Vrijstellingen, Vervoer van organen van menselijke oorsprong · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van Cassatie F.08.0013.F 18 juni 2009

Zoeken

Vrijstellingen, Vervoer van organen van menselijke oorsprong

https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijstellingen-vervoer-organen-menselijke-oorsprong-cassatie-brussel-2009-06-18-3e23

Rechtscollege
Hof van Cassatie
Rolnummer
F.08.0013.F
Datum
18 juni 2009

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gemengd

Tekst

49 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Cassatie dd. 18.06.2009 (F.08.0013.F)

Vrijstellingen - Vervoer van organen van menselijke oorsprong - Hoedanigheid van zelfstandige - Levering van menselijke organen, menselijk bloed en moedermelk - Verplichting

Wettelijke bepalingen

Art. 13, A, 1, d, Richtlijn EG/1977-05-17

Artt. 10 en 44, § 2, 1° ter, W.BTW

Samenvatting

Aangezien een vraag wordt opgeworpen naar de uitlegging van artikel 13, A, 1, d), van de Zesde Richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, dient aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen de prejudiciële vraag te worden gesteld of een activiteit van vervoer van organen en monsters van menselijke oorsprong, als zelfstandige verricht voor ziekenhuizen en laboratoria, een levering van menselijke organen, menselijk bloed en moedermelk is, die door voornoemd artikel 13, A, 1, d), wordt vrijgesteld van btw.

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

BELGISCHE STAAT, Minister van Financiën, Mr. F.K., advocaat bij het Hof van Cassatie.

tegen

D. F., Mr. P.W., advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 26 oktober 2007 gewezen door het Hof van Beroep te Luik.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

De artikelen 10 en 44, inzonderheid §2, 1°, ter, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde.

Aangevochten beslissingen

Met bevestiging van het beroepen vonnis wijst het arrest verweersters vordering toe tot vernietiging van twee dwangbevelen inzake belasting over de toegevoegde waarde die tegen haar zijn uitgebracht door de btw-ontvanger te Namen op 13 oktober 2004 (gewaarmerkt en uitvoerbaar verklaard op 16 oktober 2004) en op 7 februari 2005 (gewaarmerkt en uitvoerbaar verklaard op 14 februari 2005), en beveelt die teruggave van de belastingen die onterecht zouden zijn geïnd ter uitvoering van de dwangbevelen, nadat het eerst erop heeft gewezen dat de verweerster "een activiteit van vervoer van monsters van menselijke oorsprong voor verschillende ziekenhuizen en laboratoria verricht", en zulks om de onderstaande redenen:

"Het wordt niet betwist dat (de verweerster) prestaties verricht van vervoer van organen en monsters van menselijke oorsprong voor ziekenhuizen en laboratoria, als zelfstandige en zonder verhouding van ondergeschiktheid in de zin van het sociaal recht (...).

Het geschil heeft betrekking op de vraag of (verweersters) activiteit van vervoer van organen en monsters van menselijke oorsprong al dan niet van btw is vrijgesteld.

Artikel 13, A, 1°, d), van de zesde richtlijn bepaalt dat als ‘vrijstellingen ten gunste van bepaalde activiteiten van algemeen belang' de Lidstaten ‘de levering van menselijke organen, menselijk bloed en moedermelk' vrijstellen.

Die vrijstelling wordt overgenomen in artikel 44, §2, 1°, ter, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde.

Organen en monsters van menselijke oorsprong vallen buiten de handel en de activiteit van algemeen belang waarop die bepalingen doelen m.b.t. organen, menselijk bloed en moedermelk bestaat niet in de levering daarvan in de zin van de levering van goederen zoals die is omschreven in artikel 10 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, maar in de levering, verbonden met de activiteit die erin bestaat daadwerkelijk een goed te leveren, waarmee de vervoersprestaties die (de verweerster) verricht, overeenstemmen.

Zo is ook de activiteit van vervoer van organen en monsters van menselijke oorsprong die door (de verweerster) wordt uitgeoefend als zodanig vrijgesteld met toepassing van artikel 44, §2, 1°, ter, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde".

Grieven

Luidens artikel 6 van de richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (en, thans, artikel 14, §1, van de richtlijn 2006/112/EG van de Raad en van het Parlement van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde), wordt "als ‘levering van goederen' (...) beschouwd, de overdracht of overgang van de macht om als een eigenaar over een lichamelijke zaak te beschikken". Die omschrijving is overgenomen in artikel 10, §1, eerste lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde.

Onder "levering" moet dus worden verstaan iedere verrichting van overdracht of overgang van een lichamelijke zaak door een partij aan een andere partij die voortaan gerechtigd is er als eigenaar of in de hoedanigheid van eigenaar over te beschikken.

Luidens artikel 13, A, I, d), van de richtlijn 77/388/EEG (thans artikel 132, § 1, d), van de richtlijn 2006/112/EG) is "de levering van menselijke organen, menselijk bloed en moedermelk" van de belasting vrijgesteld. Die vrijstelling wordt in identieke bewoordingen overgenomen in artikel 44, §2, 1°, ter, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde.

Het arrest stelt echter vast dat de litigieuze, door de verweerster uitgevoerde activiteit, niet bestaat in de "levering" van menselijke organen in de zin van de aangehaalde artikelen van de richtlijnen en van artikel 10, §1, eerste lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde: het gaat om een activiteit van "vervoer van organen en monsters van menselijke oorsprong".

Verweersters activiteit is dus niet met toepassing van artikel 10, §1, eerste lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde aan de belasting over de toegevoegde waarde onderworpen maar wel met toepassing van andere teksten van dat wetboek (de artikelen 18 en volgende waarin de "leveringen van diensten" aan de belasting worden onderworpen.

Hieruit volgt dat de verweerster niet de vrijstelling geniet als bedoeld in artikel 44, §2, 1°, ter, dat slechts betrekking heeft op de "levering" van menselijke organen, en niet op het vervoer ervan.

Ook al zou ervan worden uitgegaan - quod non - dat "organen en monsters van menselijke oorsprong buiten de handel vallen", zoals het arrest vermeldt, dan nog kan op grond van die omstandigheid, in se, de levering en het vervoer van dergelijke organen niet van de belasting worden vrijgesteld. Indien de levering daarvan is vrijgesteld, dan is het met toepassing van een uitdrukkelijke tekst, artikel 44, §2, 1°, ter, van het wetboek. Uit die tekst valt af te leiden dat, indien de Europese en de Belgische wetgever het nodig hebben geoordeeld die vrijstelling te moeten vermelden, de reden daarvoor wel is dat de verrichtingen op organen en monsters van menselijke oorsprong aan de belasting onderworpen zijn. Aangezien het gaat om een algemene regel, is de vrijstelling enkel voor strikte uitlegging vatbaar: zij doelt slechts, zoals eerder gezegd, op de "leveringen" van dergelijke organen en monsters, en niet op het vervoer ervan.

Hieruit volgt dat het arrest, door te beslissen dat het vervoer van organen en van monsters van menselijke oorsprong niet aan de belasting is onderworpen en dat de verweerster dus niet onder de btw-regeling valt, zijn beslissing niet naar recht verantwoordt.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Het arrest stelt vast dat de verweerster als zelfstandige een activiteit van vervoer van organen en van monsters van menselijke oorsprong voor ziekenhuizen en laboratoria uitoefent en oordeelt dat die activiteit vrijgesteld is van de belasting over de toegevoegde waarde.

Artikel 10, §1, eerste lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde omschrijft de levering van een goed als de overdracht of de overgang van de macht om als eigenaar over een goed te beschikken.

Artikel 44, §2, 1°, ter, van dat wetboek stelt de levering van menselijke organen, menselijk bloed en moedermelk vrij van de belasting.

De bepalingen zijn de omzetting in intern recht van de artikelen 5, 1, en 13, A, 1, d), van de Zesde Richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag.

Om te beslissen dat verweersters activiteit "als zodanig is vrijgesteld met toepassing van artikel 44, §2, 1°, ter, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde", vermeldt het arrest dat "de activiteit van algemeen belang waarop die bepalingen doelen m.b.t. organen, menselijk bloed en moedermelk bestaat niet in de levering daarvan in de zin van de levering van goederen zoals die is omschreven in artikel 10 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, maar in de levering, verbonden met de activiteit die erin bestaat daadwerkelijk een goed te leveren, waarmee de vervoersprestaties die [de verweerster] verricht, overeenstemmen".

Aangezien een vraag wordt opgeworpen naar de uitlegging van artikel 13, A, 1, d), van de zesde richtlijn dient aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap de prejudiciële vraag te worden gesteld die in het dictum van dit arrest is verwoord.

Beschikkend gedeelte

Dictum

Het Hof,

Houdt de uitspraak aan tot het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschapen de onderstaande prejudiciële vraag zal hebben beantwoord:

Is een activiteit van vervoer van organen en monsters van menselijke oorsprong, als zelfstandige verricht voor ziekenhuizen en laboratoria, een levering van menselijke organen, menselijk bloed en moedermelk, die door artikel 13, A, 1, d), van de Zesde Richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, wordt vrijgesteld van de belasting?

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter …

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter …

Ondertekeningen

Aangehaalde teksten

7

Vergelijkbare beslissingen

8