Vruchtgebruik, Toevallige belastingplichtige, Recht op aftrek, Onroerend inkomen, Meerwaarde · Voorafgaande beslissingen

Naar de tekst
Juriel

2020.1337 23 juni 2020

Zoeken

Vruchtgebruik, Toevallige belastingplichtige, Recht op aftrek, Onroerend inkomen, MeerwaardeBtw - Vruchtgebruik - Toevallige belastingplichtige - Recht op aftrek - Onroerend inkomen - Meerwaarde - Art. 344, § 1, WIB 92

https://juriel.be/nl/rulings/2020-1337-vruchtgebruik-toevallige-belastingplichtige-recht-aftrek-c65c

Nummer
2020.1337
Datum
23 juni 2020

Over het document

Verzameling
Voorafgaande beslissingen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

104 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Voorafgaande beslissing nr. 2020.1337 d.d. 23.06.2020

Btw · Vruchtgebruik · Toevallige belastingplichtige · Recht op aftrek · Onroerend inkomen · Meerwaarde · Art. 344, § 1, WIB 92

Samenvatting

De eigenaars kunnen bij de vestiging van een vruchtgebruik op hun nieuwe hotelkamer opteren voor de toepassing van de btw. De door de eigenaar betaalde btw op zijn aankoop kan volledig in aftrek worden gebracht.

De vergoeding die de eigenaars ontvangen in ruil voor de vestiging van het vruchtgebruik op de hotelkamers geeft geen aanleiding tot het belasten van een onroerend inkomen in de zin van artikel 7 WIB 92.

Het gedeelte van de betalingen aan de eigenaars bij de betaling in schijven van de prijs voor het vruchtgebruik bovenop de betaling van het basisbedrag van schijven van de prijs kan niet worden beschouwd als een roerend inkomen in de zin van artikel 17 WIB 92.

De voorgenomen verrichting wordt verantwoord door andere motieven dan het ontwijken van inkomstenbelastingen in de zin van artikel 344, § 1, WIB 92.

I. Uit het door de DVB gedane onderzoek blijkt het volgende:

1. De aanvraag voldoet aan de voorwaarden van artikel 21 en 22 van de wet van 24 december 2002 tot wijziging van de vennootschapsregeling inzake inkomstenbelastingen en tot instelling van een systeem van voorafgaande beslissingen in fiscale zaken.

I.1. Inzake btw

A. Verkoop onder het stelsel van btw

1. Verkoop door X

2. De aanvraag heeft betrekking op het project ‘<…>’ en betreft het projectgebied gelegen te <…> (hierna: ‘de Site’).

3. De site werd opgedeeld in twee afzonderlijke delen, toebehorende aan twee onderscheiden vennootschappen die elk hun deel zullen realiseren en commercialiseren:

- Residentieel gedeelte: A nv zal als grondvennootschap een recht van opstal vestigen ten voordele van B bv. De realisatie van het residentieel vastgoed door A nv en B bv maakt echter geen deel uit van huidige rulingaanvraag. Deze vennootschappen zullen <…> ondergrondse parkeerplaatsen toewijzen aan het hotel maar in lijn met een consequente commercialisatie zal de grondprijs niet aan btw worden onderworpen.

- Hotel: op de grond waar X eigenaar van is, zal een complex worden opgericht dat zal bestaan uit <…> hotelkamers en <…> parkeerplaatsen, m.n. het <…> (hierna het Hotel). De aanvang van de bouwwerken is voorzien voor <…> en de verwachte opening van het hotel is voorzien voor het tweede kwartaal van <…>.

4. De voormelde vennootschappen zullen hun project afzonderlijk realiseren.

5. Voor het hotelproject zijn X en Z onafhankelijke partijen die op een louter contractuele basis samenwerken voor dit project. De principes van de samenwerking werden uiteengeschreven in <…>.

6. X en Z zijn onder andere overeengekomen om de verschillende te realiseren hotelkamers en parkeerplaatsen te verkopen aan individuele eigenaars (zowel natuurlijke personen als vennootschappen; hierna: ‘Eigenaar’ of ‘Eigenaars’).

7. De Eigenaars – i.e. eigenaars van een hotelkamer en/ of parkeerplaats (al dan niet aangekocht van X, respectievelijk A en B) – zullen daaropvolgend gehouden zijn om een vruchtgebruikovereenkomst aan te bieden aan Z, waarbij deze laatste een periodieke vergoeding gedurende de duur van het vruchtgebruik zal uitbetalen aan elke toekomstige Eigenaar.

8. Het volledige hotel zal na verkoop aan de Eigenaars onder de merknaam ‘<…>’ worden uitgebaat door Z. Dit zal gebeuren middels een franchiseovereenkomst die zal worden afgesloten tussen Z en <…>.

9. De eerste vraag is of het hotel als ‘nieuw’ te beschouwen is en de verkopen van de in dit gebouw gelegen hotelkamers (door X) onderworpen zijn aan btw.

10. Gezien de statutaire doelomschrijving van X, de grootte van het project en de onmiddellijke intentie van de bouwheer om de kamers te verkopen aan de Eigenaars, volgt de DVB de visie van de aanvrager dat X een btw-belastingplichtige is in de zin van artikel 12, §2 Wbtw.

11. Vermits het hotel van X nog nieuw moet worden gebouwd kan er geen twijfel bestaan over het feit dat de verkopen betrekking hebben op een nieuw gebouw in de zin van artikel 44, §3, 1° Wbtw. Dit ‘nieuwe’ karakter geldt wel slechts in de mate dat de verkopen plaats vinden uiterlijk op 31 december van het tweede jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of eerste inbezitname. Als er binnen deze termijn wordt gehandeld spreken we over verkopen van een ‘nieuw’ gebouw door een btw-belastingplichtige. Overeenkomstig artikel 44, §3, 1°, a), tweede lid, eerste gedachtestreepje Wbtw, zijn de verkopen van de nieuwe hotelkamers door X aan de Eigenaars dan ook voor het geheel, inclusief het daarbij horend aandeel in de gemeenschappelijke delen en het grondaandeel, onderworpen aan het regime van de btw tegen het standaard tarief van 21%.

2. Verkoop door B

12. Het huidige hotelproject is vergund voor <…> parkeerplaatsen, doch Z verwacht dat zij <…> parkeerplaatsen nodig zal hebben voor een goeie exploitatie van het hotel. Om die reden zullen hoogstwaarschijnlijk <…> parkeerplaatsen worden gerealiseerd en aangeboden door A en B die deze parkings zullen commercialiseren op dezelfde manier als zij zullen doen voor het hele residentieel gedeelte op de andere site, i.e. grondaandeel en parking worden afzonderlijk overgedragen aan de Eigenaar die vervolgens op het geheel een vruchtgebruik zal vestigen ten voordele van Z. Op die manier kan Z een totaal van <…> parkeerplaatsen aanbieden aan haar gasten.

13. Voor de <…> parkeerplaatsen die door A en B worden opgericht en gecommercialiseerd, zullen de grondaandelen met betrekking tot de parkeerplaatsen - bezwaard met een opstalrecht - aan de Eigenaars worden verkocht door A (de grondvennootschap). Conform de Beslissing nr. E.T. 119.318 d.d. 28 oktober 2010, zullen deze verkopen vrijgesteld zijn van btw overeenkomstig artikel 44, § 3, 1°, a) Wbtw.

14. De verkoop van het aandeel in de constructie van de parkeerplaatsen door B aan de Eigenaars dient op basis van dezelfde redenering als voor de verkoop van de hotelkamers (door X) te worden overgedragen met toepassing van de btw:

- De parkeerplaatsen vormen een onderdeel van een door B op te richten nieuwbouw. De verkopen van de parkeerplaatsen aan de Eigenaars zullen derhalve steeds betrekking hebben op nieuwe gebouwen in de zin van artikel 44, §3, 1° Wbtw, i.e. voorafgaand aan enige ingebruikneming van de parkeerplaatsen door Z dan wel uiterlijk op 31 december van het tweede jaar volgend op de eerste ingebruikneming van het hotel door Z; en

- B kwalificeert als een btw-belastingplichtige in de zin van artikel 12, § 2 van het btw-wetboek gezien de omvang van het project en de intentie tot onmiddellijke verkoop van de parkeerplaatsen.

15. Rekening houdend met het voorgaande, zal de verkoop van de parkeerplaatsen door B aan de Eigenaars onderworpen zijn aan het normaal btw-tarief van 21%, daar waar de verkoop van de grondaandelen door A aan de Eigenaars niet is onderworpen aan btw.

B. Belastingregime op vestiging van vruchtgebruik en mogelijkheid tot btw-aftrek in hoofde van overdrager

Toepassing btw op vestiging vruchtgebruik

16. Onmiddellijk na de aankoop door een Eigenaar vestigt deze laatste op zijn beurt een vruchtgebruik op de aangekochte nieuwe hotelkamer(s) en de daaraan verbonden gemeenschappelijke delen en grondaandelen en/of parkeerplaatsen ten voordele van Z.

17. De Eigenaars wensen te opteren voor de toepassing van de btw op de vestiging van het vruchtgebruik (stelsel van de optionele btw-belastingplicht).

18. Overeenkomstig artikel 9, lid 2, 2° Wbtw worden de andere zakelijke rechten dan het eigendomsrecht die aan de rechthebbende de bevoegdheid verschaffen om een onroerend goed te gebruiken, als lichamelijke goederen beschouwd. Dit artikel bedoelt onder meer het zakelijk recht van vruchtgebruik.

19. De vestiging van een recht van vruchtgebruik op een onroerend goed moet bijgevolg voor btw-doeleinden als een levering van een goed worden beschouwd. Vermits dergelijke levering betrekking heeft op een onroerend goed, is deze in principe vrijgesteld van btw (artikel 44, §3, 1°, b), lid 1 Wbtw).

20. Overeenkomstig artikel 44, § 3, 1°, b), lid 2 Wbtw wordt de vestiging, overdracht of wederoverdracht van een zakelijk recht in de zin van artikel 9, lid 2, 2° Wbtw op gebouwen, gedeelten van gebouwen en het bijhorende terrein, echter uitgesloten van de vrijstelling, wanneer zij worden verricht uiterlijk op 31 december van het tweede jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van voornoemde goederen bedoeld in artikel 1, § 9, 1° Wbtw, door de in artikel 8, §§ 2 of 3 Wbtw, beoogde belastingplichtige.

21. Overeenkomstig artikel 8, § 2, Wbtw heeft eenieder die, anders dan in de uitoefening van een economische activiteit, een goed bedoeld in artikel 1, § 9, 1°, heeft opgericht, heeft laten oprichten of met voldoening van de belasting heeft verkregen en waarop hij, vóór het verstrijken van de in paragraaf 1 van artikel 8 Wbtw bepaalde termijn, onder bezwarende titel een zakelijk recht vestigt in de zin van artikel 9, lid 2, 2° Wbtw, ten aanzien van deze vestiging de hoedanigheid van belastingplichtige wanneer hij op de door de Koning te bepalen wijze kennis heeft gegeven van zijn bedoeling de vestiging van dit zakelijk recht te doen met voldoening van de belasting.

22. De aanvrager bevestigt dat de overdracht van het vruchtgebruik met betrekking tot de hotelkamer door de Eigenaar aan Z zal plaatsvinden op uiterlijk 31 december van het tweede jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van de hotelkamer.

23. De aanvrager bevestigt dat de Eigenaar op afdoende wijze overeenkomstig artikel 1 van KB nr. 14 van 3 juni 1970 de fiscale administratie en Z op de hoogte zal brengen dat hij het voornemen heeft om het vruchtgebruik op de hotelkamer over te dragen met toepassing van de btw.

24. Op basis van het voorgaande en mits vervulling van de door KB nr. 14 van 3 juni 1970 opgelegde voorwaarden en formaliteiten kan de DVB bevestigen dat bij de vestiging van het vruchtgebruik door de Eigenaar aan Z, deze Eigenaar kan opteren voor het statuut van toevallige belastingplichtige en deze vestiging kan laten plaatsvinden onder de toepassing van de btw.

C. Mogelijkheid tot btw-aftrek in hoofde van Eigenaar

25. Overeenkomstig artikel 4 van KB nr. 14 van 3 juni 1970 kan de toevallige belastingplichtige (zoals bedoeld in artikel 1 van dat KB) van de verschuldigde belasting over de in dat artikel bedoelde handelingen in aftrek brengen, de belasting geheven van handelingen omschreven in artikel 9, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 3 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, evenals de belasting geheven van de goederen en diensten die rechtstreeks samenhangen met deze handeling.

26. In verband met de bepaling van het recht op aftrek van de voorbelasting bij vestiging van een zakelijk recht op een gebouw met toepassing van de btw is de aftrek van de in het vorige lid bepaalde voorbelasting slechts volledig wanneer de verkoopprijs van het zakelijk recht de oprichtingsprijs van het gebouw benadert (Parl. Vr. nr. 710 de Clippele dd. 22.09.1993 en btw-handleiding versie 2015 nr. 161, c), 2de streepje).

27. Met het bijhorend terrein, zelfs indien het aan de btw is onderworpen, dient geen rekening te worden gehouden bij de berekening van het aftrekpercentage. Met andere woorden volstaat het om enerzijds de gevraagde prijs voor het zakelijk recht, waarbij geen rekening wordt gehouden met de waarde van het terrein, en anderzijds de prijs voor de oprichting of aankoop van het gebouw, met uitzondering van de prijs voor de verwerving van het terrein, met elkaar te vergelijken.

28. De volledige aftrek van de btw geheven van de oprichtingskosten of de aankoopprijs van het gebouw wordt aanvaard:

– indien de prijs gevraagd voor de vestiging van het zakelijk recht op een gebouw of een gedeelte ervan ten minste 95% bedraagt van de oprichtingsprijs (of de aankoopprijs) in volle eigendom, in voorkomend geval daaronder begrepen de verkoopwaarde van de bestaande gebouwen en de kostprijs van de eventuele afbraak ervan maar met uitzondering van de aankoopprijs van het terrein, indien het recht gevestigd is voor een periode die minder dan 10 jaar bedraagt,

– indien de gevraagde prijs ten minste 97,5% bedraagt van de oprichtingsprijs (of de aankoopprijs) in volle eigendom, in voorkomend geval daaronder begrepen de verkoopwaarde van de bestaande gebouwen en de kostprijs van de eventuele afbraak ervan maar met uitzondering van de aankoopprijs van het terrein, indien het recht gevestigd is voor een periode die 10 jaar of meer bedraagt.

29. Wanneer de verkoopprijs van het zakelijk recht de bovengenoemde grenzen niet bereikt, zal de aftrek van de voorbelasting worden bepaald in functie van de verhouding van de verkoopprijs van het zakelijk recht tot de oprichtings- of aankoopprijs van het betreffende gebouw in volle eigendom.

30. In dit kader wordt nog benadrukt dat enkel rekening kan gehouden worden met de vergoedingen die onherroepelijk verschuldigd zijn door de verkrijger van dit zakelijk recht (men houdt bijvoorbeeld geen rekening met indexatie clausules, vermits de juiste bedragen of de toepassing ervan op het moment van de contractsluiting nog niet zeker vaststaan).

31. Bovendien moeten contractuele clausules, waarbij de partijen dit recht vroegtijdig kunnen beëindigen, uitgesloten worden. Dergelijke clausules zouden immers tot gevolg hebben dat de uiteindelijk verkregen tegenprestatie niet de vooropgestelde 97,5% zou bereiken die een volledig recht op aftrek verantwoordt.

32. De respectievelijke Eigenaars zullen ten voordele van Z een recht van vruchtgebruik vestigen voor een duurtijd van <…> jaar, waarvoor deze Eigenaars zullen opteren voor de toepassing van de btw.

33. De duur van deze overeenkomst kan niet worden gewijzigd noch kan er vroegtijdig worden opgezegd door de blote eigenaar of de vruchtgebruiker. Dit wordt uitdrukkelijk opgenomen in het door de aanvrager voorgelegde model van vruchtgebruikovereenkomst, meer bepaald in artikel 23.

34. De btw zal verschuldigd zijn over het totaal aan periodieke vergoedingen die over de duurtijd van het vruchtgebruik op de kamers (inclusief de bijhorende gemeenschappelijke delen en de grondaandelen) alsook de eventueel daarbij aangekochte parkeerplaatsen door Z verschuldigd zullen zijn aan de Eigenaar. De btw over die vergoedingen zal de Eigenaar geheel en onmiddellijk (binnen de maand na de start van het vruchtgebruik – cf. KB 14) voldoen middels opname ervan in de bijzondere btw-aangifte nr. 104(5) en betaling van het eventueel batige saldo na compensatie met de aftrek.

35. De contante waarde van het vruchtgebruik is normaal gelijk aan het bedrag van de periodieke vergoeding vermenigvuldigd met de duur van het zakelijk recht. Dit product moet vervolgens worden afgezet tegen de verkoopprijs exclusief btw en exclusief het grondaandeel. Dit laatste, het ‘uitzuiveren’ van het grondaandeel, heeft in casu geen reële impact vermits zowel de verkoop (<…>% grondaandeel) als de vestiging van het vruchtgebruik integraal met btw dient te gebeuren (behoudens voor de parkeerplaatsen verkocht door B).

36. De aanvrager brengt ten exemplatieve titel de cijfers naar voor van de verkoop van een kamer type A van het Hotel (exclusief het terrein) (in bijlage 7 van de aanvraag is tevens een algemeen overzicht opgenomen) waarbij er:

enerzijds sprake is van een marktconforme prijs van <…> euro voor de aankoop van de hotelkamer type A in het Hotel waarin de prijs voor de constructies (deze bedragen <…>% van de volle eigendom grond en gebouw) <…> euro (excl. btw) bedraagt; en

anderzijds sprake is van een gevraagde prijs voor het zakelijk recht die de Eigenaar in casu zal verkrijgen van Z voor het toegekende vruchtgebruik op een hotelkamer (excl. btw) ad <…> euro (i.e. <…> euro of een gemiddelde jaarlijkse vergoeding van <…> euro, te verminderen met de prijs voor de verwerving van het grondaandeel (<…>%)).

De wedersamenstelling bedraagt in casu <…>% voor wat betreft een kamer type A in het project. Ook voor de andere types kamers en de parkeerplaatsen verkocht door B blijkt een voldoende wedersamenstelling om 100% btw-aftrek te kunnen uitoefenen.

37. Ten titel van volledigheid wijst de aanvrager er nogmaals op dat het vruchtgebruik gesloten wordt voor een onopzegbare periode van <…> jaar en dat voor de berekening van de 97,5%-grens alleen rekening wordt gehouden met de nominale, niet-geïndexeerde bedragen (ondanks indexatie – artikel 5.1.1. vruchtgebruikovereenkomst) die onherroepelijk verschuldigd zijn door de vruchtgebruiker én niet met de eventuele winstdeling.

38. Rekening houdend met deze door de aanvrager naar voor gebrachte gegevens, kunnen we de visie van de aanvrager bijtreden dat de vergoeding voor het vruchtgebruik de door de individuele Eigenaar betaalde prijs benadert op een manier dat deze de door hem betaalde btw op zijn aankoop overeenkomstig artikel 45, §1, 1° W.Btw volledig in aftrek kan brengen.

D. De kwalificatie van de geleverde diensten en mogelijkheid tot aftrek in hoofde van Z

39. De toepassing van de artikelen 18, §1, tweede lid, 10° en 44, §3, 2°, a), derde streepje Wbtw vereisen het bestaan van een exploitatie van een hotel of van een ermee gelijkgestelde inrichting. De exploitatie van een hotel wordt gekenmerkt door een permanente organisatie die mensen en materieel omvat en die het mogelijk maakt om aan gasten, aan wie onderdak wordt verschaft, diensten te verlenen zoals de ontvangst van reizigers, het te hunner beschikking stellen van een gemeubelde kamer, het onderhoud en het schoonmaken van de kamers, met inbegrip van het verschaffen van huishoudelijk linnengoed (beddenlakens, dekens, handdoeken, enz.) en, eventueel, het verschaffen van het ontbijt.

40. Het is niet noodzakelijk dat alle voormelde diensten worden verricht. Het volstaat dat bepaalde van deze diensten geregeld worden verleend aan degenen die hun intrek nemen in de inrichting.

41. Om evenwel toepassing te kunnen maken van artikel 18, §1, tweede lid, 10° Wbtw is vereist dat in ieder geval gemeubelde logies worden verschaft. Bovendien, is de btw niettemin verschuldigd overeenkomstig artikel 18, §1, tweede lid, 10° Wbtw wanneer een reiziger of ieder ander persoon maaltijden gebruikt in een hotelinrichting zonder dat hij er logeert.

42. De diensten die Z zal verstrekken ten voordele van haar hotelgasten zullen voldoen aan de voorwaarden die in de onder dit luik vermelde wettelijke regels en administratieve interpretaties bepaald zijn. Immers, Z zal minstens volgende diensten aan haar hotelgasten aanbieden:

- het ter beschikking stellen van ingerichte hotelkamers (de hotelkamers worden, in de staat waarin ze zich bevinden ten tijde van de aankoop, in vruchtgebruik gegeven);

- het voorzien van noodzakelijk personeel dat instaat voor het ontvangen van de hotelgasten/ het verzorgen van een receptie;

- het regulier schoonmaken van de hotelkamers;

- het verschaffen en verversen van huishoudelijk bedlinnen (om de twee dagen of bij vertrek) en badhanddoeken (elke dag);

- het verschaffen van een ontbijt in de ontbijtruimte van het hotel;

- het aanbieden van snacks en drankjes in de bar (24/7); en,

- het herstellen van eventuele schade aangebracht door de hotelgasten aan het hotel.

43. Voormelde diensten zullen aldus, overeenkomstig artikel 18, §1, tweede lid, 10° Wbtw, btw-belast zijn, waardoor Z overeenkomstig artikel 45, §1, 1° Wbtw een recht op aftrek zal hebben van de btw over alle kosten die verband houden met deze diensten (o.a. btw over het vruchtgebruik verleend door de Eigenaars).

I.2. Inzake inkomstenbelastingen

A. Onroerend inkomen

44. Artikel 7, § 1, 3°, WIB 92 stelt belastbaar als onroerend inkomen de bedragen verkregen bij vestiging of overdracht van een recht van erfpacht of van opstal of van gelijkaardige onroerende rechten.

45. Overeenkomstig artikel 10, § 1, eerste lid, WIB 92 omvatten de bedragen verkregen bij de vestiging of overdracht van een recht van erfpacht of van opstal of van gelijkaardige onroerende rechten, de erfpacht- of opstalvergoeding en alle andere voordelen verkregen door de overdrager.

46. Met de woorden "gelijkaardige onroerende rechten" beoogde de wetgever de gebruiksrechten op lange termijn op onroerende goederen (zie Kamer, zitting 1983-1984, stuk 758/1, p. 8).

47. In antwoord op de parlementaire vraag nr. 21 van de heer De Clippele van 17 juni 1988 (Bull. nr. 677, p. 1934), tevens bevestigd in circulaire nr. Ci.RH.221/399.733 van 27 september 1988, wordt gesteld dat het vruchtgebruik niet wordt beoogd in artikel 7, § 1, 3°, WIB 92 en dat de bedragen verkregen uit hoofde van de vestiging of de overdracht van een recht van vruchtgebruik met betrekking tot een in België of in het buitenland gelegen onroerend goed geen inkomsten uit onroerende goederen zijn.

48. De periodieke vergoedingen die de Eigenaars in ruil voor de vestiging van een recht van vruchtgebruik op de hotelkamers en de daaraan verbonden gemeenschappelijke delen en grondaandelen en/of parkeerplaatsen van Z ontvangen zijn bijgevolg niet belastbaar als onroerend inkomen.

B. Roerend inkomen (artikel 17 WIB 92)

49. De vestiging van het vruchtgebruik gebeurt tegen periodieke vergoedingen aan de Eigenaars.

50. Artikel 17 WIB 92 stelt:

“§ 1. Inkomsten uit roerende goederen en kapitalen zijn alle opbrengsten van roerend vermogen aangewend uit welken hoofde ook, namelijk:

1° dividenden;

2° interest;

3° inkomsten van verhuring, verpachting, gebruik en concessie van roerende goederen;

4° inkomsten die begrepen zijn in lijfrenten of tijdelijke renten die geen pensioenen zijn en na 1 januari 1962 onder bezwarende titel zijn aangelegd ten laste van enige rechtspersoon of onderneming. De lijfrenten die zijn aangelegd tegen storting met afstand van een kapitaal dat is gevormd, ofwel, met bijdragen of premies als bedoeld in artikel 34, § 1, 2°, ofwel, in het kader van een aanvullend pensioen voor zelfstandigen als bedoeld in artikel 34, § 1, 2°bis, zijn geen pensioenen;

5° de inkomsten verkregen uit de cessie of de concessie van auteursrechten en naburige rechten, alsook van de wettelijke en verplichte licenties, bedoeld in de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten of in overeenkomstige bepalingen in het buitenlands recht.

§ 2. Wanneer het bedrag van de inkomsten in vreemde valuta is bepaald, wordt het in EUR omgezet naar de wisselkoers bij de betaling of de toekenning van die inkomsten.”

51. De uitdrukking "aangewend uit welken hoofde ook", houdt in dat de opbrengsten die moeten worden belast, het voorwerp moeten zijn van een overeenkomst over de beschikking van het roerend goed. Die inkomsten zijn derhalve de door de schuldenaar betaalde prijs voor het genot van het kapitaal, zoals is overeengekomen met degene die het kapitaal heeft belegd of geïnvesteerd (Kamer, gewone zitting 1998-1999, Vers.Com.Fin., Stuk1608/8, blz. 5) (Com.IB nr. 17/1.1).

52. Gezien de overeenkomst met betrekking tot de vestiging van vruchtgebruik geen overeenkomst betreft over de beschikking van een roerend goed, kan de prijsverhoging vertegenwoordigd door het bedrag dat op grond van de indexering aan het basisbedrag wordt toegevoegd niet worden beschouwd als een roerend inkomen in de zin van artikel 17 WIB 92.

C. Antimisbruik

53. Uit de aanvraag blijkt dat de voorgenomen verrichting wordt verantwoord door het feit dat de partijen, meer bepaald de Eigenaars en Z, niet onder de toepassing van de handelshuurwet wensen te vallen omwille van de ongewenste gevolgen die het afsluiten van een handelshuurovereenkomst met zich brengt (meer in het bijzonder de onzekerheid die zou ontstaan met betrekking tot de vooropgestelde vaste duurtijd van 25 jaar zonder mogelijkheid tot opzegging of verlenging).

54. Verder wensen de Eigenaars gedurende de duur van de overeenkomst met Z geen verplichting tot onderhoud of herstellingen op zich te nemen waartoe zij ingevolge artikel 1720, tweede lid, B.W. als eigenaar zouden kunnen worden verplicht.

55. Uit het voorgaande volgt dat de voorgenomen verrichting wordt verantwoord door andere motieven dan het ontwijken van inkomstenbelastingen in de zin van artikel 344, § 1, WIB 92. De geplande verrichting is ingegeven door andere dan fiscale motieven.

Aangehaalde teksten

4
KB nr. 14 art. 11 voorkomen
KB nr. 14 art. 41 voorkomen
KB nr. 3 art. 91 voorkomen
WBTW art. 121 voorkomen