Werkingssfeer, dienst, belastbare handeling · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Gent 23 november 2000

Zoeken

Werkingssfeer, dienst, belastbare handelingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/werkingssfeer-dienst-belastbare-handeling-rechtbank-gent-2000-11-23-f7f0

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Gent
Datum
23 november 2000

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

83 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Gent d.d. 23.11.2000

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

TWAALFDE KAMER - OPENBARE TERECHTZITTING VAN 23 NOVEMBET 2000

Algemene rol nummer : 96/2591/A

In de zaak van :

N. M. BVBA, met maatschappelijke. zetel te 9000 Gent, Brabantdam 29, H.R. Gent nr. 117.736,

eiseres,

voor wie optreedt mr. A. V., advocaat te …, …;

Tegen :

de BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie der Belastingen op de toegevoegde waarde Registratie en Domeinen, in de persoon van de heer Hoofdcontroleur van het BTW-controlekantoor Gent 2, met kantoren te 9000 Gent, Ramen nr. 1;

verweerster,

voor wie optreedt mr. C. D., advocaat te …, …

werd de zaak door de partijen in haar geheel hernomen voor deze samenstelling van de rechtbank, en werden de partijen gehoord in hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van·26 oktober 2000, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen.

De rechtbank houdt rekening met volgende documenten :

1. de dagvaarding d.d. 17 augustus 1996,

2. de conclusies van verweerster neergelegd ter griffie op 14 juli 1997 en 21 december 1998,

3. de conclusies van eiseres neergelegd ter griffie op 25 november 1997 en 19 februari 1999,

4. de stukken overgelegd door eiseres,

5. de stukken overgelegd door verweerster,

6. het schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie d.d.14 juni 2000 neergelegd ter zitting op 22 juni 2000.

1. De vordering

De vordering van eiseres strekt ertoe :

- in hoofdorde verweerster te horen veroordelen tot terugbetaling aan eiseres van de door eiseres onder voorbehoud betaalde som van 727.494 frank te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf de ingebrekestelling d.d. 18 juli 1996 minstens vanaf de dagvaarding;

- in ondergeschikte orde na herleiding van de vordering van verweerster tot 489.540 frank aan BTW, 49.000 frank aan boeten en 70.494 frank aan intresten, verweerster te horen veroordelen tot terugbetaling aan eiseres van het saldo van de onder voorbehoud betaalde som door eiseres nl.118.206 frank te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf de ingebrekestelling d.d.18 juli 1996 minstens vanaf de dagvaarding;

- verweerster te horen veroordelen tot de kosten van het geding

2. Feiten en retro-akten

Eiseres, N. M. BVBA huurt het pand aan de …, …. In 1993 worden door eiseres verbouwingswerken verricht voor een totaal bedrag van 12.419.950 frank, waarop door eiseres een bedrag van 2.421.891 frank aan BTW in aftrek wordt gebracht.

Door de eigenaars van het pand wordt in het kader van de verbouwingswerken 3.000.000 frank ter beschikking gesteld aan eiseres.

Bij proces-verbaal d.d. 31 mei 1996 stelt de fiscale administratie dat door de eigenaars aan eiseres een bedrag wordt betaald van 3.000.000 frank als vergoeding voor uitgevoerde werken. Bij toepassing van art. 20 van het BTW-Wetboek wordt de eiseres geacht aan de eigenaars van het pand een dienst te hebben verstrekt in de mate waarin de gedane werken door de eigenaars, aan eiseres worden vergoed.

De huurster moet derhalve aan de eigenaars een factuur uitreiken volgens de gewone regelen.

Uit hoofde van de vastgestelde overtreding is verschuldigd :

BTW : 3.000.000 x 19,5 % = 585.000 frank

Boete : 58.000 frank

intresten per maand vertraging vanaf 21 januari 1995.

Op 18 juli 1996 betaalt eiseres de verschuldigde sommen waarbij ze tegelijkertijd het bevoegde BTW-Ontvangkantoor in gebreke stelt met het oog op een latere dagvaarding in terugbetaling.

Eiseres maakt de zaak aanhangig bij deze rechtbank.

3. Standpunt van de partijen

Verweerster stelt dat door de eigenaars 3.000.000 frank wordt betaald aan de huurster-eiseres als vergoeding voor uitgevoerde werken.

Indien de huurster de door haar gedane kosten geheel of gedeeltelijk, in de ene of andere vorm terugbetaald krijgt van de eigenaars dan wordt zij bij toepassing van artikel 20 van het BTW-Wetboek geacht aan die eigenaars een dienst te hebben verstrekt in de mate waarin de gedane werken door deze laatsten worden vergoed. De huurster moet de eigenaars een factuur uitreiken volgens de gewone regelen.

Eiseres, N. M. BVBA betwist de zienswijze van de administratie. Zij stelt dat de betaling van 3 miljoen frank door de eigenaars-verhuurders aan eiseres, geen terugbetaling inhoudt van de door eiseres gedane kosten aan het pand doch gewoon een som geld is die ze krijgt van de eigenaars-verhuurders, waarbij deze laatsten zich het recht voorbehouden de huur te verhogen.

Als argumentatie daarvoor verwijst eiseres naar de boekingen gedaan in de schoot van de vennootschap alsmede naar het feit dat de volle eigendom steeds bij haar berustte en er nooit een eigendomsoverdracht gebeurde naar de eigenaars-verhuurders.

Zij stelt dat indien de administratie in de transactie en dienst moet herkennen als bedoeld door art. 20 BTW-Wetboek zij dit aan de hand van feiten moet aantonen doch dat dit door de realiteit wordt tegengesproken.

Ondergeschikt stelt eiseres dat aan het proces-verbaal van 31 mei 1996 drie minnelijke inregelstellingen voorafgingen, waarbij telkens een ander bedrag aan BTW wordt gevorderd. Zij vraagt dan ook de bedragen te herleiden.

4. Bespreking

1 Het is inderdaad zo dat de fiscus de bewijslast draagt van 1) het feit dat haar recht in een wettekst is vastgelegd, m.a.w. dat het feit dat zij wil belasten aan heffing onderworpen is, en 2) dat dit feit werkelijk bestaat. (A. TIBERGIEN. Inleiding tot het Belgisch Fiscaal Recht 1986, Kluwer, p. 342, randnr. 510)

2. Ten onrechte houdt eiseres voor dat dit bewijs niet voorligt en ten onrechte houdt eiseres bij wijze van tegenbewijs voor dat de terbeschikkingstelling van 3 miljoen frank geen verband houdt met de investeringen en een financiering van de eigenaars-verhuurders is terug betaalbaar aan de eigenaars van het pand door middel van een huurprijsverhoging van 12 % op jaarbasis.

3. In de voorgelegde brief d.d. 3 april 1992 (st. 14 verweerster) stelt de verhuurder duidelijk dat het gaat om een "verbouwings-investering" van zijnentwege van 5 miljoen voor de verbouwing van gelijkvloers en eerste verdieping waarbij hij zal toezien op de verbouwingen.

In dezelfde brief staat dat de huurprijs verhoogd wordt met een bedrag van 12 % op de "investering" van 3 miljoen. Tevens wordt vermeld dat het nieuwe handelscontract zal van start gaan de maand die volgt na de betaling van de verbouwingsfacturen.

4. Indien de terbeschikkingstelling van 3 miljoen frank een financiering zou zijn komt het de rechtbank onbegrijpelijk voor dat partijen geen duidelijke afspraken maken met betrekking tot de terugbetaling van het kapitaal, de intrest en de termijn waarbinnen dit moet gebeuren. In het stuk 14 wordt enkel gesteld dat de huurprijs wordt verhoogd met een bedrag van 12 % op de investering van de eigenaars van 3 miljoen.

5. Bovendien zijn.de partijen niet consequent in de uitvoering van de door eiseres beweerde financiering.

Indien de huurprijsverhoging een terugbetaling van kapitaal betreft gebeurt zij belastingvrij en zijn de intresten aan roerende voorheffing onderworpen. Het is dan ook volkomen onlogisch dat de eigenaars-verhuurders het terug ontvangen kapitaal in de personenbelasting aangeven als "onroerend inkomen" zoals vermeld in de brief d.d. 3 april 1992. Dit vormt in hoofde van de verhuurders een overbelasting wat door eiseres zelf toegegeven wordt in haar conclusie, en haar stelling des te ongeloofwaardiger maakt.

6. I.v.b.m. de boeking en het eigendomsrecht.

Het argument van eiseres dat er geen eigendomsoverdracht gebeurt naar de eigenaars-verhuurder is niet ter zake dienend.

De boeking van de verbouwingswerken op het actief van de balans van eiseres houdt niet noodzakelijk in dat zij de volle eigendom van dat bestanddeel heeft.

Bovendien kan eiseres-huurster nooit het eigendomsrecht op de werken bezitten daar de werken onlosmakelijk verbonden zijn met het gehuurde goed, waardoor zij van rechtswege toekomen aan de eigenaars-verhuurder. Eiseres heeft hoogstens een persoonlijk recht op vergoeding.

Eiseres stelt dat de 3 miljoen frank door haar niet als een inkomen worden beschouwd.

Nochtans stelt de accountant van eiseres dat het bedrag van 3 miljoen wordt belast a rato van het percentage waartegen de investeringen worden afgeschreven. Indien het bedrag niet in eenmaal wordt belast dan wordt het toch gespreid belast à rato van het percentage waartegen de investeringen worden afgeschreven, wat uiteindelijk hetzelfde resultaat oplevert.

Bovendien zijn de wetgeving inzake vennootschappen en de wetgeving inzake BTW 2 onderscheiden wetgevingen en is het irrelevant het fiscaal winst begrip in de ene wetgeving te koppelen aan het feit dat iets al dan niet een belastbare dienst uitmaakt in de andere wetgeving.

7. De rechtbank acht het bewijs van het feit dat door de eigenaars van het gebouw een bedrag van 3 miljoen frank werd betaald aan eiseres als vergoeding voor de uitgevoerde werken voldoende geleverd.

Bij toepassing van art. 20, § 1 BTW-Wetboek wordt de eiseres geacht aan de eigenaars van het gebouw een dienst te hebben verstrekt in de mate waarin de door de eiseres gedane werken vergoed worden door de eigenaars-verhuurders. (zie Fiscaal Compendium, ced.samsom, F.10.2/15, nr. 3.11).

Toegepast op deze zaak betekent dit dat de eiseres een factuur moet opmaken met BTW op een bedrag van 3.000.000 frank.

8. Ondanks het feit dat er gedurende lange tijd onderhandelingen werden gevoerd en verschillende voorstellen tot minnelijke regeling werden gedaan, mag de administratie haar aanspraken definitief vastleggen op grond van een proces-verbaal.

De maatstaf van heffing, nl. het bedrag waarover de BTW wordt geheven (noodzakelijkerwijze een bedrag zonder BTW) is in principe een vergoeding in geld, in casu 3.000.000 frank.

Beschikkend gedeelte

OP DIE GRONDEN,

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak,

Melding makende dat de bepalingen van de artikelen 2 en 30 tot 42 van de wet op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd en met inachtneming van het schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie d.d. 14 juni 2000 neergelegd ter zitting op 22 juni 2000, neergelegd ter zitting op 22 juni 2000.

Alle meeromvattende of strijdige conclusies verwerpend als niet terzake dienend.

Verklaart de vordering ontvankelijk en niet gegrond,

Veroordeelt de eiseres tot de kosten van het geding tot dusver begroot als volgt :

aan de zijde van eiseres :

kosten dagvaarding : 2.979 frank;

rechtsplegingsvergoeding : 12.900 frank;

aan de zijde van verweerster

rechtsplegingsvergoeding : 12.900 frank.

Aldus gevonnist en uitgesproken in de openbare terechtzitting van de twaalfde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent op 23 NOVEMBER 2000.

De rechtbank was als volgt samengesteld :

R. T., ondervoorzitter, Voorzitter van de Kamer;

J. D. B., rechter

M. V. D. B., rechter

De griffier was : R. D C.

R. D. C. M. V. D. B. J. D. B. R. T.

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 204 voorkomens

Vergelijkbare beslissingen

8