inzake BTW, verschenen in het Belgisch Staatsblad van 26 juni 1973 wordt die geldboete, naar gelang van de grootte van de ontoereikende maatstaf nochtans aanzienlijk verminderd.

Daarenboven kan de bouwheer met betrekking tot contracten waarvan de overeengekomen prijs niet zou beantwoorden aan de hierboven aangehaalde inhoud van het begrip " normale waarde " spontaan en zonder geldboete de BTW voldoen over een hogere maatstaf.

5° Wanneer de bouwheer met kennis van zaken weet dat de volledige aard of de hoeveelheid van de verstrekte diensten of de juiste prijs van werk in onroerende staat niet zijn vermeld op de fakturen die op grond van artikel 8, van het koninklijk besluit nr. 1, van 23 juli 1969 moeten worden uitgereikt, is hij samen met de aannemer solidair gehouden tot betaling van de ontdoken BTW en lopen zij daarenboven individueel de administratieve geldboete op bepaald bij artikel 70, § 2, van het BTW-Wetboek.

De administratie zal nochtans de verschuldigde BTW en de opgelopen geldboeten van de aannemer vorderen wanneer zij kan aantonen dat voor een welbepaalde woning de prijs van de verstrekte diensten niet volledig werd gefaktureerd.

6° Wat het laatste punt van uw vraag betreft wordt er verwezen naar mijn antwoord op de vraag nr. 63, van senator Blancquaert (2) d.d. 31 januari 1975 (Bulletin van Vragen en Antwoorden, nr. 17, Senaat, zitting 1974-1975, blz. 773).

(1) Z. Revue nr.20, blz. 166, artikel 36. (2) Z. Revue nr. 21, blz. 235, artikel 32.

Aangehaalde teksten

2
WBTW art. 702 voorkomens

Administratieve doctrine

5

« … de ontoereikende maatstaf Overigens kan de bouwheer, wanneer de prijs van een dienst niet zou beantwoorden aan de normale waarde van die dienst de wettelijke geldboete ontlopen door spontaan de BTW over een hogere maatstaf te voldoen (zie het antwoord op de vraag nr. 145 van 17 april 1975 (3) van de heer Volksvertegenwoordiger Coens, bulletin van Vragen en Antwoorden, nr. 28, van 13 mei 1975, Kamer, zitting 1974-1975). 6. Ik verwijs naar het antwoord op zijn vraag nr. 67 van 16 december 1982 (4) bulletin van Vragen en Antwoorden, nr. 9, van … »

Werk in onroerende staat. Onroerend goed. Gebouw. Bouwmateriaal. Bouwsector. Maatstaf van heffing.Parlementaire vraag01.03.1984

Bekijk de 5 documenten