Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 03.01.2011
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hiernavolgend vonnis verleend :
In de zaak 04/815/A Rep nr. 2011/115
V. I., met ondernemingsnummer …, wonende te …, …
eiser,
voor wie optreedt Meester F. C., advocaat te …, …(ref. 5549/08)
tegen :
1. FOD FINANCIËN,
in de persoon van de e.a. Inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor Brugge, G. Vincke-Dujardinstraat 4
verweerster sub 1,
voor wie optreedt Meester L. D. S., advocaat te …, …
2. D. D.,
wonende te …, …
3. BVBA F. B. D.-C., met zetel te …, … ingeschreven in de KBO onder het nummer …
verweerders sub 2 & 3,
voor wie optreedt Meester R. V., advocaat te …, …
I. RECHTSPLEGING
Gelet op de dagvaarding d.d. 27 februari 2004.
De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overlegde bundels.
Partijen werden gehoord in zijn middelen in de openbare terechtzitting van 6 december 2010.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
1. Eiser is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer BE …, voor de activiteit van aan- en verkoop van bandenbenodigdheden, vernissen en drukinstallaties voor garages. Hij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.
Op 4 september 2003 werd door R. C., eerstaanwezend inspecteurdiensthoofd bij de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in die hoedanigheid ter beschikking gesteld van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, controlecentrum Brugge, een controle gestart over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde over de periode van 1 januari 2000 tot 31 december 2001. De ambtenaar werd ontvangen door tweede verweerder, optredend als gevolmachtigde boekhouder ingevolge een onderhandse volmacht d.d. 1 december 1995. Op verzoek van eiser en met akkoord van tweede verweerder werd het nazicht van de boekhouding verricht op het kantoor van tweede verweerder.
Op 17 november 2003 werden de overtredingen en vaststellingen opgenomen in een proces-verbaal door vermelde ambtenaar. Volgens het proces-verbaal is eiser verschuldigd 39.953,52 EUR (1.611.751 BEF) als BTW, 79.900,00 EUR als proportionele geldboete, en intresten vanaf 21 januari 2002.
Op 2 december 2003 werd op basis van het proces-verbaal door de bevoegde ambtenaar van het BTW-ontvangkantoor te Roeselare een dwangbevel uitgevaardigd.
Voormeld dwangbevel werd op 3 december 2003 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door L. V., e.a. Inspecteur a.i. te Torhout, eerste BTW-controlekantoor, aangewezen door de gewestelijke directeur van de Administratie van de BTW te Brugge. Op 5 december werd het dwangbevel per aangetekend schrijven ter kennis gebracht van eiser.
Op 27 februari 2004 heeft eiser verweerders gedagvaard.
2. Eiseres vraagt dat :
- de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;
- de beslissing d.d. 5 december 2003 ongedaan wordt gemaakt en de aanslag onder RCIV nr. … wordt vernietigd;
- ondergeschikt minstens de boete wordt kwijt gescholden;
- meest ondergeschikt de boete wordt verminderd tot 10 %;
- tweede en derde verweerder solidair worden veroordeeld om eiser te vrijwaren voor de BTW op tekort geboekte omzet (3.123,46 EUR ), de boete op deze BTW, de boete op de integrale transactie V. en alle intresten;
- verweerders solidair te veroordelen tot de kosten van het geding, begroot op de dagvaardingskosten (271,23 EUR) en de rechtsplegingsvergoeding (5.000 EUR )
3. Eerste verweerder vraagt dat de vordering van eiser ten overstaan van eerste verweerder ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard en dat eiser of tweede of derde verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, begroot op de dagvaardingskosten en de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 5.000 EUR.
4. Tweede en derde verweerder vragen dat de vordering van eiser onontvankelijk minstens ongegrond wordt verklaard en dat eiser wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, begroot op de minste rechtsplegingsvergoeding.
III. BEOORDELING
A. Betreffende de toelaatbaarheid
Conform artikel 569, 32° Ger. W. is de Rechtbank van Eerste Aanleg bevoegd om kennis te nemen van een geschil betreffende de toepassing van een belastingwet. De eis lastens eerste verweerder betreft ontegensprekelijk een geschil betreffende de toepassing van de belastingwet, meer bepaald de BTW-wetgeving.
De eis lastens tweede en derde verweerder strekt ertoe eiser te vrijwaren voor aanspraken van eerste verweerder inzake de BTW-wetgeving. In die zin zijn de eisen samenhangend en is de rechtbank van eerste aanleg bevoegd om samen met de eis lastens eerste verweerder kennis te nemen van de eis lastens tweede en derde verweerder.
Verweerders voeren geen andere redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de eis toelaatbaar.
B. Betreffende de grond
1. artikel 11 W.BTW
1.1. Conform artikel 19 van de Richtlijn 2006/112/EG (artikel 5, lid 8 van de Zesde Richtlijn) kunnen de lidstaten, in geval van overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen onder bezwarende titel, om niet of in de vorm van een inbreng in een vennootschap, zich op het standpunt stellen dat geen levering van goederen heeft plaatsgevonden en dat degene op wie de goederen overgaan, in de plaats treedt van de overdrager.
Conform artikel 11 W.BTW wordt niet als een levering beschouwd de overdracht van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling, onder bezwarende titel of om niet, bij wege van inbreng in vennootschap of anderszins, wanneer de overnemer een belastingplichtige is die de belasting, indien ze ingevolge de overdracht zou verschuldigd zijn, geheel of gedeeltelijk zou kunnen aftrekken. In dat geval wordt de overnemer geacht de persoon van de overdrager voort te zetten.
Het Hof van Justitie heeft in haar arrest d.d. 27 november 2003 (zaak C-497/01 inzake Z. M. SARL /Administration de l'enregistrement et des domaines) gesteld dat het begrip 'overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen onder bezwarende titel, om niet of in de vorm van inbreng in een vennootschap' moet worden uitgelegd dat daaronder valt de overdracht van een handelszaak of een autonoom bedrijfsonderdeel met lichamelijke en eventueel ook onlichamelijke zaken, welke tezamen een onderneming of een gedeelte van een onderneming vormen waarmee een autonome economische activiteit kan worden uitgeoefend, en dat daaronder niet valt de verkoop van goederen zonder meer, zoals de verkoop van een voorraad producten.
1.2. Ten onrechte is eiser van mening dat de overeenkomst d.d. 15 augustus 2000 (aangevuld op 24 september 2000) tussen eiser en J. V. R. een overdracht van een algemeenheid betreft in de zin van artikel 11 W.BTW.
Uit de stukken en het feitenrelaas van eiser blijkt dat de overeenkomst (o.a.) de herverkoop betreft van de stock die door eiser in 1999 werd aangekocht van J. V. R. (handeldrijvende onder de naam V.). Volgens eiser heeft hij deze stock aangekocht voor 5.400.000 BEF (alhoewel de totale stockwaarde volgens de stukken 6.410.719 BEF bedroeg). Eiser stelt verder dat andere goederen van de stock en latere bijbestellingen van de eenmanszaak van J. V. R. werden aangekocht door BVBA VSV & E..
De overeenkomst d.d. 15 augustus 2000 (en aanvulling op 24 september 2000) tussen eiser en J. V. R. (contract voor terugname van de stock V. … en …) betreft de overdracht van eiser aan J. V. R. van de in 1999 door eiser gekochte stock, de toename van de stock tijdens de samenwerking, investeringen gedaan tijdens de samenwerking in de uitbatingen te … en te …, de stock van recent aangekochte goederen (door VSV Quality en de E.). In de overeenkomst is verder voorzien dat J. V. R. aan eiser een vergoeding moet betalen voor verliezen geleden in het verleden door eiser en allerlei uitgaven (o.a. publiciteit en RSZ).
Verder blijkt uit het contract dat J. V. R. voorheen reeds een deel van de investeringen had betaald en dat de materialen die werden gebruikt te … reeds voor 90 % eigendom waren van J. V. R.. Tot februari 2003 wordt het gebouw te … zowel gebruikt door eiser als door J. V. R. en zijn de kosten (elektriciteit en andere kosten) ten laste van eiser.
Tevens is bepaald dat de 5 compressoren die in … staan niet worden overgenomen. Deze blijven in het magazijn staan zonder verdere verplichtingen. Het zelfde geldt voor het andere persluchtmateriaal.
Het is dan ook duidelijk dat de overeenkomst d.d. 15 augustus 2000 geen overdracht betreft van een algemeenheid van goederen of een bedrijfsafdeling, welke samen een bedrijfsonderdeel of een gedeelte van een onderneming vormen waarmee een economische activiteit kan worden uitgeoefend.
Buiten de stock werd door eiser in 1999 niets overgenomen van J. V. R.. Eiser heeft deze stock gewoon terug verkocht, samen met de toename van de stock, en een deel van de investeringen gedaan tijdens de samenwerking. Dit betreft zeker geen handelszaak of een autonoom bedrijfsonderdeel.
1.3. Artikel 11 W.BTW is dan ook niet van toepassing.
2. eigendomsvoorbehoud
2.1. In de overeenkomst d.d. 15 augustus 2000 is bepaald dat de prijs door de overnemer maandelijks mag worden afbetaald gedurende 120 maanden.
Verder is in de overeenkomst volgende clausule voorzien : "Uiteraard voor zolang de stock niet is betaald, blijft het niet betaalde gedeelte eigendom van de overlater, en heeft de overlater het recht van deze goederen te laten in beslag nemen door het gerecht, en ook behoud de overlater het recht bij wanbetalingen de stock door te verkopen aan concurrerende bedrijven".
2.2. Conform artikel 14, lid 1 van de Richtlijn 2006/112/EG (artikel 5, lid 1 Zesde Richtlijn) wordt als levering van goederen beschouwd de overdracht of overgang van de macht om als een eigenaar over een lichamelijke zaak te beschikken.
Conform artikel 10, § 1 W.BTW wordt als levering van een goed beschouwd de overdracht of de overgang van de macht om als eigenaar over een goed te beschikken.
Het Hof van Justitie heeft in haar arrest d.d. 8 februari 1990 (zaak nr. C-320/88 inzake Staatsecretaris van Financiën/Shipping and Forwarding Enterprise Safe BV) gesteld dat als levering van een goed moet worden beschouwd de macht om als eigenaar over een lichamelijke zaak te beschikken, ook indien er geen overdracht van de juridische eigendom van de zaak plaatsvindt.
Door overname van de stock kon J. V. R. deze stock beheren als een eigenaar, zijnde goederen uit de stock verkopen of gebruiken en de stock aanvullen en droeg hij ook het risico van de waardeveranderingen van de goederen. J. V. R. had vanaf de overname van de stock dan ook de macht om als eigenaar over de stock te beschikken in de zin van artikel 10, § 1 W.BTW.
Eiser bewijst op geen enkele manier dat J. V. R. de goederen vanaf de overeenkomst niet kon beheren als een eigenaar.
2.3. Conform artikel 17, § 1, eerste lid W.BTW vindt voor leveringen van goederen het belastbaar feit plaats en wordt de belasting opeisbaar op het tijdstip waarop de levering van het goed plaatsvindt.
De levering van de goederen vond volgens de overeenkomst plaats op 15 augustus 2000 en de belasting was dan ook opeisbaar op 15 augustus 2000. Dit ongeacht de betalingsmodaliteiten of het eigendomsvoorbehoud.
2.4. Eiser heeft 2 facturen opgemaakt (na aanvang van de controle d.d. 4 september 2003) betreffende de door de overnemer reeds gedane afbetalingen. Volgens eiser heeft hij de wettelijke BTW aangerekend en betaald.
Dit doet niets af aan het feit dat eiser in 2000 op het totale bedrag BTW had moeten aanrekenen en afdragen. In zoverre eiser na aanvang van de controle BTW heeft aangerekend en betaald op door de overnemer reeds betaalde bedragen, kan er evenwel dubbele belasting ontstaan. Eiser kan hieromtrent teruggaaf vragen overeenkomstig de wettelijke bepalingen. Het is de rechtbank niet duidelijk of eiser teruggaaf heeft gevraagd, noch is het aan de rechtbank om in het kader van het hangende geschil te oordelen omtrent deze eventueel gevraagde teruggaaf.
3. boete
3.1. De boete werd opgelegd overeenkomstig de artikelen 70, § 1 en § 2 W.BTW en het Koninklijk Besluit nr. 41 van 30 januari 1987.
3.2. Een boete heeft een repressief karakter. Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel mochten de rechtbanken het recht ontzegd worden om op de betwiste administratieve beslissing om een dergelijke geldboete op te leggen, een toetsing met volle rechtsmacht uit te oefenen. Een toetsing met volle rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt (Arbitragehof, 24 februari 1999, rolnr. 1279, arrest nr. 22/99).
Dat kan alleen in die zin begrepen worden dat de rechtbank (onder andere) de macht heeft om na te gaan of de concrete administratieve boete al dan niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten waaraan de belastingplichtige zich bezondigd heeft. Een dergelijke toetsing brengt nog niet noodzakelijk met zich dat de rechtbank de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid, zou bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid.
3.3. Uit het proces-verbaal d.d. 17 november 2003 blijkt dat voor het jaar 2001 eiser alle handelingen met betrekking tot het kwartaal opnam in de aangifte met betrekking tot de laatste maand van het lopend kalenderkwartaal, behalve met betrekking tot december 2001 die enkel inkomende handelingen bevatte; dat onjuiste vergelijkingsstaten betreffende de totale omzet werden opgesteld om overeen te stemmen met de omzet aangegeven in de BTW-aangiften en dat de maandelijkse afbetalingen die reeds jaren werden betaald ingevolge de overeenkomst d.d. 15 augustus 2000 in baar geld werden ontvangen en niet in de boekhouding werden opgenomen.
Deze vaststellingen tonen aan dat eiser wetens en willens de belastbare handelingen en de erop verschuldigde BTW niet heeft willen aangeven. De door verweerder bepaalde administratieve boete beantwoordt aldus aan een juiste toepassing van de betreffende wettelijke en reglementaire bepalingen op de vastgestelde feiten. Het opleggen van de betreffende boete is in deze zaak verantwoord en niet onevenredig met de inbreuk.
De boete heeft niet alleen een vergoedende aard, maar heeft ook een bestraffend en afradend karakter.
4. vrijwaring
4.1. Eiser bewijst geen enkele fout in hoofde van tweede of derde verweerder.
4.2. In de fax die eiser op 22 september 2003 verstuurde aan de administratie, stelt eiser zelf dat zijn boekhouder geen weet had van de 'goedhartige situatie' betreffende de overdracht van goederen aan J. V. R.. Hoe zou de boekhouder dan een fout kunnen gemaakt hebben.
Eiser bewijst evenmin dat tweede of derde verweerder de niet aangegeven omzet kende en op eigen initiatief en zonder medeweten van eiser niet heeft aangegeven
C. Betreffende de kosten
Gezien eiser in het ongelijk wordt gesteld, moet hij overeenkomstig artikel 1017, 1° lid Ger. W. de gerechtskosten dragen.
De eis is in geld waardeerbaar en de waarde van de vordering situeert zich tussen 100.000 en 250.000 EUR waarvoor het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig het KB van 26 oktober 2007 een bedrag van 5.000,00 EUR bedraagt. Tweede en derde verweerder vragen slechts een rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 1.000,00 EUR
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpend als niet dienend.
Verklaart de eis toelaatbaar doch wijst ze af als ongegrond.
Veroordeelt eiser tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven, en aan de zijde van eerste verweerder begroot op de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 5.000,00 EUR, aan de zijde van tweede en derde verweerder begroot op de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 1.000,00 EUR (voor elk de helft).
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op maandag drie januari tweeduizend en elf.
Aanwezig zijn :
D. P. L., alleenrechtsprekend rechter;
S. C., griffier.
C. S. L. D. P.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.