Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 20.04.2010
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Hof van beroep te Gent – 5e kamer
Nr. 2009/AR/743
in de zaak van :
R. BVBA, met maatschappelijke zetel te …, …; ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer …,
appellante,
hebbende als raadsman mr. J. D., advocaat te …, …
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, in de persoon van :
- de e.a. Inspecteur bij het BTW-Ontvangkantoor te Roeselare, wiens kantoren gevestigd zijn te 8800 ROESELARE, Rondekomstraat 30,
- de e.a. Inspecteur van het Controlecentrum te Brugge, wiens kantoren gevestigd zijn te 8000 BRUGGE, G. Vincke-Dujardinstraat 4,
geïntimeerde,
hebbende als raadsman mr. D. S. L., advocaat te …, …
spreekt het Hof het volgend arrest uit :
Door de appellante werd bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 20 maart 2009 hoger beroep aangetekend tegen het vonnis uitgesproken op 29 december 2008 door de vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge waarbij ongegrond werd verklaard het verzet aangetekend bij verzoekschrift van 27 december 2007 tegen het dwangbevel, uitgevaardigd door de e.a. inspecteur bij een fiscaal bestuur en rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor van Roeselare op 30 november 2007, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 3 december 2007 door P. L., directeur a.i., aangewezen door de gewestelijke directeur van de BTW voor de volgende bedragen :
- BTW … EUR
- boeten … EUR
- intresten berekend tot 21.01.2006 PM
Totaal … EUR
Het hoger beroep strekt ertoe dit ontvankelijk en gegrond te horen verklaren.
Dienvolgens het bestreden vonnis wat betreft de aangevochten onderdelen teniet te doen en opnieuw recht doende;
Te zeggen voor recht dat de appellante op grond van artikel 45, § 1 BTW-wetboek aanspraak kan maken op aftrek van alle BTW betaald ingevolge de lease-overeenkomst aangegaan op 17 maart 2003.
Het dwangbevel uitgevaardigd op 6 december 2007 door K. N., eerstaanwezend Inspecteur bij het BTWOntvangkantoor Roeselare, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer P. L., Directeur a.i. van de Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde Brugge, en gesteund op een proces-verbaal van vaststellingen opgemaakt op 27 november 2007 door de heer M. C., eerstaanwezend Inspecteur bij de Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, in die hoedanigheid ter beschikking gesteld van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, Controlecentrum Brugge, nietig te verklaren en te zeggen voor recht dat de in het dwangbevel gevorderde sommen niet verschuldigd zijn.
Vervolgens de terugbetaling te bevelen van alle sommen die op grond van het aldus vernietigde dwangbevel werden geïnd, vermeerderd met de wettelijke moratoriuminteresten zoals voorzien in artikel 91 BTW-wetboek.
De Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding voor de beide aanleggen, in hoofde van de appellante begroot op telkens … EUR.
Op haar beurt vordert de Belgische Staat het hoger beroep van de appellante af te wijzen als ongegrond en haar te veroordelen tot de kosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.
Feitelijke gegevens
De BVBA R. is actief als transportbedrijf. Op 17.maart 2003 werd met de NV VFS F. S. B. een lease-overeenkomst afgesloten m.b.t. een voertuig van het type FH12 Volvo Trekker. De overeenkomst had aanvankelijk een looptijd van 4 jaar, om een aanvang te nemen op 3 april 2003 en een einde te nemen op 2 april 2007.
De overeenkomst voorzag in volgende periodieke betalingen ten titel van financiële huur :
- het eerste jaar : twaalf maandelijkse huren van … EUR excl. BTW;
- het tweede jaar : twaalf maandelijkse huren van … EUR excl. BTW;
- het derde jaar : twaalf maandelijkse huren van … EUR excl. BTW;
- het vierde jaar : twaalf maandelijkse huren van … EUR excl. BTW. Bij het einde van de duurtijd van de overeenkomst was ook een aankoopoptie voorzien, en dit voor een bedrag van … EUR excl. BTW
Op 21 april 2004 werd de geleasde vrachtwagen doorverkocht aan de Spaanse firma SL T. M., en dit voor de prijs van … EUR excl. BTW. De verkoop van het voertuig werd als intracommunautaire handeling vrijgesteld van Belgische BTW (cfr. artikel 39bis BTWWetboek) . De inschrijving van het voertuig werd geschrapt bij de Dienst Verkeersbelastingen met ingang van 12 mei 2004.
Na de verkoop van het voertuig werden aanvankelijk de reguliere periodieke leasevergoedingen verder betaald aan de leasinggever VFS F. S. B.. Op 7 december 2005 werd de leasingovereenkomst vervolgens vervroegd beëindigd door betaling van een bedrag van … euro excl. BTW ten titel van aankoopoptie.
De administratie betwist de aftrek van de BTW in hoofde van de appellante voor zover deze BTW betrekking heeft op de periodieke leasevergoedingen die werden betaald tussen het moment van de verkoop van de geleasde vrachtwagen (facturen van ná april 2004) en het moment van het lichten van de koopoptie ten aanzien van de leasinggever (facturen t.e.m. november 2005). De aftrek van BTW die werd betaald bij het lichten van de aankoopoptie staat niet ter discussie.
Op 27 november 2007 werd door de heer M. C., eerstaanwezend Inspecteur bij de Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, in die hoedanigheid ter beschikking gesteld van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, Controlecentrum Brugge, een proces-verbaal van vaststellingen opgemaakt (stuk 3). Op grond van dit proces-verbaal werd op 6 december 2007 door mevrouw K. N., eerstaanwezend Inspecteur bij het BTWOntvangkantoor Roeselare een dwangbevel uitgevaardigd, dat werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer P. L., Directeur a.i. van de Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde Brugge.
De fiscale voorziening van de appellante tegen voornoemd dwangbevel werd door de 4e kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge afgewezen in een vonnis van 29 december 2008.
In hoger beroep vraagt de appellante nog een prejudiciële vraag te stellen luidend als volgt :
"Is artikel 45, § 1 van het Belgisch BTW-Wetboek in overeenstemming met artikel 17 van de Zesde BTW-richtlijn (77/388/EEG) betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting, indien het wordt geïnterpreteerd in die zin als zou het recht op aftrek van BTW niet meer kunnen worden toegepast op inkomende facturen die betrekking hebben op een bedrijfsmiddel dat op het moment van de uitoefening van het recht op aftrek geen eigendom meer is van de belastingplichtige, maar in hoofde van die belastingplichtige wel steeds bestemd is geweest voor activiteiten die integraal recht op aftrek geven?"
Beoordeling
De betwisting van de appellante is beperkt tot het antwoord op de vraag of alle BTW die werd betaald ingevolge de leasingovereenkomst van 17 maart 2003 in aanmerking komt voor aftrek overeenkomstig artikel 45, § 1, 1° en 2° W.BTW. Alle betaalde BTW was volgens haar gericht op het verrichten van belaste handelingen, dan wel het verrichten van een handeling die was vrijgesteld op grond van artikel 39bis BTW-Wet. Of is de aftrek afhankelijk van het gebruik van die goederen en diensten voor de in de artikel 45 W.BTW vermelde belastbare handelingen ?
Artikel 45, § 1 van het BTW-Wetboek bepaalt het volgende :
"Op de belasting die hij verschuldigd is, mag elke belastingplichtige in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van :
1° belaste handelingen;
2° handelingen vrijgesteld van de belasting krachtens de artikelen 39 tot 42;
3° handelingen in het buitenland, waarvoor recht op aftrek zou ontstaan indien zij in het binnenland zouden plaatsvinden;
4° handelingen bedoeld in artikel 44, § 3, 4° tot 10°, telkens wanneer de medecontractant buiten de Gemeenschap is gevestigd of de genoemde handelingen, volgens door of vanwege de Minister van Financiën te bepalen voorwaarden, rechtstreeks samenhangen met goederen die bestemd zijn om te worden uitgevoerd naar een land buiten de Gemeenschap;
5° diensten als makelaar of lasthebber bij in 4° bedoelde handelingen."
Er is geen betwisting over dat de BTW aftrekbaar is vanaf 17 maart 2003 tot aan de verkoop van de vrachtwagen op 21 april 2004 aan de firma T. M.. Ingevolge de verkoop werd de nummerplaat geschrapt op 12 mei 2004. Eens de vrachtwagen uit het patrimonium is verdwenen kan deze niet meer aangewend worden voor belastbare handelingen omdat de rechtstreekse onmiddellijke samenhang tussen de verkregen goederen en de belastbare handelingen is verdwenen.
In dit verband wijst de appellante erop dat het dankzij de betaling van de leasevergoedingen is dat zij uiteindelijk de vrachtwagen in eigendom kon verwerven en dat er een onlosmakelijk verband bestaat tussen de omvang van de periodieke leasevergoedingen en de omvang van de aankoopoptie.
De Belgische Staat daarentegen stelt daar tegenover dat de periodieke leasevergoedingen na de intracommunautaire levering en voor het lichten van de aankoopoptie geen rechtstreekse en onmiddellijke samenhang hebben met de verkoop aan de Spaanse firma, maar wel met het aankoopbedrag bij het lichten van de optie in de relatie tussen de leasemaatschappij en de appellante.
De doorverkoop aan de Spaanse klant werd als volgt uitgelegd :
"De relatie met de Spaanse klant is een loutere handelsrelatie. Het leasingcontract werd niet verbroken op het moment van de verkoop vanwege de bijkomende kost bij vervroegde opzegging van het contract. De trekker werd niet meer gebruikt na de verkoop gezien de onmiddellijke levering bij verkoop. De leasinggever was niet op de hoogte van de doorverkoop. Er werd geen verkoopovereenkomst gesloten met de Spaanse klant.”
Uit voormelde inlichtingen kan worden onthouden :
- dat de betaling van de leasevergoedingen geen invloed heeft op de verkoopprijs aan de Spaanse firma en op de intracommunautaire levering van 21 april 2004;
- dat de trekker niet meer werd gebruikt gezien de onmiddellijke levering na de verkoop;
- dat er geen verkoopovereenkomst werd gesloten tussen de appellante en de Spaanse firma.
Gegeven deze omstandigheden werd door de geïntimeerde terecht de aftrek geweigerd na de doorverkoop aan de Spaanse firma. Immers er worden geen belaste handelingen vrachtwagen gedaan sedert deze werd verkocht (hetzij vanaf 21 april 2004).
De appellante dient op fiscaal vlak de gevolgen te dragen van de keuze die zij heeft gemaakt om het kwestieuze voertuig eerst te ontvangen, verder de huurvergoedingen te betalen en pas later de aankoopoptie te lichten.
Het komt overbodig voor een prejudiciële vraag te stellen daar de geleasde trekker geen bedrijfsmiddel is in hoofde van de appellante tijdens de periode na de intracommunautaire levering en voor het lichten van de koopoptie.
De voorbeelden in de rechtspraak zoals geciteerd door de beide partijen hebben eerder betrekking op de vraag wat er gebeurt met de BTW na het stopzetten van de economische activiteit t.o.v. het tijdelijk onderbreken van de economische activiteit. Voor deze laatste activiteit bestaat er een tendens dat de belastingplicht niet in het gedrang komt. Uit wat voorafgaat volgt dat het hoger beroep ongegrond is.
De appellante werd in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van het hoger beroep dragen. Voor de vaststelling van de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger.W. vervangen bij Wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en uitgevoerd bij K. B. van 26 oktober 2007, moeten, bij gebrek aan verzoek en redenen tot afwijking ervan, de basisbedragen gehanteerd worden.
Vermits de waarde van de vorderingen bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 Ger.W. zich in de schijf bevindt van 5.000,01 tot 10.000,00 EUR is het basisbedrag van … EUR toepasselijk.
Beschikkend gedeelte
OP DIE GRONDEN,
HET HOF, recht doende op tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.
Verklaart het hoger beroep toelaatbaar doch wijst het af als ongegrond.
Bevestigt derhalve het bestreden vonnis ook wat de kosten aangaat en veroordeelt de appellante tot betaling van de beroepskosten.
Begroot deze kosten als volgt :
- aan de zijde van de appellante : … EUR rechtsplegingsvergoeding;
- aan de zij de van de geïntimeerde : … EUR rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, recht doende in fiscale zaken, op TWINTIG APRIL TWEEDUIZEND EN TIEN.
Aanwezig de Heren :
A. D. M., Kamervoorzitter, Voorzitter,
G. T. en D. V., Raadsheren,
M. V., griffier.
M. V. D. V. G. T. A. D. M.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.