Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 28.10.2008
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :
In de zaak 07/3394/A Rep. nr. 2008/14810
de NV E. V. S., architectenbureau (Ondernemingsnr. …), met maatschappelijke zetel te …, …
eiseres,
voor wie optreedt Meester F. V., advocaat met kantoor te …, …,
tegen :
De FOD FINANCIËN, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, in de persoon van de rekenplichtige van het 1e BTW-Ontvangkantoor te Kortrijk, met kantoor gevestigd te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat 31,
verweerder,
voor wie is opgetreden Meester F. H. (balie Kortrijk) loco Meester F. W., advocaat met kantoor te …, …,
I. RECHTSPLEGING
Gelet op het fiscaal verzoekschrift neergelegd ter griffie de dato 13.11.2007.
De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.
Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 30.09.2008.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
2.1. Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer …, voor de geregelde activiteit als bouw-architecten. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.
Door G. D., adjunct-fiscaal deskundige bij het FOD-financiën, werd een toezicht uitgevoerd over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde over de periode van 1 januari 2003 tot 31 december 2004.
Door G. D. voornoemd werd op 28 augustus 2007 een proces-verbaal opgesteld waarin de door eiseres begane overtredingen werden geacteerd.
De door de administratie gevorderde sommen werden onder voorbehoud van alle rechten en zonder enige nadelige bekentenis betaald op 17 september 2007.
2.2. Eiseres vraagt dat het fiscaal verhaal ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en dat dienvolgens de terugbetaling wordt bevolen van de in uitvoering van het proces-verbaal van 17.09.2007 betaalde 88.665,62 EUR, meer de wettelijke interesten vanaf datum betaling en de gerechtelijke rente vanaf heden. Tenslotte vordert zij dat verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in haar hoofde begroot op de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 3.000,00 EUR.
2.3. Verweerder vraagt dat de vordering ontvankelijk en ongegrond wordt verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in zijn hoofde begroot op het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding, zijnde 900,00 EUR.
III. BEOORDELING
3.1. nopens de ontvankelijkheid
Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kan leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.
3.2. nopens de grond
3.2.1. Het onroerend goed gelegen in de …, te … is een woonhuis dat deels beroepsmatig en deels privé wordt gebruikt. Voormeld onroerend goed werd door eiseres opgenomen in haar bedrijfsvermogen.
Het gevorderd bedrag van 65.395,78 EUR supplementaire BTW-rechten is het gevolg van het verwerpen van de gevraagde herziening en van het recht op aftrek inzake de BTW die betrekking heeft op diensten van aannemers die aan de nieuwbouw gelegen te …, …, hebben gewerkt en op de aankoop van goederen voor de bouw van voornoemd onroerend goed. Meer bepaald werden de door eiseres in aftrek gebrachte voorbelastingen m.b.t. de gefactureerde goederen en diensten die bestemd waren voor privé-doeleinden of meer in het algemeen voor andere doeleinden dan die van haar economische activiteit door verweerder verworpen.
3.2.2. Het gebruik van een tot het bedrijf behorend goed voor privé-doeleinden van de belastingplichtige of van zijn personeel of meer algemeen voor andere doeleinden dan deze van de economische activiteit van de belastingplichtige, is zonder twijfel een dienst zoals bedoeld in artikel 19, § 1 W.BTW, wanneer voor dat goed recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan (zoals van toepassing gedurende de gecontroleerde periode).
De vraag stelt zich of deze principieel belastbare handeling onder de vrijstelling valt van artikel 44, § 3, 2° W.BTW of het daarmee equivalente artikel 13, B, sub b van de Zesde BTW-richtlijn.
3.2.3. Artikel 44, § 3, 2° W.BTW bepaalt dat van de BTW is vrijgesteld : de verpachting, de verhuur en de overdracht van huur van uit hun aard onroerende goederen, alsook het gebruik van dergelijke onroerende goederen onder de voorwaarde van artikel 19, § 1 W.BTW.
In de Zesde richtlijn wordt echter gesteld dat Lidstaten enkel vrijstelling kunnen verlenen voor verpachting en verhuur van onroerende goederen. Van een vrijstelling voor gebruik van dergelijke onroerende goederen onder de voorwaarde van artikel 19, § 1 W.BTW is er geen sprake.
De vrijstellingsbepaling zoals opgenomen in artikel 44, § 3, 2° W.BTW dient dan ook wegens schendig van de Europese regelgeving voor niet gelezen te worden in de mate dat er tevens in een vrijstelling wordt voorzien voor "het gebruik van dergelijke onroerende goederen onder de voorwaarden van artikel 19, § 1 W.BTW (arrest seeling, H.V.J. 8 mei 2003, T.F.R. 2003, afl. 251, p. 1032 e.v.).
3.2.4. Volgens het Hof van Justitie heeft een belastingplichtige die een bedrijfsmiddel zowel gebruikt voor zijn economische activiteit als voor zijn privé-doeleinden de keuze om het gedeelte van dit goed dat hij voor privé-doeleinden gebruikt al dan niet in zijn bedrijfsvermogen op te nemen. Indien de belastingplichtige er voor kiest om dergelijk goed te behandelen als een goed van de onderneming, dan is er in principe een volledig en onmiddellijk recht op aftrek. Het gebruik voor de privé-doeleinden van de belastingplichtige van een woning in een gebouw dat hij volledig in zijn bedrijf heeft opgenomen, kan volgens het Hof niet worden gelijkgesteld met een van de belasting vrijgesteld gebruik als de verpachting de verhuur van onroerende goederen in de zin van artikel 13, B, sub b, van de zesde richtlijn (arrest Seeling).
Deze stelling van het Europees Hof is zowel van toepassing op belastingplichtigen-natuurlijke personen als op belastingplichtigen-rechtspersonen. Het toepassingsgebied van de Seeling-Ieer beperken tot de natuurlijke personen vindt geen steun noch in de toenmalig van toepassing zijnde zesde richtlijn, noch in artikel 19, § 1 W.BTW. In geen van voormelde wetsbepalingen wordt immers bepaald dat de gelijkstelling, van het gebruiken van een tot het bedrijf behorend goed voor andere doeleinden dan deze van de economische activiteit van de belastingplichtige met een dienst verricht onder bezwarende titel, beperk zou zijn tot belastingplichtigen natuurlijke personen.
3.2.5. De aftrek van voorbelasting met betrekking tot de op de pagina's 2 tot 5 van het proces-verbaal van 28 augustus 2007 weerhouden facturen kan dan ook niet worden geweigerd. Evenmin mag hij de gevraagde herziening weigeren.
3.2.6. Verder kunnen de gewijzigde artikelen 19, § 1 en 44, § 3, 2° W.BTW (zie Programmawet van 27 december 2006) onmogelijk van toepassing zijn op de niet gecontroleerde periode 2003 en 2004.
Alle verdere argumentatie is vanaf dan niet langer dienend.
3.3. nopens de kosten
Verweerder wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het gerechtelijk wetboek moet hij de gerechtskosten dragen. In hoofde van eiseres worden zij begroot op het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding en aldus gebracht op 3.000,00 EUR (de waarde van de vordering situeert zich tussen de 60.001,00 EUR en 100.000,00 EUR).
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.
Verklaart de vordering ontvankelijk en gegrond in de mate zoals hierna bepaald.
Zegt voor recht dat de in het bestreden proces-verbaal gevorderde BTW, boete en interest ongegrond is.
Veroordeelt dienvolgens verweerder tot terugbetaling van de in uitvoering van het proces-verbaal van 17.09.2007 betaalde 88.665,62 EUR, vermeerderd met de moratoire interest overeenkomstig artikel 91, § 4 W.BTW en dit te rekenen vanaf de inning ervan tot op datum van volledige terugbetaling.
Veroordeelt verweerder tot het betalen van de gerechtskosten, in zijn hoofde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven en begroot deze aan de zijde van eiseres op 3.000,00 EUR rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op dinsdag achtentwintig oktober tweeduizend en acht.
Aanwezig zijn :
H. N., alleenrechtsprekend rechter;
L. N., griffier.
N. L. N. H.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.