Werk in onroerende staat. Onroerend goed. Gebouw. Woning. Bouwmateriaal. Bouwsector. Maatstaf · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

181 29 juni 1976

Zoeken

Werk in onroerende staat. Onroerend goed. Gebouw. Woning. Bouwmateriaal. Bouwsector. MaatstafWerk in onroerende staat. Onroerend goed. Gebouw. Woning. Bouwmateriaal. Bouwsector. Maatstaf van heffing. Normale waarde. Minimummaatstaf van heffing. Bouwmateriaal. Deskundige schatting. Bouwwaarde. Bewijs. Bouwdossier. Tijdstip van vaststelling van de bouwwaarde

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/181-werk-in-onroerende-staat-onroerend-ab31

Nummer
181
Datum
29 juni 1976

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

9 paragrafen

Vr. en Antw., Kamer G.Z.1975-1976 blz. 2627

Werk in onroerende staat - Onroerend goed - Gebouw - Woning - Bouwmateriaal - Bouwsector - Maatstaf van heffing - Normale waarde - Minimummaatstaf van heffing - Bouwmateriaal - Deskundige schatting - Bouwwaarde - Bewijs - Bouwdossier - Tijdstip van vaststelling van de bouwwaarde

VRAAG

Naar mij werd medegedeeld berekenen de bevoegde diensten de BTW op de bouwwaarde van nieuwe huizen uitgaande van het tijdstip waarin de aangifte wordt gedaan.

ANTWOORD

Mag ik van de heer Minister vernemen of dit juist is en zo ja, waarop steunt men zich om aldus te handelen ? Meent hij niet dat het rechtvaardiger ware uit te gaan van het tijdstip waarop de woning werd opgericht ?

Antwoord: In tegenstrijd met wat aan het geacht Lid werd medegedeeld en zoals reeds werd geantwoord op zijn gelijkaardige vraag nr. 5, van 14 oktober 1975 (1) (zie bulletin van Vragen en Antwoorden, nr. 5, van 2 december 1975, Kamer, zitting 1975-1976, blz. 267) wordt de normale bouwwaarde niet vastgesteld met inachtneming van de prijzen die gelden op het tijdstip waarop de aangifte bedoeld in artikel 64, § 4, laatste lid, van het BTW-Wetboek wordt ingediend: inderdaad artikel 16, van het koninklijk besluit nr. 15, van 3 juni 1970 bepaalt uitdrukkelijk dat die schatting moet gebeuren op datum van 1 januari van het jaar waarin het gebouw geheel of gedeeltelijk in gebruik wordt genomen.

Omtrent dat tijdstip en inzonderheid betreffende gebouwen waarvan de oprichting is gespreid over meer dan één kalenderjaar wordt er nogmaals verwezen naar mijn antwoord op de vraag nr. 50 van 3 januari 1975 van senator Verbist (2) (zie bulletin van Vragen en Antwoorden, nr. 17, van 28 januari 1975, Senaat, gewone zitting 1974-1975, blz. 601).

(1) Z. Revue nr. 24, blz. 96. (2) Z. Revue nr. 20, blz. 166, art. 36, § 1 BTW-Wetboek.

Aangehaalde teksten

3
WBTW art. 361 voorkomen
WBTW art. 641 voorkomen