Zwijgrecht, vraag om inlichtingen, termijnen, bewijswaarde proces-verbaal, dwangbevel, geldboete · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brugge 14/1608/A 1 juni 2015

Zoeken

Zwijgrecht, vraag om inlichtingen, termijnen, bewijswaarde proces-verbaal, dwangbevel, geldboete

https://juriel.be/nl/rechtspraak/zwijgrecht-inlichtingen-termijnen-bewijswaarde-proces-rechtbank-brugge-2015-06-01-f25a

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brugge
Rolnummer
14/1608/A
Datum
1 juni 2015

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

95 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Brugge dd. 01.06.2015 (14/1608/A)

Belasting over de toegevoegde waarde - Zwijgrecht - vraag om inlichtingen - termijnen - bewijswaarde proces-verbaal - dwangbevel - geldboete - verjaring

Wettelijke bepalingen

Art. 61, e.v. WBTW,

Art. 59 § 1 WBTW en

Art. 81bis § 1 WBTW

Samenvatting

Op 15 december 2010, 20 april en 8 december 2011 ontvangt de belastingplichtige, per gewone post en aangetekend, drie maal een vraag om inlichtingen. De termijn om de gegevens over te maken bedraagt telkens 20 dagen. De belastingplichtige reageert niet en de aangetekende zending wordt niet opgehaald. De overtredingen en boetes worden telkens in een proces-verbaal opgenomen en op basis van die gegevens worden in 2014 drie dwangbevelen geviseerd, uitvoerbaar verklaard en aan de belastingplichtige betekend.

Iedere btw-belastingplichtige is wettelijk verplicht mee te werken aan het onderzoek naar zijn fiscale toestand (art. 61 WBTW). Het zwijgrecht houdt in dat een persoon niet kan verplicht worden zichzelf te beschuldigen. De voorlegging van door de wet verplicht bij te houden boeken en documenten valt niet onder het zwijgrecht.

Daar de oorzaak van de opeisbaarheid van de geldboeten in dit geval het verstrijken van de antwoordtermijn van 20 dagen is, en in dit geval dus 5 januari 2011 voor de eerste termijn is , oordeelt de rechter dat conform art. 81bis WBTW de verjaring ten vroegste intreedt op 31 december 2014. Voor deze datum werd reeds een dwangbevel uitgevaardigd en aan de belastingplichtige betekend.

Het proces-verbaal opgesteld door de bevoegde ambtenaar is bewijskrachtig tot het bewijs van het tegendeel. De eenvoudige bewering van belastingplichtige zich niet te kunnen herinneren de brieven te hebben ontvangen, voldoet totaal niet als tegenbewijs.

Het opleggen van geldboeten is in deze zaak verantwoord en niet onevenredig met de inbreuken. Evenmin is het “non bis in idem” beginsel van toepassing. De belastingplichtige heeft 3 verschillende malen niet geantwoord op vragen om inlichtingen. Hij heeft niet 3 boetes opgelegd gekregen om eenmaal een vraag niet te beantwoorden.

Opmerking:

Gunstig

Hoger beroep door de tegenpartij

Volledige tekst:

Tekst van de beslissing

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg, West-Vlaanderen

dd. 01.06.2015

rolnr: 14/1608/A

Voornoemde rechtbank heeft het hiernavolgend vonnis verleend:

D.D., wonende te…, KBO …

eiser

voor wie is opgetreden meester J.V., advocaat te B.

TEGEN

DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, sector btw, vertegenwoordigd door de heer D.S., Adviseur - Gewestelijk Directeur a.i. te Brugge met kantoor te 8000 Brugge, G. Vincke-Dujardinstraat 4 in de persoon van de Adviseur - de ontvanger van het btw - ontvangkantoor te 8000 Brugge, G. Vincke-Dujardinstraat 4

verweerder

voor wie is opgetreden mevrouw M.S. ,e.a. inspecteur bij een fiscaal bestuur. P- .


I. RECHTSPLEGING

Gelet op het verzoekschrift d.d. 11 juni 2014 .

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overlegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting van 4 mei 201 5 .

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

II. BIJZONDERSTE GEGEVENSVAN DE ZAAK

1.Eiser is zaakvoerder van BVBA A.S. met maatschappelijke zetel te…. Deze vennootschap is geregistreerd als BTW-belastingplichtige onder het BTW-nummer BE … voor de economische activiteit van onder meer schilderen van gebouwen . Eiser zelf is voor zijn economische activiteit van schilder - behanger als BTW-belastingplichtige geregistreerd onder BTW-nummer….

Door Marc Deschoenmaeker , financieel assistent bij de administratie van de BTW en verbonden aan het derde controlekantoor BTW te Brugge , wordt tweemaal een controle aangekondigd op de maatschappelijke zetel van BVBA A.S., maar telkens stond de ambtenaar voor een gesloten deur. Met een schrijven d.d. 15 december 2010 ( per gewone post en aangetekend ) wordt een vraag om inlichtingen verzonden aan eiser . Er wordt gevraagd of hij nog zaakvoerder is van de vennootschap, of hij facturen uitschrijft aan of ontvangt van de vennootschap , of de vennootschap nog activiteiten heeft en waar deze gebeuren , door wie de boekhouding van de vennootschap wordt gehouden en waar deze boekhouding zich bevindt en er wordt een kopie gevraagd van de laatste statutaire wijziqinqen en/of beslissingen van de algemene vergadering . Tevens wordt gevraagd het nodige te doen zodat inzage genomen kan worden van de boekhouding. De termijn om de gegevens over te maken en een afspraak te maken voor de inzage van de boekhouding bedraagt 20 dagen. De aangetekende zending wordt niet afgehaald en door eiser wordt niet gereageerd. Op 24 maart 2011 worden de overtredingen en vaststellingen opgenomen in een proces-verbaal door vermelde ambtenaar . Volgens het proces-verbaal is eiser verschuldigd een boete van 2.500,00 EUR wegens het weigeren om inlichtingen te verschaffen. Op 7 maart 2014 wordt op basis van het proces-verbaal door de bevoegde ambtenaar van het BTW-ontvangkantoor te Brugge een dwangbevel uitgevaardigd. Voormeld dwangbevel werd op 11 maart 2014 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door P. B. , adviseur - e.a. inspecteur te Brugge.

Met een schrijven d.d. 20 april 2011 ( per gewone post en aangetekend) wordt een vraag om inlichtingen verzonden aan eiser. Er wordt gevraagd of hij nog zaakvoerder is van de vennootschap, of hij facturen uitschrijft aan of ontvangt van de vennootschap , of de vennootschap nog activiteiten heeft en waar deze gebeuren , door wie de boekhouding van de vennootschap wordt gehouden en waar deze boekhouding zich bevindt en er wordt een kopie gevraagd van de laatste statutaire wijzigingen en/of beslissingen van de algemene vergadering. Tevens wordt gevraagd het nodige te doen zodat inzage genomen kan worden van de boekhouding . De aangetekende zending wordt niet afgehaald en door eiser wordt niet gereageerd. Op 15 juli 2011 worden de overtredingen en vaststellingen opgenomen in een proces-verbaal door vermelde ambtenaar . Volgens het proces-verbaal is eiser verschuldigd een boete van 2.500,00 EUR wegens het weigeren om inlichtingen te verschaffen . Op 7 maart 2014 wordt op basis van het proces-verbaal door de bevoegde ambtenaar van het BTW-ontvangkantoor te Brugge een dwangbevel uitgevaardigd. Voormeld dwangbevel werd op 11 maart 2014 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door P. B. , adviseur - e.a. inspecteur te Brugge.

Met een schrijven d.d. 8 december 2011 ( per gewone post en aangetekend) wordt een vraag om inlichtingen verzonden aan eiser. Er wordt gevraagd of hij nog zaakvoerder is van de vennootschap , of hij facturen uitschrijft aan of ontvangt van de vennootschap , of de vennootschap nog activiteiten heeft en waar deze gebeuren, door wie de boekhouding van de vennootschap wordt gehouden en waar deze boekhouding zich bevindt en er wordt een kopie gevraagd van de laatste statutaire wijzigingen en/of beslissingen van de algemene vergadering. Tevens wordt gevraagd het nodige te doen zodat inzage genomen kan worden van de boekhouding . De aangetekende zending wordt niet afgehaald en door eiser wordt niet gereageerd . Op 24 februari 2012 worden de overtredingen en vaststellingen opgenomen in een proces-verbaal door vermelde ambtenaar. Volgens het proces-verbaal is eiser verschuldigd een boete van 2.500,00 EUR wegens het weigeren om inlichtingen te verschaffen . Op 7 maart 2014 wordt op basis van het proces-verbaal door de bevoegde ambtenaar van het BTW-ontvangkantoor te Brugge een dwangbevel uitgevaardigd. Voormeld dwangbevel werd op 13 maart 2014 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door L. S. , adviseur - e.a. inspecteur te.Brugge.

De 3 dwangbevelen worden op 11 april 2014 betekend aan eiser.

Op 11 juni 2014 heeft eiser een fiscaal verzoekschrift neergelegd ter griffie.

1.Eiser vraagt dat:

- de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;

- de bestreden dwangbevelen worden vernietigd , minstens onontvankelijk dan wel ongegrond worden verklaard;

- ondergeschikt de geldboeten worden herleid tot 1 geldboete en het bedrag wordt beperkt tot het minimum en uitstel wordt verleend van tenuitvoerlegging;

- verweerder wordt veroordeeld tot alle kosten van het geding , met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding t.b.v.. 1.320,00 EUR;

- het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard niettegenstaande elk verhaal zonder borgstelling en met uitsluiting van kantonnement.

3. Verweerder vraagt dat de eis ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard.

III. BEOORDELING

A. Betreffende de ontvankelijkheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden.

Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen , vaststelt, is de eis toelaatbaar.

B. Betreffende de grond

1. strafrechtelijk karakter van de geldboeten

Een geldboete van 2.500 EUR heeft een repressief karakter, wat niet betwist wordt door verweerder. Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel mochten de rechtbanken het recht ontzegd worden om op de betwiste administratieve beslissing om een dergelijke geldboete op te leggen , een toetsing met volle rechtsmacht uit te oefenen . Een toetsing met volle rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen , waaronder het evenredigheidsbeginsel , eerbiedigt (Arbitragehof 24 februari 1999 , rolnr. 1279 , arrest nr. 22/99) .

Dat kan alleen in die zin begrepen worden dat de rechtbank ( onder andere) de macht heeft om na te gaan of de concrete administratieve boete al dan niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten waaraan de belastingplichtige zich bezondigd heeft . Een dergelijke toetsing brengt nog niet noodzakelijk met zich dat de rechtbank de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid, zou bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid.

2. zwijgrecht

Ten onrechte stelt eiser het zwijgrecht werd geschonden.

Het zwijgrecht houdt in dat een persoon niet kan verplicht worden om zichzelf te

beschuldigen.

Iedere BTW-belastingplichtige is wettelijk verplicht ( artikelen 61 e.v. W.BTW) mee te werken aan het onderzoek naar zijn fiscale toestand , Slechts in bepaalde gevallen heeft de belastingplichtige het recht om niet in te gaan op verzoeken tot medewerking die uitgaan van de fiscale administratie.

In de vragen om inlichtingen wordt aan eiser o.a. gevraagd bepaalde stukken te bezorgen en wordt gevraagd het mogelijk te maken de boekhouding in te zien . De rechtbank is van oordeel dat eiser zich niet kan beroepen op het zwijgrecht wanneer hem gevraagd wordt documenten voor te leggen die onbetwistbaar bestaan ongeacht de houding van eiser en die er op gericht zijn de belastingheffing mogelijk te maken . Ook de verplichting tot het voorleggen van de door de wet verplicht bij te houden boeken en documenten valt niet onder het zwijgrecht.

3. verjaring

Conform artikel 81 WBTW begint de vordering tot voldoening van de belasting , van de intresten en van de administratieve geldboeten te verjaren vanaf de dag van deze vordering.

Conform artikel 81 bis §1 WBTW is er verjaring voor de vordering tot voldoening van de belasting, van de intresten en van de administratieve geldboete, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van de opeisbaarheid van die belasting , intresten en de administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan.

De oorzaak van de opeisbaarheid van de geldboete is in dit geval het verstrijken van de antwoordtermijn op de vraag om inlichtingen zonder de gevraagde inlichtingen te hebben meegedeeld. De datum van de oorzaak van de eerste geldboete was dus niet 15 december 2010. Eiser heeft pas een inbreuk begaan bij het verstrijken van de antwoordtermijn voor de vraag om inlichtingen. Deze antwoordtermijn bedroeg 20 dagen en was dus pas verstreken op 5 januari 2011. De verjaring van de vordering trad dus pas in op 31 december 2014, maar vóór deze datum werd een dwangbevel uitgevaardigd en aan eiser betekend.

In het proces-verbaal d.d. 24 maart 2011 wordt verwezen naar de artikelen 62' en 70 §4 WBTW en naar het feit dat aan eiser met een schrijven van 15 december 2010 ( per gewone post en aangetekend) gevraagd werd om bepaalde inlichtingen en stukken mee te delen .

Dit schrijven werd gericht aan eiser en eiser wordt geacht de inhoud van dit schrijven te kennen . Het proces-verbaal is dan ook afdoende gemotiveerd . De administratie kan niet verplicht worden om uitdrukkelijk de datum van verjaring van de vordering te vermelden in het proces-verbaal . De oorzaak van de opeisbaarheid van de geldboete kon daarenboven onmogelijk 1S december 2010 zijn, want eiser werd pas op 1S december 2010 verzocht inlichtingen en stukken mee te delen.

4. bewijswaarde processen-verbaal

Artikel S9 § 1 laatste alinea WBTW bepaalt dat het proces-verbaal opgesteld door de bevoegde ambtenaar bewijskrachtig is tot het bewijs van het tegendeel. Deze bewijskracht is beperkt tot de materiële vaststellingen door deze ambtenaar gedaan in vervulling van zijn opdracht en strekt zich niet uit tot de deducties die de ambtenaar uit zijn vaststellingen doet.

In de processen-verbaal d.d. 24 maart 2011 , 15 juli 2011 en 24 februari 2012 is telkens opgenomen dat aan eiser per aangetekend schrijven en per gewone post inlichtingen en stukken werden gevraagd. Tevens is telkens opgenomen dat de aangetekende zending niet werden afgehaald. Uit de processen-verbaal is op te maken dat de opsteller van het proces-verbaal de brieven zelf heeft opgemaakt. Wat ook effectief blijkt uit het kopie van de brief van d.d. 15 december 2010 dat werd neergelegd ( stuk 10 van verweerder) . De brieven kunnen niet anders dan via de gangbare interne procedure van de administratie verzonden zijn en de opsteller van de processen-verbaal ( en de brieven ) krijgt ook de niet bestelde brieven die hij heeft verzonden terug . Hij heeft dus materieel vastgesteld dat de aangetekende zendingen niet werden afgehaald door eiser.

Al deze materiële vaststellingen gelden tot het bewijs van het tegendeel.

De eenvoudige bewering van eiser dat hij zich niet kan herinneren de brieven te hebben ontvangen, voldoet totaal niet als tegenbewijs. De rechtbank stelt ook vast dat de brieven verzonden werden naar het correcte adres van eiser.

5. redelijke termijn

De brieven met de vraag om inlichtingen dateren van 15 december 2010 , 20 april 2011 en 8 december 2011 . De processenverbaal met de respectievelijke overtredingen werd opgesteld op 24 maart 2011 , 15 juli 2011 en 24 februari 2012 .

De wet voorziet geen termijn binnen de welke de overtredingen moeten opgenomen worden in een proces-verbaal. De processen-verbaal werden telkens opgesteld binnen de 3 maanden na de overtreding ( rekening houdende met de antwoordtermijn die moet verstreken zijn) en de redelijke termijn is hier dus zeker niet overschreden.

Eiser betwist niet dat na het opstellen van de processen-verbaal en vóór het uitvaardigen van de dwangbevelen , er verschillende betalingsberichten aan eiser werden verzonden . De dwangbevelen werden uitgevaardigd op 7 maart 2014 en aan eiser betekend op 11 april 2014 . De rechtbank stelt dan ook vast dat de redelijke termijn geenszins is overschreden.

6. straftoemeting

Uit de processen-verbaal blijkt dat eiser herhaaldelijk in 1 jaar tijd onterecht niet heeft geantwoord op vragen om inlichtingen, het bezorgen van stukken en het mogelijk maken van de inzage van de boekhouding. De rechtbank stelt op basis van de vaststellingen en de inbreuken vast dat de door verweerder bepaalde administratieve boeten beantwoorden aan een juiste toepassing van de betreffende wettelijke en reglementaire bepalingen op de vast gestelde feiten . Het opleggen van geldboeten is in deze zaak verantwoord en niet onevenredig met de inbreuken.

De geldboeten hebben niet alleen een vergoedende aard, maar hebben ook een bestraffend en afradend karakter.

Artikel 65 SW is in fiscale zaken niet van toepassing. Het is niet omdat de geldboeten een strafrechtelijk karakter hebben dat het hele strafwetboek van toepassing is .

Evenmin is het non bis in idem beginsel van toepassing . Eiser heeft in 1 jaar tijd 3 verschillende malen niet geantwoord op vragen om inlichtingen. Eiser heeft niet driemaal een geldboete opgelegd gekregen om eenmaal een 'vraag om inlichtingen niet te hebben beantwoord. Dat de vraag om inlichtingen driemaal dezelfde was, is hierbij niet relevant.

7. uitstel van tenuitvoerlegging

Eiser haalt geen enkel argument aan in zijn voordeel dat een uitstel van tenuitvoerlegging van de geldboeten zou kunnen rechtvaardigen.

C. Betreffende de kosten

Eiser wordt in het ongelijk gesteld . Overeenkomstig artikel 1017 ,1ste lid van het gerechtelijk wetboek moet hij de gerechtskosten dragen.

Gezien verweerder niet wordt bijgestaan door een advocaat , heeft hij geen recht op een' rechtsplegingsvergoeding .

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN ,

De rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpend als niet dienend.

Verklaart de eis toelaatbaar doch wijst ze af als ongegrond.

Veroordeelt eiser tot de gedingkosten , aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven en aan de zijde van verweerder begroot op 0,00 EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtsgebouw te Brugge op één juni tweeduizend en vijftien.

Aanwezig zijn:

L.D.P.: alleenrechtsprekend rechter

S.M.: griffier

Aangehaalde teksten

4
WBTW art. 81bis4 voorkomens
WBTW art. 613 voorkomens
WBTW art. 592 voorkomens
WBTW art. 811 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8