Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Gent d.d. 08.11.2010
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT - ZESDE FISCALE KAMER, OPENBARE TERECHTZITTING VAN 8 NOVEMBER 2010
Rolnummer 06/2628/A
In de zaak van :
L. F., wonende te …, …, in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de C.V. B. A..BE, waarvan de vennootschapszetel destijds gevestigd was te …, … en met ondernemingsnummer …. in staat van faillissement verklaard bij vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Dendermonde dd. 29 oktober 2007.
EISER QQ, verweerder in gedwongen tussenkomst. voor wie optreedt mr. Y. V., advocaat te …, …,
tegen :
BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit. Controlecentrum Dendermonde, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 9200 Dendermonde. Begijnhoflaan 49 en de Administratie van Belastingen en Invordering, sector BTW, in de persoon van de rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor Aalst, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 9300 Aalst, Graanmarkt 1,
VERWEERDER, eiser in gedwongen tussenkomst, voor wie optreedt mr. E. V. A., advocaat te …, …,
Vonnist de rechtbank als volgt :
1. DE RECHTSPLEGING
De partijen werden gehoord in hun middelen op de openbare terechtzitting van 11 oktober 2010 waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen. Het dossier van rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien, in het bijzonder het gedinginleidend verzoekschrift op tegenspraak van 10 augustus 2006. de dagvaarding in gedwongen hervatting van geding dd. 12 februari 2009, de conclusies van partijen en hun stukkenbundels.
2. DE VORDERING
Eiser qq. verhaalt zich tegen het dwangbevel dat op 10 maart 2006 werd opgesteld door de heer F. B., eerstaanwezend inspecteur a.i., Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor te Aalst, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 16 maart 2006 door de heer L. V. M., eerstaanwezend inspecteur a.i. van de BTW-Controle te Dendermonde 1, daartoe aangewezen door de Gewestelijke Directeur van de Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen te Gent, en op 27 maart 2006 werd betekend aan de C.V.B.A B. A..BE tot beloop van een bedrag van achtereenvolgens … EUR als belasting over de toegevoegde waarde. … EUR geldboete, de interest van 0,80 % per maand vertraging, begroot op de verschuldigde BTW vanaf 21 januari 2004 en de moratoire interest op de nog verschuldigde geldboeten.
Hij verhaalt zich tevens tegen de beide processen-verbaal waarop bovenvermeld dwangbevel steunt. met name het PV van 8 oktober 2004 en het PV van 31 januari 2005, beide van de hand van de heer B., voornoemd.
Eiser qq. vordert de rechtbank bovenvermeld dwangbevel en PV's nietig en ongegrond te verklaren en te zeggen voor recht dat alle erin vermelde bedragen, zowel aan belasting over de toegevoegde waarde als geldboeten en interesten ten onrechte in rekening werden gebracht en gevorderd.
Dienvolgens verzoekt hij de rechtbank tevens verweerder te veroordelen tot integrale terugbetaling van de vanaf 8 oktober 2004 en/of tijdens de procedure teveel nagevorderde of ingehouden sommen.
3. DE RELEVANTE FEITEN EN HET GESCHIL
Op 24 juni 2004 en nogmaals op 6 september 2004 werd de C.V.B.A. B. A.BE door de administratie aan een controle onderworpen. Voorwerp van de controle waren de BTW-verrichtingen over de periode van 1 januari 2003 tot 31 december 2003.
Op basis van de vaststellingen gedaan tijdens deze controle werd op 8 oktober 2004 een eerste proces-verbaal opgesteld. door de vennootschap voor nietakkoord ondertekend en bij brief van 26 november 2004 uitdrukkelijk betwist.
Bij brief van 22 december 2004 werden de opmerkingen van de C.V.B.A. B. A..BE door verweerder tegengesproken.
Lastens de belastingplichtige werd op 31 januari 2005 nog een tweede proces verbaal tot vaststelling van de inbreuken opgemaakt.
Het overeenstemmende dwangbevel van 10 maart 2006 werd bij deurwaardersexploot van 27 maart 2006 aan de vennootschap betekend.
De gerechtsdeurwaarder ging op 19 juli 2006 tevens over tot uitvoerend beslag op roerende goederen, doch dit werd later omgezet in een proces-verbaal van niet-bevinding.
Op 10 augustus 2006 werd door de vennootschap een verzoekschrift ingediend, waardoor het geschil aan deze rechtbank werd voorgelegd.
De C.V.B.A. B. A..BE werd hangende het geding bij vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Dendermonde van 29 oktober 2007 in staat van faillissement verklaard.
Bij vonnis van 1 oktober 2008 werd het faillissement gesloten verklaard bij gebrek aan actief en werd eiser qq. aangesteld als vereffenaar.
Bij exploot van 12 februari 2009 werd eiser qq. ten verzoeke van verweerder gedagvaard in gedwongen hervatting van geding.
4. BEOORDELING
4.1. Met betrekking tot de ontvankelijkheid
Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de vordering van eiser qq. ontvankelijk.
4.2. Met betrekking tot de grond van de zaak
Voor wat betreft het vermeende gebrek aan motivering
4.2.1. Eiser qq. stelt dat de Wet motivering bestuurshandelingen van 29 juni 1991 integraal van toepassing is op het dwangbevel met aangehecht procesverbaal van de administratie.
Opdat de belastingplichtige zijn verzet met redenen zou kunnen omkleden, is het volgens eiser qq. vereist dat deze kennis kan nemen van de redenen die de administratie ertoe aangezet hebben om een navordering en vervolging in te spannen.
De motivering van het dwangbevel en het aangehecht proces-verbaal zou in dit geval niet afdoende zijn.
4.2.2. Verweerder wijst er anderzijds op dat het proces-verbaal melding maakt van :
- de inbreuken op de aftrekregeling voor facturen;
- het feit dat de door eiser qq. voorgelegde verantwoordingsstukken niet werden opgemaakt conform artikel 5 van het KB nr. 1, zodat geen recht op aftrek kon worden uitgeoefend;
- eiser qq. dit recht niettemin heeft uitgeoefend zodat de onterecht afgetrokken BTW wordt teruggevorderd.
Verweerder meent dat het dwangbevel aldus op een pertinente motivering berust.
4.2.3. De rechtbank is het met verweerder eens dat aan de hand van de hierboven opgesomde gegevens zowel in feite als in rechte op duidelijke en volledige wijze werd uiteengezet waarom de administratie zich gerechtigd zag om een bedrag van … EUR aan BTW terug te vorderen lastens de C.V.B.A. B. A..BE.
Ook de aangerekende geldboete werd aan de hand van een expliciete berekening, gestaafd met verwijzing naar de toepasselijke wetsbepalingen, verduidelijkt en verantwoord.
De inhoud van het dwangbevel en aangehecht proces-verbaal volstaat derhalve ruimschoots om de belastingplichtige toe te laten de gronden van de navordering te kennen en te beoordelen. om vervolgens zijn verweer te voeren.
Het valt de rechtbank overigens op dat eiser qq., behoudens een theoretisch exposé over de motiveringsplicht niet concreet aanduidt in welk opzicht de motivering in dit geval tekort zóu schieten. wat de overtuigingskracht van deze grief nog verder ondermijnt.
De vordering van eiser qq. kan dus alvast niet ingewilligd worden op grond van een vermeend gebrek aan motivering.
Voor wat betreft de toepassing van artikel 45 W.BTW en artikel 3 van het KB nr. 3 van 10 december 1969
4.2.4. Eiser qq. is van oordeel dat de twee interne nota's. opgemaakt op grond van een overeenkomst tussen de C.V.O.A. B. A..BE en de N.V. L. M. EN C. S. (afgekort L.M.C.S.) dd. 15 september 2003. wel degelijk voldoen aan alle vereisten inzake aftrek van de BTW.
Op grond van artikel 22, § 2, 3e alinea W.BTW wordt de belasting of het desbetreffende gedeelte daarvan immers opeisbaar op het tijdstip waarop de prijs of een deel ervan volgens het contract moet worden voldaan, wanneer dat tijdstip voorafgaat aan de tijdstippen bepaald in de vorige leden van dit artikel.
Eiser qq. vestigt vervolgens de aandacht op het artikel 3 van de overeenkomst, dat per 30 september 2003 betaling voorschreef van een bedrag van … EUR en per 31 december 2003 van de som van … EUR.
Eiser qq. meent dat de C.V. B. A..BE afbreuk zou hebben gedaan aan bovenvermelde overeenkomst, aan haar boekhoudkundige verplichtingen én aan de wettelijke vereiste dat de boekhouding een getrouw beeld van de onderneming verschaft, indien zij zou nagelaten hebben de interne nota's in de boekhouding op te nemen.
Het betoog van verweerder' dat de dienstverrichter de facturen diende op te stellen. is volgens verweerder naast de kwestie aangezien L.M.C.S. geen facturen kon opmaken zolang niet voldaan was aan de voorwaarden van de overeenkomst.
4.2.5. Verweerder stelt hier tegenover dat de belastingplichtige voor de uitoefening van het recht op aftrek zoals bedoeld in artikel 45 W.BTW moet beschikken over een factuur, uitgereikt overeenkomstig de artikelen 53, § 2 en 53 acties W.BTW en met vermelding van de gegevens bepaald in artikel 5 van het KB nr. 1 van 29 december 1992.
De interne nota's waar eiser qq. zich op beroept, zijn evenwel geen facturen in de zin van artikel 53, 2° W.BTW. aldus verweerder. Niet alleen werden deze stukken niet door de dienstverrichter uitgereikt, zij dragen bovendien geen factuurnummer, noch enige verdere identificatie van de dienstverrichter. In de nota's wordt verder volgens verweerder geen melding gemaakt van de gegevens die toelaten de handeling te determineren. onder meer voor wat de benaming van de diensten betreft, hun hoeveelheid en voorwerp.
Bij gebrek aan het voldoen aan de voorwaarden van artikel 45 W.BTW en artikel 3, § 1, 1° W.BTW kan het recht op aftrek dus niet spelen, althans volgens verweerder.
Verweerder ontkent dat de vennootschap gezondigd zou hebben tegen haar contractuele en/of boekhoudkundige verplichtingen indien zij de interne nota's niet in haar boekhouding zou hebben opgenomen. De balans per 31 december 2003 vermeldt de schulden niet op het passief. waaruit verweerder afleidt dat de stukken enkel werden opgesteld om de aftrek van BTW te bekomen. Indien de C.V. B. A..BE de schuld dan toch tot uitdrukking wou brengen in haar boeken, diende zij in de visie van verweerder de rekening 444 (te ontvangen facturen) te crediteren.
Zelfs indien al sprake zou zijn van een boekhoudkundige verplichting, laat dit de vennootschap bovendien nog niet toe de BTW-wetgeving zomaar terzijde te schuiven, aldus verweerder.
4.2.6. Artikel 45 § 1 W.BTW bepaalt dat elk belastingplichtige, op de belasting die hij verschuldigd is, de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, in aftrek mag brengen in de mate dat hij de goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van handelingen bedoeld in artikel 45 § 1, 1° tot 5° W.BTW.
Om zijn recht van aftrek te kunnen uitoefenen moet de belastingplichtige overeenkomstig artikel 3, § 1,1° KB nr. 3 van 10 december 1969 in het bezit zijn van een regelmatige factuur, uitgereikt overeenkomstig de artikelen 53, § 2 en 53octies W.BTW waarop de vermeldingen voorkomen bedoeld in artikel 5, § 1 KB nr. 1 met betrekking tot de regeling voor voldoening van de BTW.
De dienstverrichter of leverancier van goederen moet bijgevolg een factuur uitreiken, waarop worden vermeld : de datum van uitreiking en een opeenvolgend nummer, de naam of maatschappelijke benaming van de dienstverrichter/leverancier, het adres van diens administratieve of maatschappelijke zetel, diens BTW-nummer, de naam/maatschappelijke benaming, adres en BTW-identificatienummer van de medecontractant, de datum waarop het belastbaar feit heeft plaatsgevonden of de datum van incassering van de prijs of een deel ervan, de gegevens die nodig zijn om de handeling te determineren en het tarief van de belasting vast te stellen, de maatstaf van de heffing, evenals de tarieven en het totaalbedrag van de verschuldigde belasting.
Door eiser qq. wordt niet betwist dat door L.M.C.S, als consultant en derhalve dienstverrichter aangeduid in de overeenkomst van 30 september 2000, geen facturen werden uitgereikt.
Het is in dit geval integendeel de mede-contractant van de dienstverrichter geweest de C.V. B. A..BE zelf, die op grond van de overeenkomst stukken heeft uitgereikt, door haarzelf betiteld als "interne nota's". Deze stukken bevatten evenmin alle hierboven aangehaalde vermeldingen, voorgeschreven door de wet om als schuldenaar van de factuur van de aftrek te kunnen genieten. wat door eiser qq. evenmin wordt ontkend.
Aangezien eiser qq. derhalve niet beschikt over de vereiste facturen met opgave van de vermeldingen zoals bepaald bij artikel 5, §1, 1°, 2° en 6° KB nr. 1, werd niet voldaan aan de vereisten van artikel 45 § 1 en artikel 3, § 1,1° KB nr. 3 van 10 december 1969 op het ogenblik dat het recht van aftrek werd uitgeoefend.
De verwijzing door eiser qq. naar de onderliggende overeenkomst is irrelevant. gelet op het feit dat enkel de dienstverrichter een regelmatige factuur, nodig voor de aftrek, kon uitreiken. Eiser qq. kan zich niet verschuilen achter een vermeende contractuele verplichting om de bij wet bepaalde voorwaarden voor aftrek van BTW naast zich neer te leggen. Ter zake faalt eiser qq. overigens in het bewijs hiervan, nu niet wordt gepreciseerd welke contractsclausule de vennootschap ertoe "verplicht" zou hebben de nota's uit te schrijven. Dat eiser qq. zich evenmin op boekhoudkundige motieven van de verplichtingen ter zake vrijgesteld kan weten, werd op overtuigende wijze uiteengezet in de conclusies voor verweerder. Hieruit blijkt dat de C.V. B. A..BE over de mogelijkheid beschikte om de overeenkomst in haar boeken te verwerken, opnieuw zonder ertoe gehouden te zijn de betwiste nota's op te stellen.
Verweerder heeft dan ook terecht de interne nota's, mede gelet op de gedane vaststellingen als niet reglementair beschouwd. Bij gebrek aan reglementaire facturen afkomstig van de dienstverrichter, kon het recht op aftrek geen toepassing vinden. De door eiser qq. gevraagde aftrek kan dan ook niet worden toegestaan.
Voor wat betreft de kosten van het geding
4.2.7. Eiser qq. dient, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten te worden verwezen (art. 1017, eerste lid Gerechtelijk Wetboek).
De vordering is in dit geval in geld waardeerbaar. Het bedrag van deze vordering ligt, gelet op de omvang van de bestreden navordering en de vordering van eiser qq. tot vernietiging hiervan, in de schijf van … tot … EUR. Het toepasselijke basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding bedraagt bijgevolg … EUR. .
Er worden geen bijzondere redenen aangevoerd die een afwijking van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding verantwoorden.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Recht doende op tegenspraak.
Melding makende van het feit dat de bepalingen van artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd.
Alle meeromvattende en strijdige conclusies verwerpend als niet terzake dienend.
Verklaart de vordering ontvankelijk doch ongegrond.
Veroordeelt eiser qq. tot de kosten van het geding.
Begroot deze kosten als volgt :
-aan de zijde van verweerder: de basisrechtsplegingsvergoeding : … EUR.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op acht november tweeduizend en tien, waar aanwezig waren :
mevrouw A. D. C., rechter, voorzitter van deze kamer,
mevrouw G. L., griffier.
G. L. A. D. C.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.