Btw-Commentaar. Vrijstellingen beoogd door artikel 44, § 2, 11°, van het Btw-Wetboek - Bepaalde diensten verricht door instellingen die geen winstoogmerk hebben (01.04.2023)
BOEKWERK II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijke tarief
Hoofdstuk 9: Vrijstellingen beoogd door artikel 44 van het Btw-Wetboek
Afdeling 18 - Bepaalde diensten verricht door instellingen die geen winstoogmerk hebben (artikel 44, § 2, 11°, van het Btw-Wetboek)
Bijwerking 01.04.2023 - Vorige versies: [01.07.2018] [01.06.2020] [15.06.2021] [01.08.2022]
Inhoud: · 7 onderdelen
2. Instelling zonder winstoogmerk
A. Begrip ‘Instellingen die doeleinden van syndicale aard nastreven’
1. Toepassingsgebied
Artikel 44, § 2, 11°, van het Btw-Wetboek stelt ‘vrij de diensten en de nauw daarmee samenhangende leveringen van goederen ten behoeve en in het gemeenschappelijk belang van hun leden, verricht tegen betaling van een krachtens de statuten bepaalde bijdrage, door instellingen die geen winst beogen en doeleinden van politieke, syndicale, religieuze, levensbeschouwelijke, vaderlandslievende, filantropische of staatsburgerlijke aard nastreven, op voorwaarde dat deze vrijstelling niet tot concurrentieverstoring kan leiden.’
Deze vrijstelling is van toepassing onder volgende voorwaarden:
• de bedoelde instellingen mogen geen winst beogen
Bedoeld zijn de verenigingen zonder winstoogmerk en alle andere verenigingen of groeperingen die geen winstoogmerk nastreven (zie titel 2, van deze afdeling)
• het gaat om diensten en nauw daarmee samenhangende leveringen van goederen die ten behoeve en in het gemeenschappelijk belang van de leden worden verricht
Prestaties voor privédoeleinden of leveringen voor afzonderlijke leden zijn normaliter steeds belastbaar
• het betreft instellingen die doeleinden van politieke, syndicale, religieuze, levensbeschouwelijke, vaderlandslievende, filantropische of staatsburgerlijke aard nastreven
Voor de toepassing van artikel 44, § 2, 11°, van het Btw-Wetboek dienen de termen ‘filantropische’ en ‘staatsburgerlijke’ te worden uitgelegd in de betekenis die ze hebben in de omgangstaal (schriftelijke parlementaire vraag nr. 3-9 van mevrouw de Senator Clotilde Nyssens van 08.08.2003).
Als instellingen die dergelijke doeleinden nastreven kunnen onder meer worden aangemerkt:
o instellingen die doeleinden van syndicale aard nastreven, dat zijn onder meer werknemersgroeperingen, patroonsorganisaties en beroepsverenigingen die primair tot doel hebben de collectieve belangen van hun leden – ongeacht of het gaat om werknemers, werkgevers, beoefenaars van vrije beroepen dan wel ondernemers die een bepaalde economische activiteit ontplooien – te behartigen en hen te vertegenwoordigen tegenover derden, daaronder begrepen overheidsinstanties. Deze instellingen worden uitvoerig besproken onder titel 3, van deze afdeling.
o instellingen die tot doel hebben voor hun buitenlandse leden die zich in België hebben gevestigd een centrum voor menslievende, sociale en culturele activiteiten te organiseren ten einde een betere verstandhouding tussen België en het vaderland van de leden te bevorderen en tevens kameraadschap tussen haar leden onderling tot stand te brengen (beslissing nr. E.T. 29.832 van 30.11.1979)
o instellingen met als doel de begeleiding, de opvang en de re-integratie in de maatschappij van sommige maatschappelijke groepen, zoals ex-gedetineerden en alcoholisten (beslissing nr. E.T. 31.691 van 25.10.1979)
o instellingen die zich uitsluitend bezig houden met problemen die verband houden met het landschap, het openbaar groen, de openluchtrecreatie en het milieubeheer en hierover aan hun leden, onder meer door middel van een tijdschrift, geregeld informatie en advies verschaffen (beslissing nr. E.T. 30.175 van 13.12.1979).
Worden bijvoorbeeld niet beschouwd als organisaties die dergelijke doeleinden nastreven, de verenigingen die tot doel hebben:
o de hondensport te bevorderen en het fokken en houden van honden aan te moedigen (beslissing nr. E.T. 33.044/2 van 23.03.1981) en, in het algemeen, elke activiteit in verband met het dierenrijk
o aan ieder van de leden het voordeel te verschaffen producten te kunnen kopen tegen een lagere prijs dan de prijs die zij zouden moeten betalen indien zij zich rechtstreeks tot de leveranciers hadden gewend (groepsaankopen) (beslissing nr. T. 6.773 van 21.06.1971).
• de dienst moet ten behoeve van de leden van de instelling worden verricht
Als leden worden aangemerkt de natuurlijke personen en de rechtspersonen die hebben deelgenomen aan de oprichting van de instelling en degenen die later door de oprichters als leden worden aangenomen.
Er moet geen onderscheid worden gemaakt tussen ledenoprichters en toetredende leden.
Er moet evenmin een onderscheid worden gemaakt naargelang de van de leden gevorderde bijdrage wordt vastgesteld door de statuten of door het huishoudelijk reglement dat ter uitvoering van de statuten wordt opgesteld (schriftelijke parlementaire vraag nr. 346 van de heer Volksvertegenwoordiger Marc Olivier van 12.09.1986).
• de dienst moet worden verricht in het gemeenschappelijk belang van de leden
Dit is het geval wanneer daaruit direct een voordeel ontstaat dat normaal wordt verkregen door al de leden van de instelling, die zich tegenover elkaar verbonden hebben de totale kosten ervan gemeenschappelijk te dragen.
De diensten die een instelling verstrekt in het persoonlijk belang van haar leden worden derhalve niet vrijgesteld (schriftelijke parlementaire vraag nr. 1.465 van de heer Volksvertegenwoordiger André Flahaut van 15.03.1995). De instelling dient deze in principe aan de belasting te onderwerpen, voor zover die handelingen niet van de belasting zijn vrijgesteld door een andere bepaling van artikel 44 van het Btw-Wetboek (zie Afdeling 19, van dit hoofdstuk).
• de instelling mag voor die dienst en de nauw daarmee samenhangende leveringen van goederen slechts een krachtens de statuten bepaalde bijdrage ontvangen
Onder bijdrage wordt verstaan het aandeel waartoe ieder lid zich verbonden heeft bij te dragen in de uitgaven die gemeenschappelijk zijn aan de leden.
De bijdrage is onderscheiden van de prijs van een dienstverrichting doordat de bijdrage verschuldigd wordt om reden van toetreding tot de maatschappelijke overeenkomst en ze verbonden is aan de hoedanigheid van lid, terwijl de prijs verschuldigd wordt om reden van een afzonderlijke overeenkomst, onderscheiden van de maatschappelijke overeenkomst en gesloten tussen de vereniging en het lid.
Wanneer de beoogde instelling evenwel, tegen betaling van een enige bijdrage en in een onderling verschillende mate, aan haar leden zowel gemeenschappelijke diensten aanbiedt als individuele diensten op verzoek en die rechtstreeks betrekking hebben op specifieke problemen van bepaalde leden (advies, informatie, gedetailleerde raadgevingen), moet die bijdrage in de regel op zodanige wijze worden uitgesplitst dat de vrijstelling voorzien in artikel 44, § 2, 11°, van het Btw-Wetboek beperkt wordt tot het gedeelte van die bijdrage dat verband houdt met de prestaties van gemeenschappelijk belang (schriftelijke parlementaire vraag nr. 1.465 van de heer Volksvertegenwoordiger André Flahaut van 15.03.1995).
Wanneer een instelling die doeleinden van syndicale aard nastreeft, primair tot doel heeft de collectieve belangen van haar leden te behartigen en hen te vertegenwoordigen tegenover derden, worden individuele diensten die worden verstrekt in het kader van de bijdrage en in het verlengde van de syndicale activiteit evenwel beschouwd als bijkomstig bij de hoofdactiviteit van de instelling die doeleinden van syndicale aard nastreeft. Er wordt in dit verband verwezen naar titel 3, rubriek B, subrubriek b, van deze afdeling (zie randnummers 6 en 9 van circulaire AAFisc nr. 01/2012 (E.T. 121.844) van 03.01.2012).
• de vrijstelling mag niet tot concurrentieverstoring kunnen leiden
Het oude artikel 44, § 2, 11°, van het Btw-Wetboek (van toepassing tot 09.01.2022) voorziet in fine dat de koning, ter voorkoming van concurrentieverstoring, de vrijstelling afhankelijk kan maken van aanvullende voorwaarden.
Vroeger werd de btw-administratie nog nooit geconfronteerd met een mogelijke concurrentieverstoring omwille van de toepassing van de vrijstelling voor politieke, syndicale, religieuze, levensbeschouwelijke, vaderlandslievende, filantropische of staatsburgerlijke instellingen. Daarom werd de mogelijkheid van de koning om bijkomende voorwaarden op te leggen nooit uitgeoefend.
Artikel 132, lid 1, punt l), van richtlijn 2006/112/EG, dat de rechtsgrond vormt voor artikel 44, § 2, 11°, van het Btw-Wetboek, verplicht lichtstaten echter om de toepassing van de vrijstelling afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat de vrijstelling niet tot concurrentieverstoring kan leiden.
De vervanging van artikel 44, § 2, 11°, van het Btw-Wetboek heeft derhalve tot doel om deze vrijstelling in overeenstemming te brengen met de bewoordingen van de Europese reglementering (zie circulaire 2022/C/65 van 06.07.2022 betreffende de wijzigingen aangebracht aan het Btw-Wetboek en koninklijke besluiten door de wet van 20.12.2021, de wet van 27.12.2021, de programmawet van 27.12.2021 en het koninklijk besluit van 27.12.2021..., nummer 3.1)
Wanneer een marktdeelnemer zich omwille van de aard van de door een door artikel 44, § 2, 11°, van het Btw-Wetboek beoogde instelling verrichte handelingen benadeeld voelt door de toepassing van deze btw-vrijstelling en derhalve concurrentieverstoring ondervindt, kan hij een klacht indienen bij de centrale diensten van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit. Deze klacht moet gemotiveerd zijn, de identiteit van de betrokken instelling vermelden evenals de identiteit van de benadeelde marktdeelnemer (indien de klacht door een vertegenwoordiger wordt ingediend). De administratie waarborgt de anonimiteit van de benadeelde marktdeelnemer ten opzichte van de betrokken instelling. De btw-vrijstelling kan slechts worden ingetrokken na onderzoek van het dossier waarbij de betrokken partijen afzonderlijk door de administratie worden gehoord.
De administratie zal de voorwaarde inzake concurrentieverstoring geval per geval beoordelen in het licht van de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie. De concurrentie-verstoring kan uiteraard door de administratie zelf worden opgeworpen, bijvoorbeeld naar aanleiding van een fiscaal toezicht.
De intrekking van de vrijstelling omwille van concurrentieverstoring kan retroactief toegepast worden maar die beslissing wordt genomen op basis van de feitelijke gegevens. Het begrip 'concurrentieverstoring' heeft niet enkel betrekking op daadwerkelijke concurrentie, maar ook op potentiële concurrentie, voor zover dit reëel en niet zuiver hypothetisch is. De concurrentieverstoring moet bovendien van meer dan een onbeduidende omvang zijn (schriftelijke parlementaire vraag nr. 975 van de heer volksvertegenwoordiger Josy Arens van 25.03.2022).
2. Instelling zonder winstoogmerk
Zoals aangegeven in titel 1, van deze afdeling, zijn de handelingen beoogd in artikel 44, § 2, 11°, van het Btw-Wetboek slechts van de belasting vrijgesteld wanneer ze worden verricht door instellingen die geen winstoogmerk nastreven.
Het begrip ‘instelling zonder winstoogmerk’ werd verduidelijkt door het Hof van Justitie van de Europese Unie in zijn Arrest Kennemer Golf & Country Club, zaak C-174/00, van 21.03.2002.
Om te beoordelen of een instelling kwalificeert als een instelling zonder winstoogmerk dienen alle activiteiten van die instelling in aanmerking te worden genomen. Het volstaat niet dat de handelingen die in aanmerking komen voor de vrijstelling, zonder winstoogmerk worden verricht, terwijl andere handelingen met een commercieel doel worden gesteld. De instelling in haar geheel beschouwd, heeft geen winstoogmerk indien zij niet tot doel heeft winst te maken met het oog op de verdeling daarvan onder haar leden. Het bestaan van een dergelijk doel, moet worden bepaald aan de hand van het statutaire doel van de instelling en de concrete feitelijke omstandigheden van de zaak.
Als een instelling op basis van voornoemde criteria kwalificeert als een instelling zonder winstoogmerk, is het niet relevant of zij al dan niet systematisch overschotten realiseert of nastreeft. Als een instelling zonder winstoogmerk wordt ook gekwalificeerd de instelling die systematisch streeft naar overschotten, mits deze niet als winst onder de leden worden verdeeld (zie in dit verband ook conclusie advocaat-geneneraal F.G. JACOBS van 13.12.2001, C-174/00, Kennemer Golf & Country Club).
De voorwaarde dat de betreffende instellingen de ontvangsten uit de vrijgestelde werkzaamheden uitsluitend mogen gebruiken tot dekking van de kosten ervan, houdt in dat zij wel degelijk overschotten mogen realiseren of zelfs nastreven, mits deze overschotten niet als winst onder de leden worden verdeeld en mits de instellingen deze overschotten aanwenden ten behoeve van hun vrijgestelde diensten. Een andersluidende interpretatie zou erop neerkomen deze instellingen te verbieden hun boekjaar met een batig saldo af te sluiten en hen te verhinderen reserves te creëren die zij kunnen aanwenden voor de instandhouding of de verbetering van de door hen verleende vrijgestelde diensten. De administratie heeft zich bij voornoemde principes inzake de draagwijdte van het begrip 'instelling zonder winstoogmerk' aangesloten beslissing nr. E.T.104.780 van 27.11.2003).
Verder verduidelijkt het Hof van Justitie van de Europese Unie in zijn Arrest Golfclub Schloss Igling eV, zaak C-488/18, van 10.12.2020 dat het begrip ‘instelling zonder winstoogmerk’ in de zin van artikel 132, lid 1, onder m), van richtlijn 2006/112/EG aldus moet worden uitgelegd dat die bepaling een autonoom begrip van het Unierecht is dat vereist dat een dergelijke instelling, bij ontbinding ervan, de door haar behaalde winst die groter is dan het door haar leden gestorte aandelenkapitaal en de marktwaarde van hun inbreng in natura, niet aan die leden mag uitkeren.
Rekening houdend met hetgeen voorafgaat en vermits de desbetreffende wettelijke bepalingen
uitsluiten dat ze een stoffelijk voordeel aan hun leden of oprichters kunnen verschaffen, kunnen de
instellingen onder de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk, een internationale vereniging
zonder winstoogmerk, een stichting van openbaar nut en een private stichting a priori de vrijstellingen genieten beoogd in artikel 44, § 2, 11°, van het Btw-Wetboek. Het is vanzelfsprekend dat deze vrijstelling niet kan worden toegepast indien zou blijken dat ondanks alles een stoffelijk voordeel wordt toegekend aan de leden of oprichters.
Daarentegen kan een als sociale onderneming erkende coöperatieve vennootschap in principe niet worden beschouwd als een instelling zonder winstoogmerk omdat ze overeenkomstig artikel 8:5 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen aan haar aandeelhouders een beperkt vermogensvoordeel mag uitkeren, zelfs indien dit toegekende voordeel niet hoger mag zijn dan de rentevoet vastgesteld door de Koning ter uitvoering van de wet van 20 juli 1955 houdende instelling van een Nationale Raad voor de Coöperatie, het Sociaal Ondernemerschap en de Landbouwonderneming, toegepast op het werkelijk gestorte bedrag van de aandelen.
Een dergelijke vennootschap bevindt zich evenwel in het toepassingsgebied van bovengenoemde
vrijstellingen bedoeld in artikel 44, § 2, 11°, van het Btw-Wetboek indien al de overige voorwaarden voldaan zijn en de aandeelhouders, overeenkomstig de statuten, afstand doen van elk vermogensvoordeel en dus van elke verdeling van winst in hun voordeel en dit ook blijkt uit de feiten.
Het feit dat een instelling trouwens werkingstoelagen ontvangt heeft op zich geen invloed op de toepassing van voornoemde vrijstellingen.
Het toekennen van werkingstoelagen kan het bewijs vormen dat de instelling of inrichting zelf niet genoeg middelen heeft om haar uitgaven te dekken, met andere woorden dat haar ontvangsten zelf niet voldoende zijn om haar exploitatiekosten te dekken. Hieruit volgt dat het toekennen van werkingstoelagen er op kan wijzen dat winstoogmerk ontbreekt (schriftelijke parlementaire vraag nr. 1.320 van de heer Volksvertegenwoordiger Stef Goris van 12.06.2006).
Wanneer een instelling zonder winstoogmerk toetreedt tot een btw-eenheid dienen de voorwaarden van het ontbreken van winstoogmerk te zijn voldaan in hoofde van elk van de leden van de btw-eenheid aangezien deze voor de toepassing van de btw slechts één belastingplichtige vormt (zie circulaire AOIF nr. 42/2007 (nr. E.T. 111.702) van 09.11.2007 en Boekwerk VI: Specifieke topics – Hoofdstuk 16: Specifieke topics, Afdeling 5: De btw-eenheid’).
3. Syndicale organisaties
De vrijstelling van artikel 44, § 2, 11°, van het Btw-Wetboek met betrekking tot de handelingen uitgevoerd door instellingen die doeleinden van syndicale aard nastreven, wordt besproken in circulaire AAFisc nr. 01/2012 (E.T. 121.844) van 03.01.2012.
A. Begrip ‘Instellingen die doeleinden van syndicale aard nastreven’
Het begrip ‘instellingen die doeleinden van syndicale aard nastreven’ is een
autonoom begrip uit het gemeenschapsrecht en dient bijgevolg communautair gedefinieerd
te worden.
Sinds 01.01.1987, datum waarop de aanschrijving nr. 12/1986 van 29.12.1986 in werking is getreden, en ingevolge een gemotiveerd advies door de Commissie van de Europese Gemeenschappen gericht aan de Belgische Staat, wordt de vrijstelling niet alleen verleend aan werknemersgroeperingen, maar geldt zij eveneens voor patroonsorganisaties en beroepsverenigingen, voor zover zij doeleinden van syndicale aard nastreven. Dit standpunt werd bevestigd door het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Arrest Institute of the Motor Industry, zaak C-149/97, van 12.11.1998.
In dit Arrest heeft het Hof geoordeeld dat om te worden aangemerkt als een instelling met doeleinden van syndicale aard in de zin van artikel 13, A, lid 1, punt l), van de Zesde Btw-richtlijn, voornoemd (vergelijk artikel 132, lid 1, punt l), van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd) het moet gaan om een organisatie die primair tot doel heeft de collectieve belangen van haar leden – ongeacht of het gaat om werknemers, werkgevers, beoefenaars van vrije beroepen dan wel ondernemers die een bepaalde economische activiteit ontplooien – te behartigen en hen te vertegenwoordigen tegenover derden, daaronder begrepen overheidsinstanties.
B. Draagwijdte van de vrijstelling
a. De diensten en de nauw daarmee samenhangende leveringen van goederen dienen te worden gefinancierd door de statutaire bijdragen
Opdat de vrijstelling voorzien in artikel 44, § 2, 11°, van het Btw-Wetboek van toepassing zou zijn, dienen de in deze bepaling beoogde handelingen gedekt te zijn door betaling van krachtens de statuten bepaalde bijdragen door de leden.
Deze vrijstelling is derhalve niet van toepassing ten aanzien van de handelingen die voor alle of een gedeelte van de leden worden verricht tegen betaling van een van de bijdrage onderscheiden prijs, zelfs indien het handelingen van syndicale aard zijn.
b. De diensten en de nauw daarmee samenhangende leveringen van goederen dienen te worden verricht in het gemeenschappelijk belang van haar leden door een instelling die geen winst beoogt en doeleinden van syndicale aard nastreeft
In het licht van de definitie die het Hof van Justitie aan deze begrippen heeft gegeven, moet het gaan om de behartiging van de collectieve belangen van de leden en hun vertegenwoordiging tegenover derden, daaronder begrepen overheidsinstanties (dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld een loutere aanwezigheid op een commerciële bijeenkomst).
Worden bijgevolg beoogd de collectieve belangen van de leden, in tegenstelling tot hun individuele belangen. Wanneer individuele prestaties worden verricht voor meerdere leden, dan gaat het uiteraard niet om diensten in het gemeenschappelijk belang in de zin van artikel 44, § 2, 11°, van het Btw-Wetboek.
Het verstrekken van individuele diensten is dus in principe onderworpen aan de belasting, onder voorbehoud van het geval waarin een instelling, zoals een patroonsvereniging, een specifieke vraag van een lid zou behandelen in het verlengde van haar ‘syndicale’ opdracht ten behoeve van allen (bijvoorbeeld in het kader van feedback die een federatie verstrekt aan haar leden met betrekking tot een sectorale cao die ze heeft afgesloten). In dat geval zal de aan het lid verstrekte dienst toch voornoemde vrijstelling genieten.
Zoals het Hof van Justitie in zijn rubriek A, van deze titel vermelde arrest heeft verduidelijkt, dient de syndicale activiteit het primair doel van de instelling te zijn opdat de vrijstelling van toepassing zou zijn.
Het primair doel van de betrokken organisaties is dus doorslaggevend om uit te maken of de bijdragen van de leden vrijgesteld dan wel volledig belast worden, behalve in bepaalde bijzondere gevallen (mondelinge parlementaire vraag nr. 16.952 van de heer Volksvertegenwoordiger Josy Arens van 24.04.2013).
Of de syndicale vertegenwoordiging al dan niet het primair doel van een instelling is moet beoordeeld worden rekening houdend met het geheel van de door de instelling verstrekte diensten. De belangrijkheid van deze diensten dient geëvalueerd te worden in functie van de omstandigheden eigen aan elke instelling en op basis van een geheel van elementen zoals, bijvoorbeeld, de hoedanigheid van de leden en het door hen bij de toetreding beoogde doel (1), de aard van de aan hen verstrekte diensten en van de daaraan verbonden kosten, de aard van de inkomsten, het eventuele beroep doen op onderaannemers en de aard van de door deze laatsten verstrekte diensten, de aard van de behandelde onderwerpen en van de meegedeelde informatie, de tijd die hieraan werkelijk werd besteed.
(1) Zo verstrekken de instellingen waarvan de leden niet beschikken over voldoende infrastructuur om zelf, in hun onderneming, diverse beheersproblemen op te lossen (bijvoorbeeld een instelling die een groot aantal kleine ondernemingen omvat) in principe in verhouding meer individuele diensten.
Elk document dat met betrekking tot de activiteiten van de instelling wordt opgesteld kan in dit verband gebruikt worden. Zo kunnen, in het bijzonder, de verslagen van de activiteiten opgesteld in overeenstemming met de statuten en de overeenkomstig de regels van het intern reglement opgestelde documenten, belangrijke informatie verschaffen.
Meerdere situaties kunnen zich voordoen:
• De instelling heeft primair tot doel de collectieve belangen van haar leden te behartigen en hen te vertegenwoordigen tegenover derden
Dit kunnen nationale of internationale groeperingen zijn die representatief zijn voor een welbepaalde activiteitensector en belast zijn met de vertegenwoordiging en verdediging van al hun leden bij de overheden, inzonderheid met als doel invloed uit te oefenen op het beleid en de besluitvormingsprocessen van die overheden.
In het bijzonder wordt gedacht aan tussenkomsten bij de Europese instellingen waarvoor gewoonlijk een inschrijving in een register (register van lobbyisten) vereist is. De vertegenwoordiging van de leden en de behartiging van hun collectieve belangen kan eveneens gebeuren ter gelegenheid van openbare raadplegingen die de Europese Commissie bij de voorbereiding van communautaire teksten organiseert teneinde het standpunt van de geïnteresseerde partijen te kennen en beroep te kunnen doen op hun kennis ter zake.
Bij het nastreven van deze doelstellingen kan het noodzakelijk zijn dat studies, enquêtes of publicaties worden gerealiseerd of dat vergaderingen worden georganiseerd met het oog op de voorbereiding van de onderhandelingen bij de betrokken instanties, om de leden in te lichten over de verdere ontwikkelingen en de behaalde resultaten …
Dergelijke handelingen worden dan beschouwd als bijkomstig bij de hoofdactiviteit van de instelling en zijn bijgevolg eveneens vrijgesteld.
Dit geldt ook wanneer, in voorkomend geval, individuele diensten zouden verstrekt worden in het kader van de bijdrage en in het verlengde van de syndicale activiteit. De diensten die worden verstrekt tegen een van de bijdrage onderscheiden prijs vallen evenwel niet onder de vrijstelling van artikel 44, § 2, 11°, van het Btw-Wetboek.
• Het primair doel van de instelling bestaat niet uit de vertegenwoordiging van haar leden en de behartiging van hun collectieve belangen tegenover derden
Dit is inzonderheid zo wanneer de verstrekte diensten hoofdzakelijk de bevordering van de economische en commerciële belangen van de leden beogen en de instellingen aan hun leden diensten verstrekken, zoals adviesverlening, informatieverstrekking en het maken van statistieken met betrekking tot hun sector, het organiseren van opleidingen, netwerking tussen de leden, commerciële missies, onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten, juridische dienstverlening, administratieve bijstand, advies en bijstand inzake bedrijfsbeheer, boekhouding en organisatie, beheer van personeel, vertegenwoordiging op beurzen of enig ander evenement inzake public relations, de organisatie van dergelijke evenementen of gemeenschappelijke publiciteitscampagnes, studies omtrent technische thema’s …
Er wordt aan herinnerd dat, a fortiori, de individuele diensten die in het kader van het hier omschreven primair doel worden verstrekt, in de regel onderworpen zijn aan de btw.
Het geheel van de aan de leden verstrekte diensten is dan onderworpen aan de btw, zelfs indien het nastreven van dit doel er toe zou leiden dat de instelling ook een opdracht van syndicale vertegenwoordiging vervult. In dat geval is de vrijstelling voorzien in artikel 44, § 2, 11°, van het Btw-Wetboek niet van toepassing.
• Overige gevallen
Men moet, zelfs al gaat het om uitzonderlijke situaties, ook rekening houden met de hypothese waarin een instelling verschillende doeleinden zou nastreven zonder dat kan aangetoond worden dat het ene belangrijker is dan het andere.
In dat geval zal de instelling dus in principe de hoedanigheid van belastingplichtige met gedeeltelijk recht op aftrek hebben en dient de bij de leden geïnde bijdrage te worden uitgesplitst.
Een dergelijke situatie dient geval per geval te worden beoordeeld, met bijvoorbeeld een forfaitair percentage van 50% zowel voor de heffing van de belasting als voor de aftrek.
[Top]
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.