Werk in onroerende staat. Onroerend goed. Gebouw. Woning. Bouwmateriaal. Bouwsector. Maatstaf · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

1bis 14 oktober 1975

Zoeken

Werk in onroerende staat. Onroerend goed. Gebouw. Woning. Bouwmateriaal. Bouwsector. MaatstafWerk in onroerende staat. Onroerend goed. Gebouw. Woning. Bouwmateriaal. Bouwsector. Maatstaf van heffing. Normale waarde. Minimummaatstaf van heffing. Bouwmateriaal. Deskundige schatting. Bouwwaarde. Bouwdossier

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/1bis-werk-in-onroerende-staat-onroerend-1154

Nummer
1bis
Datum
14 oktober 1975

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

34 paragrafen

Vr. en Antw., Kamer G.Z. 1975-1976 blz. 75

Werk in onroerende staat - Onroerend goed - Gebouw - Woning - Bouwmateriaal - Bouwsector - Maatstaf van heffing - Normale waarde - Minimummaatstaf van heffing - Bouwmateriaal - Deskundige schatting - Bouwwaarde - Bouwdossier

VRAAG

Een persoon bouwt een nieuwe woning. Hiertoe wordt een plan opgemaakt met een bijhorend gedetailleerd lastenboek per aannemer. De architekt maakt i.f.v. de financiële planning van de eigenaar een benaderende raming van de diverse deelopdrachten.

ANTWOORD

Het plan, met bijhorend lastenboek, wordt per deelopdracht aan de diverse aannemers voor prijsopgave voorgelegd. De opdracht wordt toegekend aan de laagstbiedende. Er was een voldoende interesse zodat zeker van vrije mededinging kan gesproken worden.

Er wordt een gedagtekend kontrakt opgemaakt met de juiste opgave van hoeveelheden, eenheidsprijzen en eindbedragen.

Er worden geen indexeringsclausules voorzien. De facturaties gebeuren op een regelmatige manier en de verschuldigde BTW wordt gekweten.

Er wordt vooraf overeengekomen met de aannemers dat de bouwheer zelf bepaalde werken zal uitvoeren die duidelijk omschreven worden.

De bouwheer doet, conform met de verlangens van de administratie, aangifte van de uitgevoerde werken en de prijsopgave met vermelding van de eenheidsprijzen.

Hij legt alle bescheiden voor (lastenboeken, kontrakten, facturen, opgave eigen werk). Er is geen sprake van BTW-ontduiking. De aanbesteding, de aanvang van de bouwwerken en het betrekken van de woning hadden in hetzelfde kalenderjaar plaats.

De administratie bepaalt dat de normale oprichtingsprijs (1.800.000) 300.000 fr. hoger is dan de werkelijke uitgegeven bedragen (1.500.000 fr.) en heft de overeenkomende BTW en boetes.

Rekening houdend met de diverse parlementaire vragen van collega's uit Kamer en Senaat en de overeenkomende antwoorden, gelieve de heer Minister te antwoorden op volgende vragen:

1° Met welk recht kan de administratie de sluitende bewijsvoering van de eigenaar ongegrond verklaren ?

Meent de heer Minister niet dat de administratie daartoe zou moeten aantonen dat het schriftelijk kontrakt, dat werd afgesloten tussen aannemer en bouwheer, vals is ?

2° Herhaaldelijk wordt beweerd dat de beoordelingsnormen overal dezelfde zijn. Houdt men nochtans rekening met de diversificatie in de constructies (gelijkvloerse woning - woning met verdiep - woning met half verdiep) ?

3° Wat bedoelt de heer Minister met richtlijnen om " met maat en billijkheid " de bijzondere gevallen te onderzoeken ?

4° Welke zijn de verhaalmogelijkheden van de eigenaar ten overstaan van de administratie ?

5° Kan de administratie verplicht worden bij de waardebepaling de eenheidsprijzen te aanvaarden die op de kontrakten vermeld staan en die het resultaat zijn van vrije mededinging?

6° Vindt de heer Minister het billijk dat, in geciteerd geval, aan de bouwheer, naast een bijkomende BTW, ook nog een fiscale boete wordt opgelegd daar waar hij duidelijk kan aantonen dat er geen sprake is van ontduiking van enig BTW-bedrag ?

1° en 5° Voor werk in onroerende staat geleverd door een belastingplichtige en dat betrekking heeft op de oprichting van een gebouw bepaalt artikel 36, § 1, b, van het BTW-Wetboek dat de maatstaf van heffing niet lager mag zijn dan de normale waarde van die dienst.

Artikel 32, 2de lid, van het BTW-Wetboek omschrijft die normale waarde als de prijs die hier te lande voor dat werk kan worden verkregen onder vrije mededinging tussen twee van elkaar onafhankelijke partijen.

Om die normale waarde vast te stellen voorziet artikel 59, § 2, van het BTW-Wetboek in de bevoegdheid zowel voor de door de Minister van Financiën aangewezen ambtenaar als voor de betrokken belastingplichtige om een deskundige schatting te vorderen overeenkomstig de procedure bepaald in de artikelen 14 tot 21 van het koninklijk besluit nr. 15 van 3 juni 1970.

Het toepassen van de evengenoemde wetten blijft zonder invloed op de individuele en private rechtsbetrekkingen van de partijen die een overeenkomst van werk in onroerende staat hebben gesloten.

Zij zijn enerzijds als maatregelen aan te merken waarbij de Staat ten laste van de eigenaar van een pas opgericht gebouw een belasting oplegt en anderzijds als controlemaatregelen die zowel voor de Staat als voor de betrokken eigenaar de verplichting oplegt de overeengekomen prijs van het werk in onroerende staat tot oprichting van een woning te toetsen aan het door de wet omschreven begrip van " normale waarde " waarvan het bedrag en voor de Staat en voor de eigenaar als een minimummaatstaf van heffing is aan te merken.

Indien bij toepassing van de voormelde controlemaatregelen de administratie de normale waarde op een hoger bedrag vaststelt dan de overeengekomen prijzen zoals die blijken uit de voorgelegde contracten, betekent dit niet dat die overeenkomsten als vals dienen te worden bestempeld. Het is inderdaad niet onmogelijk dat uitzonderlijk de bouwheer gunstiger prijzen heeft kunnen afdwingen bij sommige aannemers dan de normale prijzen toepasselijk in de streek. In dergelijk geval is de eigenaar een BTW verschuldigd over die hogere normale waarde.

2° en 4° Om het naleven van die wettelijke verplichtingen na te gaan heeft de administratie aan haar ambtenaren richtlijnen gegeven waarmee die normale waarde kan worden vastgesteld.

In dat opzicht kan ik het geacht Lid verzekeren dat die richtlijnen stoelen op prijzen en waarden die in de bouwsector in de streek van de ligging van het opgerichte gebouw toepasselijk zijn en dat hierbij wel degelijk met de geplaatste of verwerkte bouwmaterialen en met de aard van de constructie wordt rekening gehouden.

Wanneer de eigenaar het toch niet eens kan zijn met de door de administratie vastgestelde normale bouwwaarde is hij niet zonder middel van verweer.

Hij kan inderdaad steeds aantonen dat de aan hem gefactureerde prijzen wel beantwoorden aan de normale prijzen die gelden in de streek. In geval de administratie zijn bewijsvoering uiteindelijk niet zou aanvaarden kan hij op grond van het reeds geciteerde artikel 59, § 2, van het BTW-Wetboek en overeenkomstig de procedure bepaald in de artikelen 18 tot 21 van het koninklijk besluit nr. 15 van 3 juni 1970 tegen de administratie de deskundige schatting vorderen.

3° De bijzondere gevallen waarvan sprake in mijn antwoord op de vraag nr. 50, van 3 januari 1975, gesteld door senator Verbist (1) (z. Bulletin van Vragen en Antwoorden, nr. 17, van 28 januari 1975, Senaat, gewone zitting 1974-1975, blz. 601) betreffen het vaststellen van de normale waarde van ééngezinswoningen waarvan de oprichting is gespreid over meer dan één kalenderjaar en die in de loop van het jaar 1974 in gebruik werden genomen.

Wanneer de eigenaar van een dergelijke woning contracten heeft gesloten voor 1 januari 1974 waarin geen aanpassing van de overeengekomen prijs is bedongen op grond van de verhoging van de marktprijzen van goederen en diensten, of bij ontstentenis van contracten, facturen van werk in onroerende staat gedagtekend van voor dezelfde datum kan voorleggen, of kan bewijzen dat hij zelf of met kosteloze hulp van derden aangekochte bouwmaterialen heeft verwerkt of geplaatst voor 1 januari 1974, heeft de administratie richtlijnen gegeven waarbij voor het bepalen van de normale waarde van die geleverde diensten en van het door de eigenaar of met kosteloze hulp van derden uitgevoerde werk, de prijzen en waarden in aanmerking worden genomen die, naargelang het geval, toepasselijk zijn op 1 januari 1973, 1 januari 1972 of 1 januari 1971.

6° Wat het laatste punt van uw vraag betreft wordt er verwezen naar mijn antwoord onder 4° op de vraag nr. 145 van 17 april 1975 van de heer Coens (2) (z. Bulletin van Vragen en Antwoorden, nr. 27, van 13 mei 1975, Kamer, zitting 1974-1975, blz. 2039).

(1) Z. Revue nr. 20, blz. 166, art. 36, § 1, BTW-Wetboek. (2) Z. Revue nr. 22, blz. 327, art. 36, § 1, BTW-Wetboek.

Aangehaalde teksten

5
KB nr. 15 art. 212 voorkomens
WBTW art. 362 voorkomens
WBTW art. 592 voorkomens