Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel d.d. 24.06.2009
RésSamenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL, 33ste Kamer
In zake van :
De GmbH U., vennootschap naar Duits recht, met maatschappelijke zetel te …, …, met aansprakelijk vertegenwoordiger in België : S. C.V.B.A., te …, …,
eisende partij,
vertegenwoordigd door Mr. L. D., advocaat te …, … (ref. : …),
tegen :
De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de belastingen over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen; in persoon van de eerstaanwezend inspecteur van het Centraal BTW-ontvangkantoor voor buitenlandse belastingplichtigen, waarvan de kantoren gevestigd zijn te Brussel, Kantersteen 47,
verwerende partij,
vertegenwoordigd door Mr. D. B. loco Mr. A. D., advocaat te …, … (ref. : …),
In deze zaak, in beraad genomen op 12/06/2009, spreekt de rechtbank het
navolgend vonnis uit :
Gelet op :
- het verzoekschrift op grond van artikel 1385decies Ger.W., neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 27/03/2007;
- de beschikking tot regeling van conclusietermijnen overeenkomstig artikel 747, § 2 van het gerechtelijk wetboek van 22/10/2007;
- de besluiten en de synthesebesluiten van verweerder, neergelegd ter griffie op respectievelijk 21/03/2008 en 27/10/2008;
- de besluiten van eiseres, neergelegd ter griffie op 23/07/2008;
- de stukken van eiseres, neergelegd ter griffie op 20/05/2009.
Gehoord de raadslieden van partijen ter openbare zitting van 12/06/2009, waarna de zaak in beraad genomen werd.
Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
1. FEITEN
1. Eiseres is een onderneming naar Duits recht. Dat zij ook in België BTW-plichtig is staat tussen partijen met ter discussie.
Door de heer R. D. S., fiscaal deskundige bij de administratie van de BTW, registratie en domeinen, werd eind 2005 een controle uitgevoerd naar aanleiding van de teruggave van het BTW-krediet van het 3de kwartaal 2005. Deze controle had betrekking op de periode 01/01/2003-30/09/2005. Naar aanleiding hiervan werd een eerste proces-verbaal opgesteld op 06/12/2005.
Er werd geen bedrag aan eventueel achterstallige BTW vastgesteld, doch omdat er nog onduidelijkheden bestonden werd de teruggaaf van … euro bevroren.
Er werd tussen partijen nog briefwisseling gevoerd en een correctieopgave opgesteld (dewelke evenwel niet werd ondertekend).
Uiteindelijk werd op 30/11/2006 een proces-verbaal opgesteld, dat op 06/12/2006 aangetekend werd opgestuurd aan eiseres. Hierin werden de volgende vaststellingen gedaan :
1) een inbreuk op artikel 21, § 3, 7° BTW-wetboek juncto artikel 2 KB nr. 3 : voor een aantal facturen (Proximus en Canon) werd onterecht aftrek van BTW in België gedaan. Deze diensten zijn volgens de administratie op grond van artikel 21, § 3, 7° i en h BTW-wetboek in Duitsland verschuldigd (nu eiseres daar haar hoofdzetel heeft). Nu de in België aangerekende BTW niet regelmatig is, kan hiervan geen aftrek van worden gedaan.
2) Een aantal facturen hebben betrekking op meubilair en benodigdheden en zouden volgens de administratie geheel of gedeeltelijk bestemd zijn voor andere doeleinden dan die van de economische activiteit (art. 45, § 1 BTW-wetboek).
3) Een inbreuk op artikel 20 KB nr. 1 (verlegging van BTW) : de betreffende BTW werd niet opgenomen in de aangifte. Hiervoor is evenwel onmiddellijk een compensatie van toepassing met hetzelfde bedrag.
4) Intresten op de BTW vermeld onder punt 3, alsmede een bijkomende factuur van 'M.'.
Alzo zijn verschuldigd:
1) Nog verschuldigde BTW (na compensatie) : … euro;,
2) Proportionele boete : … euro;
3) Nalatigheidsintresten tot 20/10/2005 : … euro.
Op 18/12/2005 werd voor deze sommen een dwangbevel uitgevaardigd door de diensten van verweerder, uitvoerbaar verklaard op diezelfde dag, en betekend aan eiseres op 28/12/2006.
Eiseres stelde huidige vordering in met verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 27/03/2007.
2. VOORWERP VAN DE VORDERINGEN
2. De vordering van eiseres strekt ertoe :
- vrijstelling te verlenen van de ten onrechte gevorderde BTW-bedragen voor een totaal van … euro;
- vrijstelling te geven van de opgelegde geldboete van … euro;
- de vernietiging van de gevorderde nalatigheidsintresten van … euro.
Eiseres vordert tevens het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad.
Verweerder concludeert tot de ongegrondheid van de vordering.
3. BEOORDELING
3.1. Ontvankelijkheid
3. Verweerder werpt geen middelen van niet-ontvankelijkheid op, noch wordt enige ambtshalve grond van niet ontvankelijkheid vastgesteld. De vordering van eiseres is derhalve ontvankelijk.
3.2. Ten gronde
4.
4.1. Wat betreft de nog verschuldigde BTW over de facturen van Proximus en Canon (BTW waarvan verweerder de aftrek weigerde - rubriek 1 proces-verbaal 30/11/2006) laat eiseres gelden dat voor deze facturen in België door Proximus respectievelijk Canon BTW werd betaald. Het kopieerapparaat in kwestie werd overigens in België gebruikt.
Verweerder houdt vol dat de BTW ten onrechte in België werd betaald en dus niet kon afgetrokken worden. De betreffende diensten werden geacht in Duitsland te zijn geleverd aangezien de maatschappelijk zetel van eiseres in Duitsland gevestigd is (art. 21, § 3, 7° BTW-wetboek).
4.2. Door verweerder wordt niet betwist dat de betreffende facturen betrekking hadden en dienstig waren voor het verrichten door eiseres van een belaste handeling in België (logischerwijs kan een abonnement Proximus slechts relevant zijn voor België en uit de facturen blijkt dat het kwestieuze kopieerapparaat in België stond opgesteld).
De algemene regel is dat een dienst wordt geacht te zijn geleverd op de plaats waar de dienstverrichter zijn maatschappelijke zetel heeft. Artikel 21, § 3 voorziet hierop een uitzondering en neemt voor onder meer telecommunicatiediensten en verhuur van roerende goederen als uitgangspunt de plaats van de zetel van de economische activiteit of vaste inrichting waarvoor de dienst is verricht van de ontvanger van de dienst.
De bedoeling van deze bepaling is duidelijk. Voor de lokalisatie van de plaats waar deze diensten economisch geleverd worden, is de vestigingsplaats van de ontvanger van belang. Dit zijn immers diensten die op afstand kunnen geleverd worden. Hierdoor wordt de juridische lokalisatie van deze dienst (en dus de belastbaarheid) teruggekoppeld naar de plaats waar de dienst effectief is genoten. In de ketting van belastbare handelingen (in de situatie zoals thans van toepassing, waar de dienst heeft bijgedragen tot het stellen van een belastbare handeling en dus de BTW in aftrek kan genomen worden) wordt alzo de dienst gelokaliseerd op de plaats waar deze heeft bijgedragen tot het stellen van een belastbare handeling. Op deze wijze vallen de aftrek van de BTW van de betreffende dienst en het betalen van de BTW op de belastbare handeling waartoe de dienst heeft bijgedragen op dezelfde plaats.
Ten onrechte verwijst verweerder evenwel naar de maatschappelijke zetel van eiseres. In artikel 21, § 3, 7° heeft als criterium 'de zetel van zijn economische activiteit of een vaste inrichting heeft gevestigd waarvoor de dienst is verricht'. Het begrip 'vaste inrichting' is een feitelijk begrip en moet ingevuld worden in het licht van de aangehaalde bedoeling van deze bepaling.
Er staat in casu niet ter discussie dat verweerder in de periode waarop de betwiste BTW betrekking heeft in België economische activiteiten ontwikkelde waarbij ook gedurende bepaalde tijd werknemers naar België kwamen en de betwiste facturen specifiek betrekking hadden op deze economische activiteit. Ook blijkt dat voor deze activiteit (zie factuur Canon) in België een materiële inrichting werd gebruikt, waaraan onder meer de factuur van Canon werd gericht.
Op basis van deze gegevens moet voor deze facturen 'de vaste inrichting [...] waarvoor de dienst is verricht' geacht worden in België te zijn gevestigd. Terecht werd dan ook op deze facturen de Belgische BTW in aanmerking genomen en eiseres kan hiervan dan ook aftrek doen.
5.
5.1. Verweerder weigerde de BTW-afcrek voor een hele reeks facturen van I. en één factuur van E. C. C. (rubriek 2 proces-verbaal 30/11/2006) omdat aftrek niet mogelijk is voor .goederen die geheel of gedeeltelijk werden gebruikt voor privé-doeleinden.
Eiseres houdt vol dat deze meubels gebruikt werden voor het bemeubelen van woningen voor montagepersoneel dat gedurende langere tijd in België diende te verblijven. Op deze wijze dienden deze personen niet in hotels te verblijven.
5.2. Verweerder betwist niet de bestemming die eiseres aan deze meubelen gaf (zie proces-verbaal). Gelet op deze bestemming en het feit dat de omvang van deze aankopen hoe dan ook al het privaat gebruik overstijgt, is afdoende bewezen dat deze goederen gebruikt werden voor het stellen van een belastbare handeling en werd de aftrek van de BTW op deze aankopen ten onrechte geweigerd.
6.
6.1. Eiseres is van oordeel dat geen intrest kan aangerekend worden op de vermeende verschuldigde BTW (rubriek 4 proces-verbaal 30/11/2006). De verschuldigde BTW in hoofde van eiseres is berekend op basis van drie facturen waarvoor de verlegging van BTW gold (art. 20 KB nr. 1). Eiseres erkent dat deze facturen ten onrechte 0 % BTW vermelden en niet in de boekhouding werden opgenomen. Anderzijds aanvaardt verweerder de onmiddellijke compensatie van deze BTW, zodat geen BTW verschuldigd was (rubriek 3 proces-verbaal 30/11/2006, deze wordt niet betwist).
Verweerder stelt dat het betalen van BTW een plicht is, terwijl de aftrek een gunst zou zijn. Ook al werd de compensatie aanvaard, toch zou de BTW op zich (en dus intresten) verschuldigd zijn.
6.2. Eiseres haalt terecht aan dat de factuur 'M.' in het proces-verbaal zelfs niet werd aangehaald als BTW-schuld en hierop dus geen intresten op kunnen verschuldigd zijn. Verweerder laat op dit punt zelfs geen argument gelden.
Nu de factuur 'M.' inderdaad niet onder punt 3 als BTW-schuld werd opgenomen, kan hierop vanzelfsprekend ook geen intrest berekend worden.
6.3. Hoe dan ook geldt voor de facturen 'CSM' en 'M.' dat deze vielen onder de verlegging van BTW op grond van artikel 20 KB nr. 1. (dit wordt niet betwist). Eiseres heeft bovendien voor de facturen 'CSM' de onmiddellijke compensatie aangenomen in het proces-verbaal en dus aanvaard dat deze in aftrek konden genomen worden.
De BTW wordt eisbaar op het moment van de levering van het goed/de dienst (artikel 17 en 22 BTW-wetboek). De plicht om de BTW te voldoen bestaat ingevolge artikel 53, § 1, 3° BTW-wetboek binnen de termijn van de indiening van de aangifte.
Het recht op aftrek anderzijds bestaat ingevolge artikel 1 en 2 van het K.B. nr. 3 op hetzelfde moment als de eisbaarheid, met name het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt. Verweerder aanvaardt het recht op aftrek (hetgeen impliceert dat verweerder aanvaardt dat aan alle voorwaarden voor de aftrek voldaan was) overigens door een onmiddellijke compensatie toe te staan wat betreft deze facturen.
Hierdoor was de correctieopgave een loutere nuloperatie en ontstond er geen verplichting om een bepaald bedrag aan BTW te voldoen (de eisbaarheid van de BTW en het recht op aftrek ontstonden op hetzelfde moment). Hierop konden dan ook geen intresten berekend worden.
7. Wat betreft de boete, dient al vastgesteld te worden dat er voor de aftrek van de BTW van de facturen 'Proximus', 'Canon', 'l.' en 'E. C. C.' (rubrieken 1 en 2 proces-verbaal 30/11/2006) geen boete kon opgelegd worden, nu deze aftrek terecht gebeurde.
Wat betreft de boete wegens de facturen 'CSM' (inbreuk op artikel 20, KB nr. 1), geldt als volgt.
Op basis van artikel 70, § 1 BTW-wetboek wordt "[v]oor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, [...] een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde heffing". Deze bepaling kan evenwel geen grond vormen voor het opleggen van een boete wegens een loutere inbreuk op de BTW-reglementering. Een proportionele boete kan blijkens de termen van dit artikel slechts opgelegd worden indien er ook effectief BTW verschuldigd is en er dus een heffing ontdoken is of niet tijdig betaald werd.
Om de identieke redenen als aangehaald onder punt 6.3 is hiervan voor de facturen 'CSM' geen sprake. Verweerder aanvaardt immers zelf de onmiddellijke compensatie van de verschuldigde BTW met de aftrek hiervan door eiseres. Hierdoor vallen de eisbaarheid van de BTW en het recht op aftrek op hetzelfde moment en is er dus geen ontdoken of niet betaalde heffing. Verweerder legde dan ook ten onrechte een proportionele boete op.
8. De vorderingen van eiseres zijn dan ook gegrond.
Overeenkomstig artikel 1397 van het Gerechtelijk Wetboek wordt de tenuitvoerlegging van een eindvonnis geschorst in het geval van verzet of hoger beroep, behoudens een door de rechter toegestane voorlopige tenuitvoerlegging.
Bij gebrek aan duidelijke motieven ter ondersteuning van dit gedeelte van de vordering, is er geen enkele reden om een uitzondering toe te staan op de algemene regel.
4. KOSTEN, WAARDE VAN DE VORDERINGEN EN DE GEVORDERDE RECHTSPLEGINGSVERGOEDINGEN
9. Aangezien de vordering van eiseres gegrond is, worden de kosten van het geding ten laste van verweerder gelegd.
Op basis van de waarde van het geschil kan het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding begroot worden op … euro. Partijen vorderen over en weer het basisbedrag en vragen geen afwijking hiervan.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,
Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak,
Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,
Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en als volgt gegrond.
Zegt voor recht dat de volgende in het proces-verbaal van 30/11/2006, alsmede in het dwangbevel van 18/12/2006, opgenomen bedragen aan BTW, intresten en geldboete niet verschuldigd zijn :
- BTW : … euro;
- Intresten : … euro
- Boete : … euro.
Veroordeelt verweerder de kosten van het geding, en begroot deze kosten in hoofde van eiseres op … euro rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gevonnist en uitgesproken ter buitengewone openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 24 juni 2009.
Waar aanwezig waren en zitting namen :
De heer J. V. B. toegevoegd rechter
Mevrouw I. D. griffier.
I.D. J. V. B.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.