Werkingssfeer, levering van goederen, belastbare handeling, belastbaar feit · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg 3 september 2001

Zoeken

Werkingssfeer, levering van goederen, belastbare handeling, belastbaar feitBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/werkingssfeer-levering-goederen-belastbare-handeling-rechtbank-kortrijk-2001-09-03-5d46

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Datum
3 september 2001

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

84 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Kortrijk d.d. 03.09.2001

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG VAN HET ARRONDISSEMENT KORTRIJK, PROVINCIE WEST-VLAANDEREN, TWEEDE KAMER MET EEN RECHTER, RECHTSPREKENDE IN BURGERLIJKE ZAKEN :

In de zaak : 96/48583/A

NV D. C., groot- en kleinhandel van nieuwe en tweedehandse autovoertuigen; met vennootschapszetel te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Kortrijk onder nummer …;

eiseres,

vertegenwoordigd door en pleitend Meester J. R., advocaat te …, …;

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van dhr. Ontvanger van het Eerste BTW-ontvangkantoor te Kortrijk, waarvan van de kantoren gevestigd zijn te 8500 Kortrijk, Beverlaai, 14;

verweerder,

vertegenwoordigd door en pleitend Meester F. W., advocaat te …, …;

Gezien het verstekvonnis van deze rechtbank gewezen op 21 september 1998 waarbij de persoonlijke verschijning van partij­ en in raadkamer werd bevolen, welke blijkens het proces-verbaal doorging op 2 maart 1999.

Tevens werd gevraagd verder stelling te nemen omtrent de minimummaatstaf van heffing voor tweedehandspersonenauto's naar aanleiding van de veroordeling van de Belgische Staat door het Hof van Justitie op 9 juli 1982.

Vraag werd tevens gesteld of de luxetaks van 8 % steeds toegepast werd waar dat nodig was.

De raadslieden van partijen hebben de zaak uiteengezet in openbare terechtzitting.

De besluiten en stukken werden nagezien.

Ingevolge de veroordeling van de Belgische Staat voormeld heeft "de datum waarop de ingevoerde of hier te lande geleverde personenauto voor het eerst in het verkeer gebracht werd" (ontbrekende vermelding "19" - cfr. proces-verbaal) elke relevantie verloren.

Het debat beperkt zich alsdan hoofdzakelijk tot de ontbrekende vermelding van de leveringsdatum, te meer ingevolge de vrijspraak van de consoorten … het fraude-element niet langer weerhouden wordt.

Evenwel dient eerst onderzocht of het dwangbevel al dan niet wegens onvolkomenheden nietig is zoals door eiseres ingeroepen.


1. Nopens de beweerde nietigheid van het dwangbevel

Uit een vergissing bij het mededelen der stukken kan niet afgeleid worden dat de bijlagen niet bij het proces-verbaal gevoegd waren zoals dan nog pas in conclusies na de dagvaarding voor het eerst beweerd wordt.

Het proces-verbaal maakt melding van alle bijlagen die gevoegd werden, zodat eiseres het tegendeel middels valsheid dient te bewijzen, qoud non.

Het geschreven proces-verbaal was wel degelijk als bijlage gevoegd en werd niet vervangen doch aangevuld met een getypt identiek relaas.

Het geschreven proces-verbaal was wel degelijk gedagtekend en genaamtekend, zodat eiseres, die dan nog op geen enkel ogenblik in haar rechten geschaad werd, zich geenszins op de nietigheid van het geldig betekend dwangschrift kan beroepen.

Weze voor zoveel als nodig benadrukt dat dhr L. ter gelegenheid van de persoonlijke verschijning bevestigde dat zijn handtekening prijkt bij de detaillering van de bijlagen, zodat hij er van uitgaat dat de bijlagen wel degelijk bij het proces-verbaal en ook bij het afschrift aan eiseres werden medegedeeld, wat beaamd kan worden.

2. Nopens de ingeroepen vormgebreken inzake leveringsdatum

De levering wordt in artikel 10, § 1 BTW-Wetboek omschreven als de overdracht of de overgang van de macht om als een … eigenaar over een goed te beschikken.

Het begrip levering beperkt zich dus niet tot de juridische eigendomsoverdracht van zaken.

Er is dus het bestaan van een overeenkomst noodzakelijk en tevens dient de handeling onder bezwarende titel te gebeuren (artikel 2 BTW-Wetboek).

Waar het op aankomt is niet dat de juridische eigendom in burgerlijke zin wordt overgedragen, maar wel dat er een overdracht is van het recht om het goed te exploiteren, te veranderen, te vervreemden, te bezwaren etc ...

De levering vindt plaats op het tijdstip waarop een goed ter beschikking van de verkrijger of de overnemer wordt gesteld (artikel 16, §1,l eerste lid, BTW-Wetboek).

Het geciteerde arrest van het Hof van Beroep te Gent d.d. 17 november 1997 (waartegen blijkbaar geen cassatie) steunde zich op het gemeenschapsrecht (6de richtlijn) en de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie, welke bindend is.

Aanvaard wordt dat het de lidstaten toegestaan is het recht op aftrek afhankelijk te maken van het bezit van een factuur met een aantal verplichte vermeldingen, die nodig zijn om de inning van de BTW en de controle daarna mogelijk te maken.

Het Hof van Beroep stelde dus dat bij betwisting de rechterlijke macht, over het al dan niet noodzakelijk zijn van alle door de wet bepaalde vormvereisten waaraan de factuur bij verhandeling van wagens moet voldoen, geval per geval afzonderlijk dient te onderzoeken of de door de wet vereiste vermeldingen noodzakelijk zijn om de controle en/of de inning van de BTW door de belastingadministratie mogelijk te maken.

De rechtbank sluit zich bij deze visie aan.

Onderzocht dient dus of het ontbreken van de leveringsdatum op de factuur noodzakelijk was om de belastingadministratie toe te laten te besluiten dat het recht op aftrek niet mocht worden uitgeoefend.

Inzake leveringsdatum oordeelde het Hof van Beroep te Gent :

"De leveringsdatum is terzake zonder bewezen belang; appellant toont niet aan, noch bewijst in welke mate dit ontbrekend gegeven haar controle zou hebben bemoeilijkt en/of in de weg gestaan, noch de noodzaak van deze vermelding met het oog op controle of inning; het betrof een verkoop onder handelaars waarbij de factuur de transactie bewijst bij ontstentenis van geschreven overeenkomst en voor de factuur niet wordt betwist.”.

Terzake beperkt het proces-verbaal er zich in hoofdorde toe vast te stellen :

- dat de aankoopfacturen jegens A. M. in het inkomend factuurboek werden ingeschreven;

- dat de BTW en speciale taks in aftrek werden gebracht (artikel 45 ,§ 1 BTW-Wetboek);

- een opsomming te geven van de wettelijke bepaalde vormvoorschriften en vermeldingen die op de factuur moeten voorkomen;

- te stellen dat gezien de facturen niet voldoen aan de wettelijke bepalingen er geen recht op aftrek is.

De administratie behield de stukken conform artikel 61, § 5 BTW-Wetboek en gaf een kwijting.

Blijkbaar werden geen andere stukken dan de opgegeven ter plaatse nagegaan of andere navorsingen gedaan met betrekking tot de leveringsdatum, noch vragen in die zin gesteld.

Op geen enkele wijze wordt in het proces-verbaal aangeduid op welke wijze de controle werd bemoeilijkt door deze ontbrekende gegevens.

Basisregel blijft dat conform artikel 59 BTW-Wetboek de bewijskracht van het proces-verbaal tot het tegendeel zich enkel uitstrekt tot eigen vaststellingen en niet tot deducties.

In zoverre het proces-verbaal zich beperkt vast te stellen dat de wettelijke vermeldingen ontbreken om dan te besluiten dat er geen recht op aftrek bestaat, is het proces-verbaal eenzijdig naar besluitvorming toe.

De terloopse verwijzing naar de tekortkomingen van A. M. zonder meer, waarmede wellicht zonder het uitdrukkelijk te stellen gesuggereerd wordt dat eiseres medeplichtig zou zijn aan een BTW-carrousel kan eveneens geen geldige grondslag zijn nu de consoorten V. definitief strafrechtelijk terzake werden vrijgesproken en deze vrijspraak erga omnes vaststaat.

Gezien kwade trouw niet vermoed wordt kan maar gesteld en vastgesteld worden dat de BTW wel degelijk aan A. M. betaald werd, zodat niet meteen duidelijk is dat de ontbrekende vermeldingen noodzakelijk waren voor de inning en de controle ervan.

Anderzijds heeft eiseres bij de verkoop de BTW aan de Staat gestort zodat de vereiste van bezit van een factuur haar doel had bereikt.

Tevens zijn alle verkoopfacturen opgenomen in de BTW-aangiften van 1988.

Bovendien had de administratie aan A. M. een BTW-vrijstelling verleend (niet voorgelegd door de administratie, doch niet betwist) zodat eiseres uiteraard gerechtigd was een normaal vertrouwen te mogen hebben in de transacties en het reëel karakter ervan.

Frauduleuze medewerking aan fictieve verkopen is niet bewezen en wordt op zichzelf niet uitdrukkelijk in het proces-verbaal vernoemd.

In wezen beperkt de administratie zich om zonder meer wegens vormgebrek te besluiten tot de afwezigheid van een recht op aftrek.

Het is duidelijk dat de administratie zich heeft laten leiden door een vermeende betrokkenheid van eiseres bij een frauduleuze BTW-carrousel.

Eens vaststaat dat deze stelling definitief verlaten dient te worden, is het strijdig met het redelijkheidsbeginsel en het beginsel van de fair-play te volharden in het vorderen van het bedrag van 42.716.100 fr. op grond van de loutere afwezigheid van een vormvermelding lastens een BTW-plichtige te goeder trouw, die dan nog de BTW doorstortte.

De houding van de administratie is wellicht niet vreemd aan de vaststelling dat bij A. M. niets te recupereren valt.

De administratie spreekt in het algemeen niet tegen dat in het verleden bepaalde vormgebreken door de vingers werden gezien als er maar geen fraude voorhanden is.

De houding van de administratie doet alsdan afbreuk aan het beginsel van de rechtszekerheid.

De administratie dient nog steeds het bewezen belang van de leveringsdatum in concreto aan te tonen, daar waar de overige vermeldingen op de factuur kunnen volstaan om een efficiënte BTW-controle mogelijk te maken.

Daarenboven kan aangenomen worden dat de dagtekening van de cheques voldoende indicaties over de leveringsdatum kunnen verschaffen.

In concreto mag aangenomen worden dat het voertuig alsdan aan de koper ter beschikking wordt gesteld.

Een factuur kan ten andere als bewijs van de uitvoering van een overeenkomst beschouwd worden.

Voorts dient verweerder toe te geven geen uitspraak te kunnen doen over het feit of de luxetaks werd toegepast.

Voor het overige verwijst de rechtbank naar de uiteenzetting in conclusies d.d. 25 februari 1999 door eiseres neergelegd ter griffie (p. 2, punt 1.3) waar voldoende aangetoond werd dat deze luxetaks niet ontdoken werd.

De vordering is gegrond.

De uitbreiding van de vordering is zonder voorwerp geworden.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de artikelen 2, 34, 36, 37 en 41 van de taalwet van 15 juni 1935.

Wijzende op tegenspraak.

Verklaart de vordering ontvankelijk, toelaatbaar en gegrond.

Zegt voor recht dat de uitbreiding van de vordering zonder voorwerp is geworden.

Verklaart het dwangbevel d.d. 28 mei 1991 nietig en zegt voor recht dat de erin opgenomen sommen niet verschuldigd zijn.

Beveelt voor zoveel als nodig de terugbetaling van alle sommen die op grond van dit dwangbevel werden geïnd door verweerder, vermeerderd met de nalatigheidsintresten voorzien in het BTW­Wetboek.

Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding, begroot aan de zijde van eiseres in besluiten neergelegd ter griffie d.d. 10 maart 2000 op 3.477 fr. kosten dagvaarding, 12.600 fr. rechtsplegingsvergoeding en 2.100 fr. aanvullende rechtsplegingsvergoeding persoonlijke verschijning van partijen in raadkamer.

Verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad, ondanks elk verhaal, zonder borgstelling en met uitsluiting van het kantonnement.

Aldus gevonnist en uitgesproken in het Gerechtsgebouw te Kortrijk in openbare terechtzitting op DRlE SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN EEN.

Aanwezig :

B. D., alleen zetelend rechter;

G. H., griffier.

G. H. B. D.

Aangehaalde teksten

5
WBTW art. 101 voorkomen
WBTW art. 21 voorkomen
WBTW art. 451 voorkomen
WBTW art. 591 voorkomen
WBTW art. 611 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8