Btw-Commentaar. Teruggaaf van de belasting - Rechthebbende op de teruggaaf (01.03.2021)
BOEKWERK IV. Voldoening van de belasting
Hoofdstuk 14. Teruggaaf van de belasting
Afdeling 4. Rechthebbende op de teruggaaf
Bijwerking 01.03.2021 – Vorige versies: [01.07.2018] [01.06.2020]
Inhoud: · 6 onderdelen
1. Teruggaaf bedoeld in artikel 76, § 1, van het Btw-Wetboek
2. Teruggaaf bedoeld in artikel 76, § 2, van het Btw-Wetboek
3. Teruggaaf bedoeld in artikel 77, § 1, van het Btw-Wetboek
4. Teruggaaf bedoeld in de artikels 77, § 1bis, en 77bis van het Btw-Wetboek
5. Teruggaaf bedoeld in artikel 77, § 2 van het Btw-Wetboek
Inleiding
De rechthebbende op teruggaaf is in de regel diegene die de belasting over de toegevoegde aan de staat heeft voldaan en dit mits de daartoe te vervullen voorwaarden zijn voldaan.
Niettemin worden hierna tevens enkele gevallen toegelicht waarbij de belasting kan worden teruggegeven aan iemand anders dan degene die ze aan de staat heeft voldaan.
1. Teruggaaf bedoeld in artikel 76, § 1, van het Btw-Wetboek
De in artikel 76, § 1, van het Btw-Wetboek bedoelde rechthebbende op de teruggaaf is de belastingplichtige indiener van aangiften beoogd in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van voornoemd Wetboek die aanspraak op aftrek heeft en die door bewijskrachtige stukken kan aantonen dat de aftrekbare btw meer bedraagt dan de verschuldigde btw en die aan de voorwaarden van artikel 81 van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, voldoet.
Het verzoek tot teruggaaf moet gebeuren door voornoemde belastingplichtige of door zijn aansprakelijke vertegenwoordiger (1) beoogd in de bepalingen van artikel 55, §§ 1 tot en met 3, van het Btw-Wetboek.
(1) De aansprakelijke vertegenwoordiger wordt in de plaats gesteld van zijn buitenlandse lastgever ten aanzien van alle rechten die aan laatstgenoemde zijn verleend en van alle verplichtingen die hem zijn opgelegd door of ter uitvoering van voornoemd Wetboek. Hij is met zijn lastgever hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting, interesten en geldboeten waarvan de opeisbaarheid voortvloeit uit de hier te lande verrichte handelingen.
2. Teruggaaf bedoeld in artikel 76, § 2, van het Btw-Wetboek
De in artikel 76, § 2, van het Btw-Wetboek bedoelde rechthebbende op de teruggaaf is de in dat artikel bedoelde belastingplichtige (zie ook afdeling 3: Oorzaken van de teruggaaf – punt 1 – rubriek B) die kan aantonen dat de teruggevraagde btw voor aftrek in aanmerking komt, zijnde:
• de personen die slechts toevallig nieuwe gebouwen of gedeelten van gebouwen en het bijhorend terrein vervreemden of op die gebouwen zakelijke rechten vestigen, overdragen of wederoverdragen ingevolge de bepalingen van artikel 8 van het Btw-Wetboek. Zij verwerven de hoedanigheid van belastingplichtige niet van rechtswege maar moeten uitdrukkelijk voor deze hoedanigheid opteren (zie ook Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen - Hoofdstuk 1: De belastingplichtige – Afdeling 7 : Toevallige belastingplichtigen en afdeling 5: Tijdstip waarop de vordering tot teruggaaf ontstaat – titel 5 van dit hoofdstuk).
• de personen of groeperingen die toevallig een nieuw vervoermiddel intracommunautair leveren ingevolge de bepalingen van artikel 8bis, § 1, van het Btw-Wetboek. Zij verwerven de hoedanigheid van belastingplichtige van rechtswege en dienen er aldus niet uitdrukkelijk voor te opteren (zie ook Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen - Hoofdstuk 1: De belastingplichtige – Afdeling 7 : Toevallige belastingplichtigen). Op grond van artikel 76, § 2, van het Btw-Wetboek kunnen zij binnen de grenzen bepaald in artikel 45, § 1bis, van voornoemd Wetboek teruggaaf bekomen. In de regel kan deze teruggaaf worden bekomen door middel van de indiening van de in artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 48, voornoemd, bedoelde aangifte van de belasting geheven van de levering, de invoer of de intracommunautaire verwerving van nieuwe vervoermiddelen die onder de voorwaarden bepaald in artikel 39bis van het Btw-Wetboek worden geleverd. Deze aangifte geldt als aanvraag om teruggaaf wanneer de voorwaarden voor de uitoefening van het recht op aftrek vervuld zijn op het tijdstip van het indienen van deze aangifte. Wanneer dit niet het geval is dient een aanvraag om teruggaaf te worden ingediend overeenkomstig artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd.
• de niet in België gevestigde belastingplichtigen die geen aansprakelijke vertegenwoordiger hebben en die niet beschikken over een rechtstreekse identificatie (zie aanschrijving nr. 4/1988 van 24.02.1988, aanschrijving nr. 4/2003 (E.T. 103.925) van 04.03.2003 en circulaire AFZ nr. 20/2009 van 22.12.2009 en zie ook Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen - Hoofdstuk 1: De belastingplichtige – Afdeling 10 : Niet in België gevestigde belastingplichtigen) volgens het volgend onderscheid:
o de teruggaaf geschiedt overeenkomstig artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 31, voornoemd, wanneer het een belastingplichtige betreft gevestigd in een andere lidstaat dan België en die in België niet voor btw-doeleinden is geïdentificeerd. De modaliteiten daartoe worden bepaald in koninklijk besluit nr. 56, voornoemd.
o de teruggaaf geschiedt overeenkomstig de artikelen 9, §§ 2 en 3, en 12, §§ 1bis en 2, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, wanneer het een buiten de Gemeenschap gevestigde belastingplichtige betreft die in België niet voor btw-doeleinden is geïdentificeerd of een niet belastingplichtige rechtspersoon die niet in België is gevestigd en die hier te lande geen in het Btw-Wetboek beoogde handelingen heeft verricht andere dan de intracommunautaire verwerving van nieuwe vervoermiddelen bedoeld in artikel 8bis, § 2, van voornoemd Wetboek of wanneer het gaat om een dienstverrichter die zich voor de toepassing van de in artikel 58bis van dat Wetboek bedoelde bijzondere regeling in België of in een andere lidstaat heeft geïdentificeerd.
• de belastingplichtigen die handelingen verrichten beoogd door de bepalingen van artikel 44, § 3, 4° tot 10°, van het Btw-Wetboek en lasthebbers of makelaars die dergelijke handelingen verrichten die overeenkomstig de bepalingen van artikel 45, § 1, 4° en 5°, van het Btw-Wetboek de van voornoemde handelingen geheven voorbelasting in aftrek mogen brengen telkens wanneer de medecontractant buiten de Gemeenschap is gevestigd of wanneer betreffende handelingen rechtstreeks samenhangen met goederen die bestemd zijn om te worden uitgevoerd naar een land buiten de Gemeenschap.
3. Teruggaaf bedoeld in artikel 77, § 1, van het Btw-Wetboek
Overeenkomstig artikel 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, is de rechthebbende op de teruggaaf degene die de belasting aan de staat heeft voldaan.
Voor wat de binnenlandse handelingen en de intracommunautaire verwervingen van goederen betreft, is dit aldus:
• hetzij de belastingplichtige of de niet-belastingplichtige rechtspersoon die de terug te geven belasting heeft opgenomen in het bedrag van de verschuldigde belasting ingeschreven in de aangifte en die deze belasting aan de schatkist heeft gestort, wanneer het gaat om handelingen gesteld door de belastingplichtige of een niet-belastingplichtige rechtspersoon die naargelang het geval, gehouden is tot de indiening van de aangifte beoogd in artikel 53, § 1, eerste lid, 2° of artikel 53ter, 1°, van het Btw-Wetboek
• hetzij, voor de andere gevallen, de persoon die kan aantonen dat hij op een regelmatige wijze de btw aan de schatkist heeft betaald.
De administratie mag overeenkomstig artikel 1, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, echter in bepaalde gevallen van de hiervoor vastgestelde regels afwijken. Deze bepaling maakt het aldus mogelijk rekening te houden met bijzondere feitelijke omstandigheden om de teruggaaf aan andere personen toe te staan. Bijvoorbeeld aan een landbouwondernemer onderworpen aan de bijzondere landbouwregeling beoogd in het koninklijk besluit nr. 22 van 15.09.1970 met betrekking tot de biezondere regeling voor landbouwondernemers inzake belasting over de toegevoegde waarde.
Wanneer een verkoop wordt ontbonden in het voordeel van een derde die in de rechten van de verkoper werd gesubrogeerd, kan de belasting die van de verkoop werd geheven, worden teruggegeven alsof de verkoop ontbonden was op aanvraag van de verkoper. De financieringsmaatschappij die gesubrogeerd werd in de rechten van de verkoper of eventueel de verzekeringsmaatschappij die gesubrogeerd werd in de rechten van de verkoper of van de financieringsmaatschappij, wordt gemachtigd om in de plaats van de verkoper het recht op teruggaaf uit te oefenen.
In geval van geheel of gedeeltelijk verlies van de schuldvordering van de prijs kan de belasting eveneens tot het passende beloop worden teruggegeven aan de instelling die in de rechten van de verkoper werd gesubrogeerd. De teruggave ten voordele van een in de rechten van de verkoper gesubrogeerde derde wordt toegelicht in de aanschrijving nr. 20/1975 van 24.09.1975 en aanschrijving nr. 21/1975 van 24.09.1975.
De teruggaaf van de belasting mag tevens worden toegestaan aan degene die, handelend als borg voor de gefailleerde koper, aan de verkoper de verkoopprijs voor een levering van goederen en de erover berekende btw betaalt. In dit geval heeft er immers wettelijk een in de plaatsstelling plaats ten voordele van deze persoon in de rechten van de verkoper, ingevolge artikel 1251, 3°, van het Burgerlijk Wetboek. Om deze teruggave te bekomen moet de borg, overeenkomstig artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, een aanvraag tot teruggave indienen bij het hoofd van het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde (controlecentrum) waaronder hij ressorteert.
Dienaangaand wordt opgemerkt dat de borg, wanneer hij de schuldvordering geheel of ten dele lastens de failliete boedel kan recupereren, de btw met betrekking tot het gerecupereerde bedrag aan de staat moet terugstorten in de mate waarin zij initieel in aftrek werd gebracht (zie ook schriftelijke parlementaire vraag nr. 7 van de heer Volksvertegenwoordiger Vansteenkiste van 14.05.1974).
In de mate waarin kredietverzekeringsmaatschappijen volledig worden gesubrogeerd in de rechten van de verzekerden, in casu de belastingplichtige-schuldeisers, zelfs indien deze laatste slechts gedeeltelijk werden vergoed door genoemde maatschappijen, en dat deze volledige subrogatie voortvloeit uit de wet zelf (zie inzonderheid artikel 75 van de wet van 25.06.1992 op de landverzekeringsovereenkomst) of uit de contractuele bepalingen die de betrekkingen regelen tussen de kredietverzekeringsmaatschappijen en hun verzekerden, kunnen deze maatschappijen het recht op teruggaaf voorzien in artikel 77, § 1, 7°, van het Btw-Wetboek uitoefenen in de plaats van voornoemde verzekerden. Dit geldt uiteraard slechts voor zover de kredietverzekeringscontracten de belasting over de toegevoegde waarde niet uit hun toepassingsgebied uitsluiten. Indien evenwel enkel het bedrag van de schuldvorderingen exclusief btw het voorwerp uitmaakt van een waarborg tegen verliezen geleden ingevolge het onvermogen van klanten van de verzekerden, dan worden de kredietverzekeringsmaatschappijen slechts gesubrogeerd in de rechten van de verzekerden ten belope van het bedrag exclusief btw en zijn ze derhalve niet bevoegd om een recht op teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde uit te oefenen ten voordele van deze verzekerden (zie ook beslissing nr. E.T. 112.070 van 15.05.2007 en beslissing nr. E.T. 112.070/2 van 10.08.2007).
Inzake de overdracht van schuldvordering wordt de overnemer − meestal een factoringmaatschappij − eigenaar van de schuldvordering ingevolge de overdracht ervan die in de regel door endossement van de factuur wordt vastgesteld en zelfs tegen derden kan worden ingeroepen (zie artikel 13, eerste lid, en artikel 16, derde lid, van de wet van 31.03.1958). In die omstandigheden is het de overnemer van de schuldvordering die bij geheel of gedeeltelijk verlies van de vordering van de prijs krachtens artikel 77, § 1, 7°, van het Btw-Wetboek aanspraak kan maken op teruggaaf van de btw (beslissing nr. E.T. 56.795 van 04.12.1987).
4. Teruggaaf bedoeld in de artikels 77, § 1bis, en 77bis van het Btw-Wetboek
Krachtens artikel 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, wordt de teruggaaf van bij invoer betaalde belasting verleend aan degene die in het bezit is van een invoerdocument dat hem als geadresseerde aanwijst en dat de betaling van de belasting in zijnen hoofde vaststelt.
Voor de goederen ingevoerd met verlegging van de heffing naar het binnenland, is de rechthebbende de belastingplichtige die de wegens invoer verschuldigde belasting in rooster 57 van zijn periodieke btw-aangifte heeft opgenomen en die de belasting waarvan die aangifte de opeisbaarheid vaststelt, heeft voldaan.
Bij toepassing van het derde lid van artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 4,voornoemd, mag de administratie echter in bepaalde gevallen afwijken van deze regels. Die bepaling maakt het aldus mogelijk rekening te houden met bijzondere feitelijke omstandigheden om de teruggaaf aan andere personen toe te staan. Zo kan teruggaaf worden verleend aan de aangever die de btw heeft voldaan in naam en voor rekening van de geadresseerde, wanneer het invoerdocument dat aan de douane werd voorgelegd om de betaling van btw vast te stellen moet worden geannuleerd. Dat is onder meer het geval wanneer de ingevoerde goederen door de geadresseerde worden geweigerd en ze door de aangever naar een plaats buiten de Gemeenschap worden wederuitgevoerd, of nog, wanneer de aangever, voordat hij de gevalideerde aangifte ten verbruik aan de geadresseerde toezendt, vaststelt dat de aangifte fouten bevat en moet worden vervangen.
De hierboven geschetste situatie mag echter niet worden verward met deze waarin de aangever, na de bij invoer verschuldigde btw te hebben betaald voor rekening van een klant die failliet werd verklaard, nog steeds in het bezit is van het invoerdocument. In dat geval kan de aangever noch bij toepassing van artikel 77, § 1bis, van het Btw-Wetboek, noch bij toepassing van artikel 1, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, aanspraak maken op teruggaaf. Bijvoorbeeld wanneer de aangever in het bezit is van de gevalideerde invoeraangifte en de geadresseerde weigert (om welke reden ook) het (voorgeschoten) btw-bedrag te betalen aan de aangever.
Overeenkomstig de bepalingen van artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, wordt de teruggaaf bedoeld in artikel 77, § 1bis, van het Btw-Wetboek evenwel niet verleend wanneer ze betrekking heeft op de invoer van een goed dat geen bedrijfsmiddel is en de geadresseerde een belastingplichtige is die gehouden is de aangifte bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van voornoemd Wetboek in te dienen en die de bij de invoer voldane belasting volledig in aftrek kan brengen. Wanneer de bedoelde teruggaaf betrekking heeft op de invoer van een bedrijfsmiddel of van een ander goed waarvoor de bij de invoer voldane belasting slechts gedeeltelijk in aftrek kon worden gebracht, is de geadresseerde die de teruggaaf bekomt ertoe gehouden de belasting aan de staat terug te storten in de mate waarin hij ze oorspronkelijk in aftrek heeft gebracht. Die terugstorting vindt plaats door het bedrag ervan te begrijpen in het bedrag van de belasting dat is verschuldigd over het aangiftetijdvak waarin de teruggaaf wordt bekomen.
5. Teruggaaf bedoeld in artikel 77, § 2 van het Btw-Wetboek
De teruggaaf ingesteld bij artikel 77, § 2, van het Btw-Wetboek wordt verleend aan de invalide of gehandicapte die bij de verkrijging of bij de invoer van een auto voldoet aan alle voorwaarden gesteld om te kunnen genieten van het verlaagd btw-tarief, voorzien in tabel A, rubriek XXII, eerste afdeling, van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20.07.1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven.
Geen enkele bepaling maakt teruggaaf mogelijk van de btw geheven naar aanleiding van omvormingswerken aan een dergelijk voertuig.
Wanneer evenwel het voertuig, ingevolge het verkoopcontract, door de verkoper van de wagen of door een derde die handelt voor rekening van de verkoper wordt omgevormd, vormt de kostprijs van de omvorming een element van de prijs van de levering van het aangepaste voertuig en wordt zij als dusdanig belast. De belasting geheven op het gedeelte van de prijs dat overeenstemt met de waarde van de omvormingswerken kan dan op grond van voornoemd artikel 77, § 2, worden teruggegeven. Indien de omvormingswerken worden verricht voor rekening van de invalide, ingevolge een afzonderlijke overeenkomst - bijvoorbeeld door een derde of na de levering van het voertuig - is de btw verschuldigd zonder mogelijkheid tot teruggave (schriftelijke parlementaire vraag nr. 290 van de heer Volksvertegenwoordiger David Geerts van 11.01.2010).
[Top]
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.