Werkingssfeer, dienst, belastbare handeling · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brussel 18 maart 2005

Zoeken

Werkingssfeer, dienst, belastbare handelingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/werkingssfeer-dienst-belastbare-handeling-rechtbank-brussel-2005-03-18-2aa8

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brussel
Datum
18 maart 2005

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

51 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel d.d. 18.03.2005

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel, 33ste kamer

Fiscaal geschil – BTW

Op tegenspraak

Eindvonnis

AR 02/11879/A

In zake van :

De BVBA V. V., met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het HR Brussel onder het nummer … en ingeschreven in het register van de BTW-belastingplichtigen, onder het nummer …

eisende partij,

vertegenwoordigd door Mter. A. loco Mter. M. D., advocaat te …, ….

tegen :

De BELGISCHE STAAT, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, op vervolging en benaarstiging van de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te Halle, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1500 Halle, Zuster Bernardastraat 32,

verwerende partij,

vertegenwoordigd door Mter. S. F., advocaat te …, …,


Na beraad op 4 februari 2005 spreekt de rechtbank het navolgend vonnis uit :


De rechtbank heeft kennis genomen van de procedurestukken, voorgelegd in regelmatige vorm, waaronder :

- de dagvaarding in verzet tegen het dwangbevel van 17 januari 2002 betekend door het ambt Meester N., plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder van Meester V. met standplaats te Halle;

- de besluiten voor verweerder neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 28 mei 2002;

- het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 11 oktober 2002 waarin de zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Brussel wordt verwezen;

- de besluiten voor verweerder neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg op 7 maart 2003.

Gehoord de raadslieden van partijen op de openbare zitting van 4 februari 2005, waarna de bundels met stavingsstukken van partijen werden neergelegd en de zaak in beraad werd genomen.


1. FEITEN EN VORDERING

De belangrijkste feiten en voorgaande, relevant voor de beoordeling van de huidige zaak en zoals zij uit de door partijen neergelegde besluiten en stukken blijken, kunnen als volgt worden samengevat.

Eiseres is sinds 1 november 1994 geregistreerd als BTW-belastingplichtige?

In december 2001 voert de heer N. D. (eerstaanwezend verificateur bij een fiscaal bestuur en in die hoedanigheid ter beschikking gesteld van de Administratie van de onderneming- en inkomstenfiscaliteit, verbonden aan het controlecentrum Halle) bij eiseres een controle uit voor de periode van 1 januari 1998 tot 31 december 1999. De vaststellingen worden opgenomen in een proces-verbaal van 14 december 2001 (zie stuk 1, bundel verweerster). Volgens dit proces-verbaal zou eiseres aan de BTW-administratie de volgende sommen verschuldigd zijn :

- BTW : 257,93 euro

- Wettelijke boeten 515,86 euro

- Boete op grond van art. 70, § 1 024,79 euro

Op 18 december 2001 vaardigt verweerster een dwangbevel (op dezelfde dag geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de waarnemend en eerst aanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur te Halle I, aangewezen door de gewestelijk directeur te Mechelen). Voornoemd dwangbevel wordt aan eiseres betekend op 19 december 2001 (zie stuk 2, bundel van eiseres).

Bij dagvaarding van 17 januari 2001 tekent eiseres verzet aan tegen het dwangbevel.

Bij vonnis van 11 oktober 2002 verwijst de rechtbank van eerste aanleg te Leuven de zaak naar de rechtbank.

Eiseres verzoekt het verzet ontvankelijk en gegrond te verklaren. Derhalve het dwangbevel ban 19 december 2001 ongegrond te verklaren.

Verweerster concludeert tot de ongegrondheid van de vordering.

2. ONTVANKELIJKHEID

Partijen werpen geen specifieke gronden van niet-ontvankelijkheid van de vordering op. De rechtbank ziet evenmin redenen om ambtshalve te besluiten tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering. Deze is ontvankelijk.

3. BESPREKING TEN GRONDE

Eiseres voert aan dat zij beschikt over twee personenwagens waarvan één wordt gebruikt door de heer V., die voor deze wagen een voordeel in de personenbelasting aangeeft. De andere wagen, een Volvo 740 in de loop van het jaar 1990 vervangen door een Volvo 850, beiden 13 fiscale PK, is volgens eiseres noodzakelijk voor werfbezoeken en alle andere activiteiten van eiseres zoals prospectie, bezoeken aan leveranciers of potentiële leveranciers enz. Voor deze wagen wordt inzake directe belastingen geen voordeel in natura aangegeven.

De rechtbank stelt vast dat eiseres de bewering dat de wagen enkel wordt aangewend voor bedrijfsdoeleinden niet staaft aan de hand van stukken. Eiseres verwijst naar de verre territoriale spreiding van haar klanten en leveranciers maar brengt hiervan geen enkel bewijs bij. Terecht stelt verweerder dat eiseres het bewijs kan leveren dat het voertuig enkel wordt gebruikt voor beroepsdoeleinden door alle middelen van gemeenrecht, getuigen en vermoedens inbegrepen doch uitgezonderd de eed. Zij kan gebruik maken van positieve en controleerbare gegevens die aantonen dat het voertuig niet voor privé-doeleinden wordt gebruikt. Eiseres beperkt zich echter in haar verweer tot loutere beweringen zonder voorlegging van enig bewijsstuk die haar beweringen staven. Het tegenbewijs is dan ook niet geleverd.

Luidens artikel 19, § 2 van het BTW-wetboek wordt het privé-gebruik van een belastingplichtige alsook voor de terbeschikkingstelling voor de privé-doeleinden van zijn personeelsleden van een autovoertuig waarvoor in hoofde van de belastingplichtige recht op aftrek is ontstaan, gelijkgesteld met een dienst verricht onder bezwarende titel die de BTW opeisbaar maakt. Verweerder moet de hoegrootheid van het privé-gebruik niet aantonen. Van zodra er enig privé-gebruik is, wat door verweerder in voldoende mate wordt aangetoond, wordt op grond van het koninklijk besluit van 11 december 1992 (BS 30 december 1992) het voordeel uit het persoonlijk gebruik van een voertuig dat kosteloos ter beschikking van de verkrijger is gesteld op minimum 5.000 km bepaald. Het is een onweerlegbaar vermoeden zodat verweerder terecht een voordeel in natura weerhoudt van 3.274,67 euro inclusief BTW voor de jaren 1999 en 2000 samen.

Het verzet is ongegrond.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Verklaart het verzet van de BVBA V. ontvankelijk, maar ongegrond.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare zitting van de 33ste kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 18 maart 2005.

Waar aanwezig waren en zitting namen :

Mevrouw N. S., alleensprekend rechter,

Mevrouw V. V. D. S., beambte bij de griffie van deze zetel door de hoofdgriffier tijdelijk opdracht gegeven het ambt van griffier uit te oefenen overeenkomstig artikel 328, § 6 van het gerechtelijk wetboek.

V. V. D. S. N. S.

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 191 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8