Wettelijke vermoedens, Wettelijk vermoeden juris tantum · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van Cassatie F.14.0109.F 25 september 2015

Zoeken
Tekst in het Frans

Wettelijke vermoedens, Wettelijk vermoeden juris tantum

https://juriel.be/nl/rechtspraak/wettelijke-vermoedens-wettelijk-vermoeden-juris-cassatie-brussel-2015-09-25-cde8

Rechtscollege
Hof van Cassatie
Rolnummer
F.14.0109.F
Datum
25 september 2015

Procesverloop

2 stappen · 1 jaar 7 maanden
  1. Bestreden beslissingHof van beroep te Brussel07.02.2014
  2. Weergegeven beslissingHof van Cassatie van België25.09.2015

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Frans
Nederlandse versie
niet door de FOD gepubliceerd

De tekst van dit document is in het Frans. De FOD publiceert er geen Nederlandse versie van.

Tekst

47 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Cassatie dd. 25.09.2015 ( F.14.0109.F)

Belasting over de toegevoegde waarde – Wettelijke vermoedens – Wettelijk vermoeden juris tantum – Wedersamenstelling van het zakencijfer -Feitelijke vermoedens – Marginaal toetsingsrecht uitgeoefend door het Hof van Cassatie

Wetgeving

Art. 64, § 1, WBTW

Art. 1315, 1349, 1350 en 1353 B.W.

Samenvatting

1. De wedersamenstelling van het zakencijfer door de administratie berust in onderhavig geval op de facturen opgenomen in de boekhouding van de leverancier en die eveneens opgenomen zijn als zijnde betaald bij de koper. Die elementen worden gestaafd door stukken van de koper, die een link leggen met deze facturen van de leverancier en die buiten de boekhouding van de koper werden gehouden.

Het bestreden arrest van het hof van beroep is niet gebaseerd op feitelijke vermoedens, omdat het Hof van menig is dat de administratie op die wijze heeft aangetoond dat, de bij de koper buiten de boekhouding gehouden facturen van de leverancier, overeenkomen met de aan hem geleverde goederen.

2. Het artikel 64, § 1°, WBTW regelt de bewijslast niet en onderwerpt de levering van goederen geen tweede maal aan de belasting.

Opmerkingen

Het Hof van Cassatie verwerpt de voorziening tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, dat de minutieuze wedersamenstelling van het zakencijfer, gebaseerd op het wettelijk vermoeden van art. 64 WBTW, 1°, door de administratie, volledig had aangenomen.

De belastingplichtige veronderstelde dat het in werking treden van het wettelijk vermoeden inhield dat het mogelijk werd om dezelfde handeling van levering van goederen een tweede maal aan de belasting te onderwerpen, zonder echter het recht op aftrek toe te laten. Hierdoor zou het principe van de neutraliteit, dat aan de basis ligt van het recht op aftrek van de gedragen belastingen en veronderstelt dat dubbele belastingen worden vermeden worden, geschonden zijn.

Het art. 64, § 1° WBTW bevat een wettelijk vermoeden dat het tegenbewijs mogelijk maakt (wettelijk vermoeden juris tantum). Het gaat hier om een bewijs, geen materiële regel ten gronde. Het wettelijk vermoeden van art. 64, § 1° WBTW beperkt op geen enkele manier het recht op aftrek, bedoeld in artikel 45 WBTW, en heeft zelfs niets te maken met de vraag of er al dan niet recht op aftrek is.

Dit wettelijk vermoeden heeft als gevolg dat er omkering van de bewijslast ontstaat. Het communautaire recht verzet zich niet tegen een nationale bepaling die een vermoeden voorziet met betrekking tot het zakencijfer.

Het Hof van Cassatie verwerpt de eis van de belastingplichtige tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie.

Volledige tekst

Het arrest wordt enkel gepubliceerd in de oorspronkelijke taal

Tekst van de beslissing

Cour de cassation de Belgique

dd. 25.09.2015

F.14.0109.F/1

Arrêt

N. O., société privée à responsabilité limitée dont le siège social est établi à … (…), …, …, demanderesse en cassation, ayant pour conseil Maître J.-F. R., avocat au barreau de Bruxelles, dont le cabinet est établi à …, …, …, où il est fait élection de domicile,

contre

ETAT BELGE, représenté par le ministre des Finances, dont le cabinet est établi à …, …, …, défendeur en cassation, représenté par Maître F. T., avocat à la Cour de cassation, dont le cabinet est établi à …, …, …, où il est fait élection de domicile.

I. La procédure devant la Cour

Le pourvoi en cassation est dirigé contre l'arrêt rendu le 7 février 2014 par la cour d'appel de Bruxelles.

Le conseiller M. R. a fait rapport.

Le premier avocat général A. H. a conclu.

II. Les moyens de cassation

Dans la requête en cassation, jointe au présent arrêt en copie certifiée conforme, la demanderesse présente deux moyens.

III. La décision de la Cour

Sur le premier moyen:

Quant aux deux branches réunies :

L'arrêt considère que «les éléments sur lesquels se fonde l'administration de la taxe sur la valeur ajoutée pour reconstituer le chiffre d'affaires de [la demanderesse] sur la base de ses achats ne sont pas de simples allégations de son fournisseurs, ni des éléments puisés dans sa comptabilité, tels que le listing de ses clients, mais les factures d'achats de marchandises émises par la s.p.r.l. F. F. F. au nom de [la demanderesse] [ ... ], inscrites dans la comptabilité de la s.p.r.l. F. F. F. et reprises comme ayant été acquittées par [la demanderesse] »et que « ces éléments sont corroborés par des pièces de [la demanderesse] qui établissent le lien avec les factures de la s.p.r.l. F. F. F. qu'elle n'a pas comptabilisées dans les deux cas précités».

Pour déduire de ces éléments que le défendeur « a dès lors démontré que les factures de la s.p.r.l. F. F. F. que [la demanderesse] n'a pas comptabilisées correspondent à des marchandises qui lui ont été livrées», l'arrêt ne se fonde pas sur des présomptions de l'homme.

Le moyen, qui, en chacune de ses branches, repose sur la prémisse contraire, manque en fait.

Sur le second moyen:

Aux termes de l'article 64, § 1er, du Code de la taxe sur la valeur ajoutée, toute personne qui achète ou produit pour vendre est présumée, jusqu'à preuve du contraire, avoir livré dans des conditions qui rendent la taxe exigible les biens qu'elle a achetés ou produits.

Cette disposition, qui ne régit que la charge de la preuve, ne soumet pas deux fois à la taxe les mêmes opérations de livraison de biens.

Le moyen, qui repose tout entier sur le soutènement contraire, manque en droit.

La question proposée par la demanderesse ne doit, dès lors, pas être posée à la Cour de justice de l'Union européenne.

Beschikkend gedeelte

Par ces motifs,

La Cour

Rejette le pourvoi;

Condamne la demanderesse aux dépens.

Les dépens taxés à la somme de cent septante-sept euros nonante-quatre centimes envers la partie demanderesse.

Ainsi jugé par la Cour de cassation, première chambre, à Bruxelles, où siégeaient le président de section C. S., les conseillers M. R., M. L., M.-C. E. et S. G., et prononcé en audience publique du vingt-cinq septembre deux mille quinze par le président de section C. S., en présence du premier avocat général A. H., avec l'assistance du greffier P. D. W..

Aangehaalde teksten

2
WBTW art. 643 voorkomens
WBTW art. 451 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8