Vr. en Antw., Kamer
V.Z.W.'s - Diensten die in het gemeenschappelijk belang van hun leden worden verstrekt tegen betaling van een bijdrage - Vrijstelling - Begrip «leden» en «bijdrage»
VRAAG
Het BTW-Wetboek voorziet een reeks vrijstellingen van BTW-plicht voor V.Z.W.'s. Zo is er bijvoorbeeld het artikel 44, § 2, 11°, dat stelt dat een V.Z.W. vrijgesteld is van BTW-verplichtingen indien zij diensten verstrekt «ten behoeve en in het gemeenschappelijk belang van hun leden van een krachtens door de statuten bepaalde bijdrage door instellingen die geen winst beogen en doeleinden van politieke, syndicale, religieuze, levensbeschouwelijke, vaderlandslievende, filantropische of staatsburgerlijke aard nastreven».
Er zit een moeilijkheid in de bepaling «ten behoeve en in het gemeenschappelijk belang van hun leden van een krachtens door de statuten bepaalde bijdrage».
Volgens de wet op de V.Z.W. (27 juni 1921) worden als leden beschouwd diegenen wiens naam voorkomt op de jaarlijks ter griffie neer te leggen ledenlijst. Nu komt het in de praktijk voor dat een V.Z.W. bestaat uit 3 leden, wiens naam werd neergelegd ter griffie. De jaarlijkse ledenbijdrage, die ook in de V.Z.W.-wet is voorzien is enkel van toepassing voor die 3 personen, zijnde de werkende leden. De vereniging kan daarnaast nog honderden personen tellen die een lidkaart hebben en wiens naam niet voorkomt op de ledenlijst, met andere woorden de niet-werkende leden en wiens bijdrage niet geregeld wordt door de statuten maar door een huishoudelijk reglement. Bovendien is het niet omdat in de statuten van een V.Z.W. een maximale ledenbijdrage werd vastgesteld dat deze bijdrage wordt geïnd. In de praktijk wordt aan de werkende leden meestal geen bijdrage gevraagd omdat deze mensen zich meestal vrijwillig en onbezoldigd ten dienste stellen van de vereniging.
Ik kan me moeilijk van de indruk ontdoen dat de BTW-wetgever wel niet het inzicht had het gemeenschappelijk belang van de werkende leden te viseren maar wel het belang van alle leden en dus ook de niet-werkende leden.
Bij heel wat BTW-controleurs roept dit artikel vragen op en worden verschillende interpretaties opgegeven.
Hoe moet volgens de heer Minister dit artikel geïnterpreteerd worden?
ANTWOORD
Voor de toepassing van de vrijstelling bepaald in artikel 44, § 2, 11°, van het BTW-Wetboek, welke geldt ten aanzien van de diensten die door een in die bepaling beoogde vereniging in het gemeenschappelijk belang van haar leden worden verstrekt tegen betaling van een bijdrage, dient geen onderscheid te worden gemaakt tussen de onderscheiden leden van de vereniging.
Als leden worden aangemerkt zowel de fysieke personen en de rechtspersonen die hebben deelgenomen aan de oprichting van de vereniging (leden-oprichters) als degenen die later door de oprichters als leden worden aangenomen (bijvoorbeeld toetredende leden).
Tevens moet er evenmin een onderscheid worden gemaakt naargelang de van de leden gevorderde bijdrage wordt vastgesteld door de statuten of door het huishoudelijk reglement dat ter uitvoering van de statuten wordt opgesteld.