Werkingssfeer, dienst, belastbare handeling, maatstaf van heffing, vrijstelling · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Gent 7 december 2004

Zoeken

Werkingssfeer, dienst, belastbare handeling, maatstaf van heffing, vrijstellingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/werkingssfeer-dienst-belastbare-handeling-maatstaf-hof-van-beroep-gent-2004-12-07-5f7b

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Gent
Datum
7 december 2004

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

67 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 07.12.2004

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Hof van beroep te Gent, 5be kamer

Nr : 2001/AR/367

in de zaak van :

N. M. BVBA, met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Gent, onder het nummer …,

appellante,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. M. L. loco mr. V. A., advocaat te …, …

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de Rekenplichtige van het BTW­ontvangkantoor Gent 2, met kantoren te 9000 Gent, Martelaarslaan 23,

geïntimeerde,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. C., advocaat te …, …

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

1. Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 27.8.1996 dagvaardde de appellante de geïntimeerde voor de rechtbank van eerste aanleg te Gent teneinde in hoofdorde de geïntimeerde te horen veroordelen tot terugbetaling van het onder voorbehoud betaald bedrag van … BEF (thans … EUR), meer de wettelijke intresten vanaf de aangetekende ingebrekestelling d.d. 18.7.1996, minstens vanaf de dagvaarding. De vermelde hoofdsom is samengesteld uit BTW, boete en nalatigheidsintresten die volgens de appellante niet verschuldigd waren.

Ondergeschikt vorderde de appellante de herleiding van de vordering tot … BEF (thans … EUR) BTW+ … BEF (thans … EUR) boete + … BEF (thans … EUR) nalatigheidsintresten, en vorderde zij dienovereenkomstig de veroordeling van de geïntimeerde tot terugbetaling van het teveel betaalde van … BEF (thans … EUR), meer de wettelijke intresten vanaf de aangetekende ingebrekestelling d.d. 18.7.1996, minstens vanaf de dagvaarding.

Bij vonnis van 23.11.2000 van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, 12e kamer, werd de vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard en werd de appellante veroordeeld tot de kosten.

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 14.2.2001 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vermelde vonnis.

Het blijkt niet dat dit vonnis werd betekend of dat de appellante er in zou hebben berust.

Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.

De appellante vordert de vernietiging van het bestreden vonnis en herneemt haar oorspronkelijke vordering (licht gewijzigd : in beroep wordt in ondergeschikte orde … BEF (thans … EUR) in hoofdsom gevorderd).

De geïntimeerde vordert de bevestiging van het bestreden vonnis.

2. De appellante was huurster van een pand gelegen te …, …, waarin zij haar handel - verkoop van kleding, schoenen en andere modeartikelen - uitbaatte (zie o.m. p. 4 van het inleidend verzoekschrift hoger beroep, waarin wordt gesteld dat de winkel reeds geruime tijd door de appellante werd gehuurd; zie ook de bestemming van het handelspand, artikel II van de handelshuurovereenkomst van 1.7.1993, stuk 6 van de appellante). Zij wenste tot verbouwing van dit pand over te gaan. Volgens de opgave door de appellante (zie het inleidend verzoekschrift, p. 5) bedroeg de totale prijs van de (belangrijke) verbouwingswerken, uitgevoerd in 1993, … BEF (thans … EUR). In het kader van deze verbouwing kwam zij met de eigenaar van het pand onder meer tot volgende overeenkomsten :

• de geplande verbouwingswerken worden door de eigenaar goedgekeurd en aanvaard (artikel XI van de handelshuurovereenkomst van 1.7.1993, stuk 6 van de appellante);

• deze verbouwingswerken zijn ten laste en voor rekening van de huurder, d.i. de appellante (zelfde bepaling);

• de eigenaar doet wat hij noemt een "verbouwingsinvestering" (stuk 14 van de geïntimeerde); in dit laatste stuk is oorspronkelijk wel sprake van een "investering” van … BEF (thans … EUR), doch even verder is er sprake van "aanpassing van het huurcontract volgens investering" en wordt gewag gemaakt van het bedrag van … BEF (thans … EUR) als een van de berekeningsbasissen, bedrag dat uiteindelijk door de eigenaar aan de appellante werd betaald, zodat mag aangenomen worden dat wel … BEF (thans … EUR) bedoeld werd;

• er wordt een nieuwe handelshuurovereenkomst d.d. 1.7. 1993 (stuk 6 van de appellante) afgesloten voor een oorspronkelijke duur van 27 jaren ingaand op 1.4.1993 (artikel III van de overeenkomst), en waarbij onder meer overeengekomen wordt dat - behoudens andersluidende schriftelijke overeenkomst - de verhuurder bij het einde van de huurovereenkomst de door de huurder (al dan niet met toelating) uitgevoerde werken door natrekking in eigendom zal verwerven, en dit zonder dat daartoe enige vergoeding aan de huurder zal dienen te worden betaald;

• de in de nieuwe handelshuurovereenkomst bepaalde huurprijs bedraagt … BEF (thans … EUR) per jaar of … BEF (thans … EUR) per maand; dit is het huurprijsbedrag dat voorgesteld werd door de eigenaar in de brief van 3.4.1992 en als volgt in die brief werd gestaafd (stuk 14 van de geïntimeerde) :

"

Zoals overeengekomen laat ik U een voorstel geworden gebaseerd op een investering van … voor de verbouwing van gelijkvloers en 1ste verdiep.

Aanpassing van het huurcontract volgens investering

- … à 12 % = … fr : 12 maand= … fr

- huidige huur gelijkvloers : = … fr

- huidige huur 1ste verdiep (2 appartement.) … fr

- garage … fr

Rekening houdende met :

- verhoging 2 jaar index 1992/93 : … fr

- lage huur van de 2 appartementen alsook de vermeerdering

van onze personenbelasting die gezien het 1ste verdiep

ook als handelsuitbating komt : … fr

Voor dit nieuwe handelshuurcontract stel ik een huurwaarde voor van … fr per maand + de grondbelastingen.";

De eigenaar betaalde aan de appellante een bedrag van … BEF (thans … EUR).

Onder verwijzing naar artikel 20, § 1 BTW-wetboek en een administratieve BTW­ beslissing nr. E.T. 9284 van 27.1.1972 (vergelijk ook met de BTW-beslissing nr. E.T. 18709 d.d. 26.7.1974 en met de BTW-commentaar nr. 20/134), is de geïntimeerde van oordeel dat dit een betaling is als vergoeding voor de uitgevoerde werken, dat de appellante t.o.v. de eigenaar te beschouwen is als dienstverrichter voor dit bedrag, en dat zij een factuur had moeten opmaken met BTW in de mate waarin de eigenaar in de bouwwerken tussenkwam. Voor de geïntimeerde was de appellante derhalve een bedrag van … BEF (thans … EUR) x 19,5 % = … BEF (thans … EUR) aan BTW verschuldigd.

De appellante betwist dit standpunt, stellende dat het een financiering van … BEF (thans … EUR) betreft die door middel van een huurprijsverhoging wordt terugbetaald aan de verhuurder, en geen tussenkomst in de kosten van verbouwing. De appellante is van oordeel dat geen BTW verschuldigd is.

De vermelding in de brief van 3.4.1992 (stuk 14 van de geïntimeerde) "… à 12 % = … fr : 12 maand = … fr." doet aan de mogelijkheid van een lening denken, doch nergens is terugbetaling van het uitgeleende kapitaal voorzien, element dat nochtans essentieel is opdat van een lening sprake zou kunnen zijn.

Het opnemen ter berekening van de huurprijs van 12 % van het door de eigenaar betaalde bedrag wijst niet op de terugbetaling van dit bedrag. De huur loopt aanvankelijk gedurende 27 jaren, met mogelijkheid tot hernieuwing (wat aan de appellante een grotere zekerheid geeft dat zij haar handel voor lange tijd in het gehuurde pand zal kunnen uitoefenen, wat gezien de door de appellante gedane belangrijke investeringen begrijpelijk is), en de (verhoogde) huurprijs dient in beginsel betaald te worden tot aan het einde van de huur, waarvan de juiste datum niet te voorzien is. Het percentage van 12 % is bij benadering de rentevoet die in 1992 (jaar van het voorstel van de eigenaar in de brief van 3.4.1992) gemiddeld werd toegepast voor niet-hypothecaire leningen zonder welbepaalde looptijd (vergelijk bvb. met artikel 18, § 3, 1 d) KB-WIB/1992). Dit toont aan dat de eigenaar als element ter bepaling van de huurprijs enkel een normaal mogelijke opbrengst van het bedrag van … BEF (thans … EUR) tot aan het einde van de huur in aanmerking heeft willen nemen, dus blijkbaar tot op het ogenblik dat de huurder niet meer het genot zou hebben van het verhuurde pand met zijn verbouwingen.

De eigenaar stelt dat hij een "investering... voor de verbouwing van gelijkvloers en eerste verdiep" doet (zie de termen gebruikt in de brief d.d. 3.4.1992, stuk 14 van de geïntimeerde). Deze termen kunnen te dezen niet anders geïnterpreteerd worden dan dat hij zelf een deel van de verbouwingswerken ten laste heeft willen nemen, en niet aan de appellante tegen terugbetaling ervan louter een kapitaal heeft willen ter beschikking stellen. Hierbij moet aangenomen worden dat de eigenaar deze investering gerechtvaardigd achtte door bepaalde voordelen die hij in het kader van de nieuwe handelshuurovereenkomst en de verbouwing bekwam en die van allerlei aard kunnen zijn (zo kan bvb. gedacht worden aan verhoging van de huurprijs - niet alleen verhoogd in functie van de normaal mogelijke opbrengst van het geïnvesteerde bedrag - maar ook van andere elementen, zie de brief van 3.4.1992; de indexering van het volledige bedrag van de huurprijs (artikel VII van de huurovereenkomst, stuk 6 van de appellante); de zekerheid van een voor lange tijd verzekerde huuropbrengst wellicht gepaard gaande met een vertrouwen in de verdere bloei van de in het pand gevestigde handelszaak waarvan de eigenaar belangrijke investeringen deed; e.d. meer).

De clausule in de handelshuurovereenkomst volgens welke de verhuurder bij het einde van de huurovereenkomst de door de huurder (al dan niet met toelating) uitgevoerde werken door natrekking in eigendom zal verwerven kan evenmin beschouwd worden als een terugbetaling van kapitaal. Het is trouwens zeer de vraag wat nog de waarde van de verbouwingswerken zal zijn na afloop van de (te dezen in beginsel lange) handelshuurovereenkomst.

Van "financiering", zoals de appellante dit noemt, in de zin dat het een handeling zou inhouden vrijgesteld bij de artikelen 13.B.d)1 Zesde Richtlijn en 44, § 3, 5° BTW-wetboek, is te dezen dan ook geen sprake. Noch een lening noch een andere vorm van kredietverlening van de kant van de eigenaar blijken.

Dit alles leidt tot het besluit dat de geïntimeerde terecht heeft aangenomen dat de appellante ten opzichte van de eigenaar een dienst heeft verricht in de zin van de artikelen 6.1 Zesde Richtlijn nr. 77/388/EEG Raad 17 mei 1977, 18 § 1 BTW­wetboek, 6.4 Zesde Richtlijn en 20 § 1 BTW-wetboek voor het bedrag van … BEF (thans … EUR) waarvoor de eigenaar in de verbouwingswerken is tussengekomen.

Te dezen is de wijze waarop de appellante werd belast in de vennootschapsbelasting of de wijze waarop zij de operatie heeft geboekt zonder invloed op de vraag of aan de eigenaar al dan niet een dienst werd verleend. Dit zou inhouden dat de vennootschapsbelasting en de boekhouding zouden bepalen of al dan niet BTW verschuldigd is, terwijl de BTW-schuld bepaald wordt door de desbetreffende BTW-wetgeving.

Eveneens zonder invloed is wie tijdens de huur en op het einde van de huur eigenaar is van de verbouwingen. De oplossing van deze vraag beïnvloedt niet de vraag of al dan niet een dienst werd verleend. Waar de appellante opmerkt dat naar privaatrecht er geen overdracht van eigendom is tussen de commissionair en zijn lastgever, moet worden opgemerkt dat voor de toepassing van 6.4 Zesde Richtlijn en 20 § 1 BTW-wetboek wordt aangenomen dat een overdracht plaatsheeft, ook al is dit niet zo naar privaatrecht (vergelijk met BTW-commentaar nr. 20/23 en de verwijzing aldaar naar de parlementaire voorbereiding).

3. De appellante laat gelden dat uiteindelijk een bedrag aan BTW werd gevorderd van … BEF (thans … EUR) x 19,5 % = … BEF (thans … EUR), terwijl voorheen ook een bedrag van … BEF (thans … EUR) aan BTW werd gevorderd, waarbij de BTW werd geacht begrepen te zijn in het bedrag van … BEF (thans … EUR). De appellante vordert de herleiding van de gevorderde BTW tot het bedrag van … BEF (thans … EUR), en de overeenkomstige herleiding van boete en intresten.

Krachtens de artikelen 11.A.1.a) Zesde Richtlijn en 26 BTW-wetboek is de belastbare basis wat de dienstverrichter als tegenprestatie verkrijgt of moet verkrijgen. Deze tegenprestatie is hier de betaling van een som geld van … BEF (thans … EUR). Hierop dient de BTW te worden berekend zoals door de geïntimeerde gedaan.

Beschikkend gedeelte

OP DIE GRONDEN,

HET HOF, recht doende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Ontvangt het hoger beroep doch verklaart het ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis.

Veroordeelt de appellante tot de kosten van het hoger beroep, begroot als volgt :

• aan de zijde van de appellante : op … EUR uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep + … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, hetzij in totaal … EUR;

• aan de zijde van de geïntimeerde : op … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer bis, op ZEVEN DECEMBER TWEEDUIZEND EN VIER.

Aanwezig de Heren :

G. T., Raadsheer, waarnemend Voorzitter, alleenrechtsprekend,

M. V., griffier.

M. V. G. T.

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 201 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8