VRAAG
Bij diverse gelegenheden liet de "Parti socialiste" haar belangstelling blijken voor de ontwikkeling van juridische instrumenten die een "sociale" economie in de hand kunnen werken. In afwachting van de erkenning van het juridisch statuut van de vennootschap met sociaal oogmerk hebben tal van in de sector werkzame instellingen de vorm van een vzw moeten aannemen. Artikel 44, § 2, 11°, van het BTW-wetboek verleent, als aan bepaalde voorwaarden is voldaan, vrijstelling van BTW voor de diensten die instellingen met filantropische, civieke, enz. doelstellingen in het belang van hun leden verrichten.
1. Kunnen vzw's waarvan het oogmerk het verlenen van sociale diensten aan hun leden is, op boven bedoelde bepaling aanspraak maken?
2. Is het in het bewuste artikel gepreciseerde begrip "gemeenschappelijk belang" onverenigbaar met het beginsel geïndividualiseerde dienst, waarmee een doeltreffende dienstverlening staat of valt?
3. Als geen vrijstelling mogelijk is, welke BTW-tarieven worden op de hoger beschreven situatie toegepast?
ANTWOORD
Artikel 44, § 2, 11°, van het BTW-wetboek stelt van de belasting vrij de diensten en de nauw daarmee samenhangende leveringen van goederen verricht ten behoeve en in het gemeenschappelijk belang van hun leden tegen betaling van een krachtens de statuten bepaalde bijdrage, door instellingen die geen winst beogen en doeleinden van politieke, syndicale, religieuze, levensbeschouwelijke, vaderlandslievende, filantropische of staatsburgerlijke aard nastreven.
In die optiek kan de genoemde vrijstelling ten aanzien van de sociale diensten verleend door de door het geacht lid beoogde vzw's slechts toepassing vinden wanneer daarmee de limitatief in voornoemd artikel 44, § 2, 11°, vermelde doeleinden worden nagestreefd. De door het geacht lid verstrekte gegevens laten mij derhalve niet toe mij in dat verband verder uit te spreken.
Bovendien, opdat de genoemde vrijstelling toepassing zou kunnen vinden, moeten de diensten niet alleen ten behoeve van de leden van de vereniging of groepering worden verricht, maar ook in het gemeenschappelijk belang van de leden. De diensten met een persoonlijk karakter verstrekt in het eigen belang van de leden zijn derhalve steeds belastbaar, zelfs indien ze door een statutaire bijdrage worden vergoed.
De diensten worden verstrekt in het gemeenschappelijk belang van de leden wanneer daaruit een voordeel ontstaat dat normaal wordt verkregen door al de leden van de instelling, die zich tegenover elkaar verbonden hebben de totale kosten ervan gemeenschappelijk te dragen. Dat aandeel in de gemeenschappelijke uitgaven is de statutaire bijdrage die elk lid normaal moet betalen.
In dit verband wordt opgemerkt dat de bijdrage onderscheiden is van de prijs van een dienstverrichting doordat de bijdrage verschuldigd wordt om reden van de toetreding tot de maatschappelijke overeenkomst van de vereniging of groepering en ze verbonden is aan de hoedanigheid van lid. Die prijs daarentegen wordt verschuldigd om reden van een afzonderlijke overeenkomst gesloten tussen de vereniging en het lid (of desgevallend het niet-lid) en er, in tegenstelling tot de bijdrage, een direct verband bestaat tussen de prijs en de verleende dienst. Dit is inzonderheid het geval voor het verstrekken van individualiseerbare en geïndividualiseerde diensten die niet door de bijdrage worden vergoed.
Wanneer de beoogde instelling evenwel, tegen betaling van een enige bijdrage en in een onderling verschillende mate, aan haar leden zowel gemeenschappelijke diensten aanbiedt als individuele diensten op verzoek en die rechtstreeks betrekking hebben op specifieke problemen van bepaalde leden (advies, informatie, gedetailleerde raadgevingen), moet die bijdrage in de regel op zodanige wijze worden uitgesplitst dat de vrijstelling voorzien in artikel 44, § 2, 11°, van het BTW-wetboek beperkt wordt tot het gedeelte van die bijdrage dat verband houdt met de prestaties van gemeenschappelijk belang.
Immers, in de mate waarin zij diensten verstrekt in het persoonlijk belang van de leden of tegen betaling door laatstgenoemden van een van de bijdrage onderscheiden prijs of nog, ten bate van niet-leden mits vergoeding, moet de instelling deze diensten aan de BTW onderwerpen, principieel tegen het normale tarief dat thans 20,5 % bedraagt, voor zover die handelingen uiteraard niet van de BTW zijn vrijgesteld door een andere bepaling van het BTW-wetboek.
Tenslotte wil ik erop wijzen dat door artikel 44, § 2, 12°, van genoemd wetboek van de BTW zijn vrijgesteld, de leveringen van goederen en de diensten verricht onder meer door instellingen waarvan de handelingen zijn vrijgesteld door voornoemd artikel 44, § 2, 11°, in samenhang met werkzaamheden ter verkrijging van financiële steun.
Tot al wat dienen kan wens ik het geacht lid ook nog mede te delen dat de administratieve aanschrijving nr. 12, van 29 december 1986 met betrekking tot de regeling toepasselijk op patroonsverenigingen en beroepsgroeperingen van werkgevers, die doeleinden van syndicale aard nastreven zoals voorzien in artikel 44, § 2, 11°, van het BTW-wetboek, klaarblijkelijk bepaalde door het geacht lid beoogde situaties behandelt.
Indien het geacht lid dit wenst, ben ik uiteraard bereid de situatie van de betrokken instelling te laten onderzoeken door de diensten van de administratie van de BTW, registratie en domeinen, indien hij mij de volledige en precieze gegevens daaromtrent mededeelt.