Werkingssfeer, dienst, belastbare handeling, vrijstelling, andere vrijstelling · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brugge 29 december 2008

Zoeken

Werkingssfeer, dienst, belastbare handeling, vrijstelling, andere vrijstellingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/werkingssfeer-dienst-belastbare-handeling-vrijstelling-rechtbank-brugge-2008-12-29-8db0

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brugge
Datum
29 december 2008

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

72 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 29.12.2008

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :

In de zaak 07/3967/A

de BVBA D. F. A. 1, met maatschappelijke zetel te …, …, …, (Ondernemingsnr. …), inzake de BVBA A. U. M., met zetel te …, …, (Ondernemingsnr. …),

eiseres,

voor wie zijn opgetreden Meester M. B. en Meester J. v. B., beiden advocaat met kantoor te …, …,

tegen :

De FOD FINANCIËN, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Wetstraat 12, 1000 BRUSSEL:

- in de persoon van de heer F. V., e.a. inspecteur bij de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, Administratie van de A.O.I.F. Controlecentrum OOSTENDE, met kantoren gevestigd te 8400 OOSTENDE, Vrijhavenstraat 1.

- in de persoon van de heer W. V., fiscaal deskundige, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, Controlecentrum OOSTENDE, met kantoren gevestigd te 8400 OOSTENDE. Vrijhavenstraat 1,

verweerder,

voor wie optreedt Meester L. D. S., advocaat met kantoor te …, …,

I. RECHTSPLEGING

Gelet op het fiscaal verzoekschrift d.d. 27 december 2007.

De rechtbank nam kennis van de dossiers van de rechtspleging en van de door partijen overlegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 1 december 2008.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

1. BVBA A. U. M. was t.e.m. 31 juli 2002 ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer BE …, voor de activiteit van begrafenisonderneming. Zij was derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

De vennootschap werd op 31 juli 2002 opgeslorpt door BVBA F., welke naam werd gewijzigd in BVBA S. F. A., met maatschappelijke zetel te …, …. Ondertussen is de naam gewijzigd in BVBA D. F. A. 1 en de maatschappelijke zetel verplaatst naar …, … (zijnde eiseres).

Op 14 april 2003 werd door W. V., eerstaanwezend verificateur bij de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit verbonden aan het controlekantoor te Oostende, een controle gestart over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde bij BVBA A. U. M. over de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2001.

Op 8 december 2003 werd door eiseres een akte van verzaking aan de verlopen verjaringstermijn ondertekend.

Op 14 december 2004 werden de overtredingen en vaststellingen opgenomen in een proces-verbaal door voormelde ambtenaar. Volgens de administratie werd ten onrechte de BTW op facturen m.b.t. de oprichting van de woongelegenheid bij het funerarium in aftrek gebracht. In het proces-verbaal is opgenomen dat eiseres verschuldigd is als BTW … EUR. als geldboete … EUR en intresten vanaf 21 januari 2002 op het btw-bedrag.

Op 8 april 2005 heeft eiseres onder voorbehoud een bedrag van … EUR betaald.

Op 27 december 2007 heeft eiseres een fiscaal verzoekschrift neergelegd.

2. Eiseres vraagt dat :

- de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;

- verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling van het bedrag van … EUR, te vermeerderen met de wettelijke intresten bedoeld in artikel 91, § 4 W.BTW vanaf 8 april 2005;

- verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. … EUR.

3. Verweerder vraagt dat de vordering van eiseres ongegrond wordt verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. … EUR.

III. BEOORDELING

A. Betreffende de toelaatbaarheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de eis toelaatbaar.

B. Betreffende de grond

1. woongelegenheid voor huisbewaarder

1.1. Volgens eiseres worden de woongelegenheden bij het funerarium gebruikt door huisbewaarders en is dit strikt verantwoord voor de behoeften van de onderneming. Volgens haar is de BTW die werd betaald bij de oprichting van de woongelegenheden dan ook aftrekbaar overeenkomstig artikel 45, § 1 W.BTW.

1.2. Conform artikel 45, § 1 W.BTW mag elke belastingplichtige op de belasting die hij verschuldigd is in aftrek brengen : de belasting geheven op de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, op de door hem ingevoerde goederen en op de door hem verrichte intracommunautaire verwerving van goederen. Dit alles in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van handelingen bedoeld in artikel 45, § 1, 1° tot 5° W.BTW. Er dient dus een rechtstreeks en onmiddellijk verband te bestaan tussen de aan de belastingplichtige geleverde goederen en diensten en de uitgaande handeling.

1.3. Uit het proces-verbaal blijkt dat het onroerend goed dat in de periode 2000 - 2001 werd gebouwd bestaat uit een funerarium op het gelijkvloers (winkel, kapel, rouwkamers, drukruimte, bureaus, wasplaats, douche) en een woongelegenheid op de eerste verdieping en een woongelegenheid op de tweede verdieping. De twee woongelegenheden worden elk bewoond door een zaakvoerder van de vennootschap. De toegang tot de woongelegenheden is mogelijk via een trap in de hall naast de winkel en via een buitendeur.

1.4. In het Besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (Vlarem II) is wat betreft een funerarium bepaald dat "Tijdens de exploitatie is de inrichting nooit zonder toezicht. Hiervoor is het noodzakelijk dat de exploitant of zijn aangestelde in de onmiddellijke omgeving van de inrichting woont of dat er een elektronische inbraak- en koelgroepbeveiliging is" (artikel 5.35.2.2).

De wetgeving stelt dus dat het noodzakelijk is dat de exploitant van het funerarium (of zijn aangestelde) in de onmiddellijke omgeving woont van het funerarium of dat er een elektronische inbraak- en koelgroepbeveiliging is.

Op de zitting van 1 december 2008 heeft de raadsman van eiseres gesteld dat het funerarium voorzien is van een elektronisch inbraak- en koelgroepbeveiliging. Dit heeft dus tot gevolg dat de woonst in de onmiddellijke omgeving van het funerarium niet noodzakelijk is volgens Vlarem II.

Eiseres bewijst niet dat het nodig of verantwoord is voor de activiteit van begrafenisonderneming dat een zaakvoerder of een aangestelde van eiseres boven het funerarium verblijft. Het bewijs wordt zeker niet geleverd voor 2 zaakvoerders die elk in een appartement boven het funerarium wonen. Eiseres bewijst evenmin dat 1 of beide woongelegenheden, geheel of gedeeltelijk, worden gebruikt voor de activiteit van begrafenisonderneming.

De twee woongelegenheden boven het funerarium kunnen misschien wel voordelen bieden, maar zijn niet strikt verantwoord of noodzakelijk voor de behoeften van de onderneming en overschrijden de behoeften van de overneming.

2. onroerende verhuur

2.1. De gratis terbeschikkingstelling van een woongelegenheid aan een zaakvoerder is zonder twijfel een dienst zoals bedoeld in artikel 19, § 1 W.BTW (in de versie zoals van toepassing in de betreffende periode). Het feit dat de zaakvoerder ingevolge deze gratis terbeschikkingstelling mogelijk belast is geweest op een voordeel van alle aard is niet belangrijk, het blijft nog altijd een gratis terbeschikkingstelling zoals bedoeld in artikel 19, § 1 W.BTW. Dit geldt wat betreft de twee woongelegenheden die niet strikt verantwoord of noodzakelijk zijn voor de behoeften van de onderneming en geen rechtstreeks verband houden met de exploitatie van het funerarium.

2.2. Partijen zijn het echter niet eens omtrent het feit of deze principieel belastbare handeling onder de vrijstelling valt van artikel 44, § 3, 2° W.BTW en het daarmee equivalente artikel 13, B, sub b van de Zesde btw-richtlijn.

2.3. Artikel 44, § 3, 2° W.BTW bepaalt dat van de BTW is vrijgesteld : de verpachting, de verhuur en de overdracht van huur uit van hun aard onroerende goederen, alsook het gebruik van dergelijke onroerende goederen onder de voorwaarde van artikel 19, § 1 W.BTW.

In de Zesde Richtlijn wordt echter gesteld dat de Lidstaten enkel vrijstelling kunnen verlenen voor verpachting en verhuur van onroerende goederen. Van een vrijstelling voor gebruik van dergelijke onroerende goederen onder de voorwaarde van artikel 19, § 1 W.BTW is er geen sprake.

De vrijstellingsbepaling zoals opgenomen in artikel 44, § 3, 2° W.BTW dient dan ook wegens schending van de Europese regelgeving voor niet gelezen te worden gehouden in de mate dat er tevens in een vrijstelling wordt voorzien voor het gebruik van dergelijke onroerende goederen onder de voorwaarden van artikel 19, §1 W.BTW (arrest Seeling H.V.J. 8 mei 2003, T.F.R. 2003, afl. 251. p 1032 e.v.).

2.4. Volgens het Hof van Justitie moet de vrijstelling van BTW voor onroerende verhuur beperkend worden geïnterpreteerd en kan zij enkel worden toegepast bij onroerende verhuur sensu stricto. Het gratis ter beschikking stellen van een onroerend goed vertoont niet de kenmerken van een onroerende verhuur sensu stricto aangezien er geen prijs wordt betaald, de duur van het genot niet is vastgelegd en niet contractueel is bepaald dat derden worden uitgesloten van het genot.

Deze stelling van het Europese Hof inzake de beperkende interpretatie van het begrip onroerende verhuur geldt niet alleen wanneer er sprake is van een ter beschikkingstelling door een natuurlijk persoon, maar ook wanneer de ter beschikkingstelling gebeurt door een rechtspersoon. Het toepassingsgebied van de Seeling-Ieer beperken tot de natuurlijke personen vindt geen steun noch in de toenmalig van toepassing zijnde Zesde Richtlijn, noch in artikel 19, § 1 W.BTW. In geen van voormelde wetsbepalingen wordt immers bepaald dat de gelijkstelling van het gebruik van een tot het bedrijf behorend goed voor andere doeleinden dan deze van de economische activiteit van de belastingplichtige met een dienst verricht onder bezwarende titel, beperkt zou zijn tot belastingplichtigen natuurlijke personen.

2.5. In tegenstelling met wat verweerder voorhoudt valt deze principieel belastbare BTW-handeling dus niet onder de vrijstelling van artikel 44, § 3, 2° W.BTW of het daarmee equivalente artikel 13, B, sub b van de Zesde btw-richtlijn.

Bij gebreke aan enige rechtsgeldige vrijstelling of aftrekbeperking kan dan ook niet anders dan worden besloten dat het recht op aftrek van BTW m.b.t. de twee woongelegenheden boven het funerarium en gratis ter beschikking gesteld van de zaakvoerders, niet wordt beperkt en dus volledig moet worden toegestaan.

3. intresten

De intresten op de eventueel geïnde sommen worden beheerst door artikel 91, § 4 W.BTW. Het betreft moratoire intresten, namelijk vanaf de aanmaning. De aanmaning tot terugbetaling is kennelijk pas door middel van het verzoekschrift gedaan. De intresten zijn dus verschuldigd vanaf 27 december 2007 en dit tegen de wettelijke rentevoet.

C. Betreffende de kosten

Gezien verweerder in het ongelijk wordt gesteld. moet hij overeenkomstig artikel 1017,1° lid Ger.W. de gerechtskosten dragen.

De waarde van de eis situeert zich tussen 40.000 en 60.000 EUR waarvoor het basis bedrag van de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig het KB van 26 oktober 2007 een bedrag van … EUR bedraagt, zoals gevorderd.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

De Rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart de eis toelaatbaar en gegrond in volgende mate.

Veroordeelt verweerder tot terugbetaling aan eiseres van het bedrag van … EUR, te vermeerderen met de intresten aan de wettelijke rentevoet, vanaf datum van betaling maar ten vroegste vanaf 27 december 2007, zijnde de datum van het verzoekschrift.

Veroordeelt verweerder tot de gedingkosten, aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven en aan de zijde van eiseres begroot op de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. … EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op maandag negenentwintig december tweeduizend en acht.

Aanwezig zijn :

D. P. L., alleenrechtsprekend rechter;

L. N., griffier.

N. L. L. D. P.

Aangehaalde teksten

1

Vergelijkbare beslissingen

8